Wetenschap versus grof geschut: de weg naar Larissa
Opinie, Midden-oosten, Nieuws, Wereld, Cultuur, Geschiedenis, Religie, Islam, Wetenschap, Filosofie -

Wetenschap versus grof geschut: de weg naar Larissa

Godsdienst is een vijand van de wetenschap, zo kan een recent opiniestuk van filosoof Maarten Boudry worden samengevat. "Door zich blind te staren op de uitwassen van religies, en die dan via een slordig denken te vereenzelvigen met het concept ‘religie’, vervallen dit soort Nieuwe Atheïsten in iets wat volgens Plato minstens even oud als filosofie en wetenschap zelf is: het verkiezen van een mening waar men sterk in gelooft boven een bewijsbare stelling."

dinsdag 4 juni 2013 16:52

In zijn onlangs op liberales.be verschenen opiniestuk Waarom religie wetenschap verstikt gooit Nieuw Atheïst of Radicaal Atheïst Maarten Boudry meer dan drie millennia aan religieuze praktijken in de meest uiteenlopende culturen, politieke regimes en economieën ter wereld op één hoop, en meent daar, in samenspraak met zijn meer illustere geloofsgenoten, meer dan 1500 jaar ‘wetenschap’ tegenover te kunnen stellen.

Doel: aantonen dat élke vorm van religie zich noodzakelijkerwijze tegen élke vorm van wetenschap verzet, en dus waar mogelijk wetenschappelijk onderzoek probeert tegen te gaan.

Maar al gauw komen er een paar scheuren in het plafond, wanneer Boudry het, bijna ondanks zichzelf, plots heeft over ‘radicale moslims’. Hij voegt daar – volledig terecht – aan toe dat de meerderheid van de moslims niét behoren tot die radicale groep, wanneer hij schrijft: “de eerste slachtoffers van de islam zijn integere moslims zelf, de grote meerderheid, die dat soort praktijken verwerpelijk vinden” (de praktijk waar het hier om ging was het met de dood bedreigen van een Imam die de evolutietheorie aanhangt).

Als Radicale Atheïsten, in een vlaag van luciditeit, in staat zijn te erkennen dat de meerderheid van de gelovigen niét radicaal zijn, en het met de meerderheid van de atheïsten en agnosten eens zijn wat betreft het nut van wetenschappelijk onderzoek, dan wordt de vraag natuurlijk: waarom schieten Radicale Atheïsten desondanks toch voortdurend met grof geschut op alles wat beweegt, wanneer het over religies gaat?

In wat volgt verkennen we even de hypothese dat het precies de radicaliteit is waarmee men zich met een opinie identificeert die radicalen onderscheidt van wetenschappers, of die radicaliteit nu een religieus of antireligieus tintje heeft.

Doxofiel versus filosoof

In de dialoog Meno probeert Plato, stichter van de filosofie als discipline, meer dan 2000 jaar geleden duidelijk te stellen wat precies het verschil is tussen wetenschap (wat toen synoniem stond voor filosofie, of wijsbegeerte, m.a.w. een “verschrikkelijke liefde voor de waarheid”) en dat wat niét wetenschappelijk is: een mening of doxa.

Hij legt het verschil uit via een anekdote: stel dat je in Athene woont, en je om de één of andere reden naar de stad Larissa moet begeven. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel ben je al eens naar Larissa gegaan, en dan ken je de weg vanuit je eigen ervaring, omdat je er stap voor stap naartoe gewandeld bent, ofwel ben je er nooit geweest.

Onderweg kom je sowieso heel wat tweesprongen tegen, en moet je beslissen wat te doen. Als je nooit van Athene naar Larissa bent gegaan, dan kan je onmogelijk weten welk pad naar je doel leidt, eens je je op een tweesprong bevindt.

Je bent dus genoodzaakt de mening van voorbijgangers te raadplegen, zonder te weten waarom je eerder de ene persoon dan de ander best gelooft. Ben je er echter wel al naar toegegaan, dan heb je geen vertrouwen in meningen meer nodig, want je kent elk onderdeel van de weg uit eigen ervaring, omdat je hem zélf al bewandeld hebt.

Een filosoof of wetenschapper is diegene die in Larissa toekomt omdat hij elke stap van de weg zelf heeft uitgetest, en dus over het onomstotelijke bewijs beschikt.

