Palestina: Apartheid 2.0

Palestina: Apartheid 2.0

woensdag 22 mei 2013 15:26
Spread the love

Naar verluidt zou heel islamitisch België leeglopen richting Syrië. Ondertussen kregen wij de kans om in Palestina rond te reizen[1]. Palestina: een land dat aan Syrië grenst maar eigenlijk niet bestaat. En precies in dat land liggen de wortels van wat sommigen hier als het ‘islamprobleem’ zien.

Het probleem

Voor zo ver nog nodig even een ultrakorte situering van dat probleem.

Toen in 1948 de uit Europa afkomstige zionistische joodse kolonisten in Palestina de staat Israel proclameerden, barstte pas voor goed het al decennia lang aanslepende conflict los tussen die kolonisten en de Palestijnen. Die laatsten bevolkten al meer dan duizend jaar het land[2].

Over de hele wereld zijn de moslims dat conflict gaan percipiëren als een reeks veroveringsoorlogen van een westerse, kolonialistische, ongelovige en materialistische staat tegen een volk dat de moslims tot de Arabische natie én de Islamitische Oemma rekenen.

In het westen was er dan weer weinig nodig om dat conflict te duiden in termen van “onbetrouwbare Arabieren met een achterlijke godsdienst en een verstarde cultuur