Een ‘doxofiel’ of niet-filosoof heeft geen ervaring met de weg, en heeft dus slechts een vaag idee ervan. Hij is daardoor aangewezen is op de raad van anderen, zonder te weten wie betrouwbaar is en wie niet. Doxofielen kunnen dus niet anders dan afgaan op louter meningen, doxai, terwijl filosofen of wetenschappers de waarheid bereiken op zo’n manier dat ze ook weten HOE en WAAROM ze die bereikt hebben.

Tegelijk was ook Plato diegene die schreef dat de filosofie/wetenschap zich altijd zal moeten proberen te handhaven te midden van een maatschappij die nu eenmaal niét waarheid als belangrijkste doel heeft.

Waarom zijn niet-filosofen of niet-wetenschappers niet voortdurend op zoek naar nieuwe waarheden? Omdat ze die eenvoudigweg niet nodig hebben, in hun dagelijkse bestaan. Meningen/doxai volstaan ruimschoots om een min of meer bevredigend leven te leiden. En dat is maar goed ook. Als elke schoenmaker zou beginnen filosoferen wanneer hij ’s ochtends in zijn atelier toekomt, dan zou hij nooit bij zijn leest kunnen blijven, en dus van honger omkomen.

Het nadeel van dit soort werkelijkheid is wel dat in sommige omstandigheden, schoenmakers plots heel erg gaan vasthouden aan hun eigen meningen, zélfs wanneer het gaat om dingen die niets met schoenmaken te maken hebben. En dat zijn het soort situaties die gevaarlijk zijn voor filosofen en wetenschappers, want doordat het precies hun job is bestaande meningen te ondervragen en eventueel te vervangen door meer bewezen stellingen, hebben filosofen en wetenschappers door de eeuwen heen een behoorlijk moeilijke relatie met alles wat naar ‘autoriteit’ ruikt gehad, of die autoriteit nu politiek, religieus of economisch was.

Radicale Atheïsten hebben dus zeker méér dan gelijk wanneer ze pleiten voor het strijden tegen het beknotten van wetenschappelijk onderzoek, en er ons aan herinneren dat dat soort beknottingen héél vaak voor komt, en dus dat het risico meer dan reëel is.

Wat ze echter vergeten is dat het risico altijd heeft bestaan, van bij het begin van de filosofie en wetenschap, zoals Plato dat zo mooi uitlegt, en dat het gevaar essentieel komt van mensen die zich vastklampen aan één of andere mening, zonder te kunnen uitleggen hoe ze tot die mening gekomen zijn.

Door zich blind te staren op de uitwassen van religies, en die dan via een slordig denken plots te vereenzelvigen met het concept ‘religie’, vervallen dit soort Nieuwe Atheïsten, ondanks hun goeie voornemens, in iets wat volgens Plato minstens even oud als filosofie en wetenschap zelf is: doxografie, het verkiezen van een mening waar men sterk in gelooft boven een bewijsbare stelling.

En inderdaad, het laatste opiniestuk van Boudry is dan ook weinig meer dan een opsomming van persoonlijke opinies, eerder dan het geven van argumenten die onomstootbaar bewijzen dat élke religie per definitie tegen wetenschappelijk onderzoek is.

Dat veel Vlaamse atheïsten dat soort meningen deelt kan onmogelijk de waarheid van dit soort hypotheses bewijzen, aangezien de waarheid nu eenmaal niéts te zien heeft met een ‘democratische’ meerderheid, en alles met het stap voor stap aantonen hoe je tot een bepaalde stelling komt.

Geschiedschrijving als wetenschappelijke discipline

Augustinus

Laten we even het opiniestuk van Boudry overlopen. Hij gaat van start met een verwijzing naar Augustinus, één van de grootste intellectuelen en filosofen in de geschiedenis van het West-Europa (ook al werd hij in Noord-Afrika geboren … maar Noord-Afrika maakte toen deel uit van het economische heel succesvolle Romeinse Rijk).

In plaats van zich te baseren op de bijzonder omvangrijke (en vandaag nog steeds toenemende) wetenschappelijke literatuur omtrent Augustinus’ werk, beslist Boudry één zinnetje uit dat werk te isoleren, en er dan een eigentijdse betekenis aan te geven.

Augustinus schrijft inderdaad dat de curiositas, een Latijnse term die toen verwees naar het ‘weten om het weten’ (zoals er ook een l’art pour l’art is), niét iets is wat we als mensen moeten cultiveren, aangezien eruditie op zich hoegenaamd geen garantie op wijsheid oplevert.

Net zoals 15 eeuwen later ook Spinoza zal herhalen zegt Augustinus hier duidelijk dat kennis omwille van de kennis, zonder enig ethisch doel, niet noodzakelijk tot iets goeds leidt. Van zodra je met de context van zo’n zinnen rekening houdt, is het perfect duidelijk wat beide filosofen bedoelen: het is inderdaad niet omdat wetenschappers het geheim van atoomenergie ontdekt hebben, dat dat onvermijdelijk een positief resultaat oplevert.

Na Hiroshima valt dat moeilijk te ontkennen. Het is niét omdat je een waarheid i.v.m. de natuur hebt ontdekt dat dat mensen onvermijdelijk ten goede gaat komen; alles hangt af van wie die ontdekking gaat gebruiken.

Betekent dat dat Augustinus tegen wetenschappelijk onderzoek is? Het tegendeel is waar. In zijn Retractationes schrijft hij expliciet dat hij in zijn boek De ordine, dat o.a. over menselijke kennis gaat, eigenlijk nog te weinig heeft benadrukt hoe belangrijk een degelijke kennis van de artes liberales (waar toen filosofie en wetenschap toe behoorden) wel niet is.

En eind de vierde, begin vijfde eeuw verwezen de termen ‘filosofie’ en ‘wetenschap’ vooral naar de heidense, Griekse neoplatonische filosofieën van o.a. Plotinus en Porphyrus. Augustinus heeft zelf een groot deel van zijn leven gewijd aan het bestuderen van de grote filosofen uit het verleden, én is de eerste christelijke filosoof die een synthese tussen een bepaalde interpretatie van de Bijbel en het heidense neoplatonisme tot stand heeft gebracht.

Niet alleen pleitte Augustinus er expliciet voor om christenen een degelijke opleiding in de wetenschap en filosofie te geven, hij is zelf één van de meest uitmuntende illustraties van dit soort pedagogisch project.

Het is wél zo dat nadien, eeuwen later, sommige radicale christelijke gelovigen één of andere zin van Augustinus uit zijn context hebben gehaald, om het te gebruiken als wapen in de strijd tégen het wetenschappelijk onderzoek. Maar enkel àls je dit soort doxografische lezingen verkiest boven een puur wetenschappelijke analyse van Augustinus’ werk kan je zo’n gebruik aanhalen als een ‘bewijs’ dat Augustinus zélf tegen wetenschappelijk onderzoek was, zoals Boudry beweert.

Je moet dus noodzakelijkerwijze een puur doxografische en niét wetenschappelijke lezing van Augustinus’ werk aanhangen om tot Boudry’s opinie te komen. Met andere woorden, enkel als je de werkwijze van radicale christenen overneemt en een wetenschappelijke analyse van Augustinus’ werk weigert te aanvaarden, kan je tot een interpretatie komen die eigen is aan Radicale Atheïsten zoals Boudry. Maar je moet dan eerlijkheidshalve wel toegeven dat je interpretatie alles behalve wetenschappelijk is, en eerder een samenraapsel van opinies – wat Boudry nalaat te doen.

De Latijnse Middeleeuwen

Maarten Boudry verwijst verder ook naar de ‘relatief tolerante islam’ die je in het Abassidische Bagdad en Zuid-Spaanse Al-Andalus van de 8ste tot de 12de eeuw zou kunnen terugvinden. Het 12de eeuwse Cordoba is inderdaad een intellectueel hoogtepunt in de geschiedenis van het Westen, omdat Joodse, christelijke en moslimintellectuelen er constant samenwerkten om de belangrijkste Griekse en Arabische filosofische werken naar het Latijn te vertalen.

Betekent dat dat het politieke regime dat toen het hele Iberische schiereiland domineerde élke vorm van wetenschappelijk onderzoek bevorderde? Nee, zoals eminent historicus John Tolan heeft aangetoond. Maar het is wél zo dat wetenschap en religieuze tolerantie toen veel meer gecultiveerd werden dan wanneer het christelijke Westen de Arabische moslims had verdreven en de Inquisitie uitvond.

Maar ook hier moeten we oppassen niet in de valkuil van gemakkelijke oversimplificaties te vallen. De uitvinding van de Inquisitie viel ook samen met de creatie van de eerste westerse universiteiten, waar wetenschappelijk en filosofisch onderzoek tot een niveau kwamen dat het christelijke Westen sinds Augustinus niet meer gekend had.

Boudry beweert nochtans dat na het Andalusische hoogtepunt, het Westen hopeloos verviel in de ‘duistere middeleeuwen’, een mythe die door ongeveer élke mediëvist sedert minstens 50 jaar vakkundig (lees: op een puur wetenschappelijke manier) weerlegd werd.

Radicale Atheïsten die op de één of andere manier toch een zekere interesse voor de geschiedenis van de middeleeuwse filosofie vertonen (iets waar Boudry duidelijk géén last van heeft) antwoorden daar graag op door bijvoorbeeld te verwijzen naar het jaar 1277, wanneer de Parijse bisschop Etienne Tempier het universitairen verbood maar liefst 219 stellingen openlijk te verdedigen. Wat is een beter voorbeeld van ‘religie’ die het ‘wetenschappelijk onderzoek’ beknot, zou je zo denken?

In de negentiende eeuw werden deze veroordelingen gebruikt om aan te tonen hoe er van bij het begin aan de universiteiten een conflict was tussen de faculteit van de Artes liberales, waar ook filosofie en wetenschap toe behoorden, en de faculteit van de theologie, waar je maar toegang tot had eens je een diploma in de liberale kunsten had behaald.

Bisschop Tempier viel inderdaad nogal wat stellingen van o.a. Thomas van Aquino aan, en beschuldigde hem en zijn collega’s daarbij van ‘averroïsme’, t.t.z. het invoegen van stellingen uit het aristotelisme (dat men in het Westen toen pas, dankzij de Arabieren, herontdekt had), zoals geïnterpreteerd door de moslim filosoof Averroës, in zijn lessen theologie.

Kerk en geloof tegen filosofie en wetenschap, zo lijkt het wel. Maar zoals o.a. de uitmuntende mediëvist Alain de Libera heeft aangetoond (zie zijn Raison et foi. Archéologie d’une crise d’Albert le Grand à Jean-Paul II, Ed. du Seuil), was niets minder waar.

Wie vasthoudt aan de noties ‘Rede’ en ‘Geloof’ alsof het twee platonische, eeuwige en onveranderlijke ideeën zijn, kan onmogelijk iets van de Middeleeuwen begrijpen. Of zoals de Libera het stelt: “On ne fait pas d’histoire avec des abstractions”.

In werkelijkheid ging het hier om een strijd tussen verschillende filosofische concepties binnen de faculteit van de theologie, waarbij sommige theologen (die toen ook allen filosofen waren), zoals Thomas van Aquino, pleitten voor een volledige autonomie van de filosofie (en dus wetenschap, want voor het ontstaan van de moderne, experimentele wetenschappen, in de 16de eeuw, bleven beiden synoniem), en aantoonden hoe de filosofie net op die manier het meest nuttig zou zijn voor theologen, terwijl zijn tegenstanders, zoals Bonaventura, de filosofie wilden onderwerpen aan de theologie door ze erin op te nemen.

En dan moet hier nog aan toegevoegd worden dat in de 13de en 14de eeuw (twee eeuwen vol van de meeste stoutmoedige filosofische creaties, waar zelfs vandaag analytische filosofen – die over het algemeen weinig interesse in de geschiedenis van de filosofie hebben – nog steeds gefascineerd door zijn) de term ‘filosofie’ vaak verwees naar de doctrine van (een geneoplatoniseerde) Aristoteles en de uitstekende Arabische moslimcommentaren op dat werk, eerder dan te slaan op een specifieke praktijk of discipline, terwijl alle theologen vanuit modern opzicht gezien duidelijk eerst en vooral, in hun dagelijkse praktijk, filosofen waren.

Eind de 13de eeuw hadden de bonaventuristen vaak meer politieke macht dan dominicanen zoals Thomas van Aquino. En dus hebben ze dié specifieke veldslag gewonnen. Later evolueert de politieke invloed meer in de richting van een totale scheiding tussen filosofie en theologie, wat in sommige interpretaties heeft geleid tot méér autonomie voor de filosofie, en in andere net minder (wanneer men filosofen probeerde te verbieden zich uit te spreken over zaken die raakten aan theologische stellingen).

De Libera toont dan ook héél overtuigend aan hoe er niet één rede is in de geschiedenis van het Westen, maar heel wat verschillende concepties van de rede, van de Oudheid tot nu, en wie over het algemeen de houding van de Kerk t.o.v. wetenschappelijk onderzoek wil kort schetsen, kan enkel vaststellen dat binnen de Kerk er voortdurend verschillende rationaliteiten hebben gecirculeerd, wat zowel de enorme opbloei aan wetenschappelijk onderzoek in de 13de en 14de eeuw verklaart als fenomenen als de Inquisitie en de vele veroordelingen van bepaalde theologische of filosofische stellingen.

Het hedendaagse Midden-Oosten

Wie dus het weinige aantal hedendaagse moslimwetenschappers die een Nobelprijs gewonnen hebben wil aanklagen, kan dat onmogelijk doen door, zoals Boudry schrijft, te beweren dat “(…) de islam, houdt de Arabische wereld sinds enkele eeuwen in een verstikkende wurggreep vergelijkbaar met die van het christendom in onze contreien voor de renaissance”.

Niet alleen was de situatie van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek tussen de 12de en 16de eeuw in het christelijke Westen stukken beter dan wat ze vandaag is in sommige moslimlanden zoals het door decennialange koloniale oorlogen verscheurde Afghanistan, het is ook een onmiskenbaar feit dat de politiek-economische situatie in het Middeleeuwse Westen maar weinig vergelijkbaar is met wat in het 20ste-eeuwse Midden-Oosten is gebeurd.

Men spreekt onder mediëvisten over de ‘twaalfde eeuwse renaissance’, niet alleen omdat het intellectuele en culturele leven toen op een spectaculaire manier weer begon op te flakkeren, maar ook omdat nieuwe landbouwtechnieken een heuse economische boom en sterke demografische aangroei veroorzaakt hebben.

Dat zorgde voor wat men de ‘opkomst van de steden’ heet, en het ontstaan van een middenklasse van handelaars en zelfstandigen, die niet gebonden waren aan een adellijke heer, en daardoor niet alleen een grotere financiële en politieke vrijheid genoten, maar ook intellectueel gezien plots dankzij de als paddenstoelen uit de grond schietende kathedraalscholen een stuk hoger niveau bereikten, daar waar de meer in zichzelf gesloten kloosterscholen tot dan toe verantwoordelijk waren voor het enige beschikbare aanbod van onderwijs.

Dat betekent dat wie op een wetenschappelijk manier aan geschiedschrijving wil doen, enerzijds niet zomaar van de ene plaats en periode naar de andere kan overspringen, en anderzijds binnen één spatio-temporeel geheel onmogelijk één factor kan isoleren uit zijn context (religie, bv.), om de mate van onderwijs en de intensiteit aan wetenschappelijk onderzoek in een bepaalde maatschappij te verklaren.

Je moet noodgedwongen ook rekening houden met economische en politieke factoren. En dat geldt evenzeer vandaag: in Pakistan bv. is sedert een aantal jaren een machtsstrijd aan de gang tussen een bevolkingsgroep die pro-Amerika is en een zekere scheiding van religie en staat wil, en een radicale groep, de Taliban, die pleit voor een politiek regime dat dicht bij een fundamentalistische theocratie komt.

Boudry klaagt terecht het feit aan dat in de Taliban-madrasas voornamelijk de Koran onderwezen wordt, maar hij verzwijgt het feit dat in vele delen van het land de centrale regering bijzonder weinig middelen aanwendt om voor degelijk en betaalbaar onderwijs te zorgen, waardoor veel (behoorlijk arme) ouders de keuze hebben tussen hun kind niét naar school laten gaan (en dus wérkelijk ‘achter te stellen’, zoals Boudry dat noemt), of hen naar een Taliban-school te laten gaan, waar ze gratis leren lezen, schrijven en rekening, én een middagmaal ontvangen.

Hij verzwijgt ook het feit dat de oorlog van de VS en de NAVO in Afghanistan onder Bush geleden heeft onder een schrijnend inefficiënte strategie, waarbij de Taliban na de invasie al snel het hele zuiden van het land hebben kunnen overnemen van het Westen, wat hen toeliet de grens met Pakistan zo goed als af te schaffen.

Dat op zijn beurt heeft dan weer de Pakistaanse Taliban de gelegenheid gegeven meer middelen te verwerven, én dus ook de Pakistaanse regering en het Pakistaanse leger meer binnen te dringen, wat de Pakistaanse staat alleen maar nog meer verzwakte.

Je kan onmogelijk van dit soort geopolitieke en economische feiten abstractie maken, eens je iets als het niveau van wetenschappelijk onderwijs wil proberen te verklaren, en nochtans is dat precies wat Boudry doet.

Enkel door op zo’n radicaal niét wetenschappelijke manier met feiten en geschiedenis om te springen, kan hij iets schrijven als “overal ter wereld waar religie de teugels in handen heeft, in het bijzonder in de islamitische wereld, beknot ze wetenschappelijk onderzoek en remt ze de vooruitgang”.

In het hedendaagse Midden-Oosten is de radicale minderheid die wérkelijk tegen vrij wetenschappelijk onderzoek is vaak niét aan de macht, maar reageert ze, zoals Al-Qaeda, vanuit een minderheidspositie tegen door het Westen op de troon gehouden wrede dictators, die hun bevolking uitbuiten en moedwillig arm en dom houden, en door Amerikaanse presidenten op de mond gekust worden in naam van de vrijheid en de democratie.

Je zou kunnen denken dat dat alleen maar aantoont hoe ‘achterlijk’ die Amerikanen wel niet zijn … maar dat is niét Boudry’s argument. Amerikanen zijn achterlijk omdat de helft van de bevolking een theologische theorie boven een wetenschappelijke verkiest.

En achterlijke ‘culturen’, zo beweert Boudry, zijn zo achtergesteld doordat religies de wetenschap in een wurggreep houdt, waardoor ze plots veel minder Nobelprijswinnaars dan meer gevorderde culturen vertonen. Hij zegt daar helaas niét bij hoe je in dat geval kan verklaren dat het precies de Amerikanen zijn die een groot deel van de Nobelprijzen gewonnen hebben, en op mondiaal vlak de onmiskenbare leider qua wetenschappelijk onderzoek zijn …

Radicaal atheïsme: een vorm van doxofilie?

Je kan dus niet anders dan besluiten dat Boudry zichzelf voortdurend tegenspreekt. En dat is perfect normaal, voor wie op het niveau van de pure meningen blijft, in de platonische zin van het woord.

Je kan van een doxofiel geen wetenschappelijke coherentie eisen. Het énige wat in zijn discours (en dat van zijn geloofsgenoten) shockerend is, is dat dit soort doxografie verondersteld wordt in naam van de wetenschap geschreven te zijn, en de wetenschap zou moeten verdedigen tegen haar aanvallers.

Andersdenkende atheïsten gaan ervan uit dat we enkel de vele gevaren die wetenschappelijk en filosofisch onderzoek van bij het begin bedreigd hebben efficiënt kunnen bestrijden als we dat op een puur wetenschappelijke manier doen. Want pas als je je vijand van binnenuit kent, weet je waar zijn zwakke plekken te vinden zijn en hoe hem definitief onschadelijk te maken.

Je kan geen radicale doxofilie met radicale doxofilie bestrijden. Wie naar Larissa wil gaan, moét de weg stap voor stap zelf bewandelen, want zonder dit nauwkeurig analyseren en verifiëren blijf je noodgedwongen steken op niet-bewezen en dus potentieel inefficiënte tot zelfs gevaarlijke, vage meningen.

Laten we dus stoppen met alle religies in alle mogelijke vormen over dezelfde kam te scheren, en onze trots vanwege onze passie voor wetenschappelijk onderzoek aanwenden om ook op dit, momenteel maatschappelijk bijzonder relevante vlak, het grof geschut weg te bergen en met de precisie van een chirurgisch scalpel te werk te gaan.

Omdat waarheid té belangrijk is om er zo slordig mee om te gaan.

Anja Van Rompaey

Anja Van Rompaey is als filosofe verbonden aan het Interdisciplinair Centrum voor de Studie van Religies en Laïciteit (ULB), en lid van de Vooruitgroep.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!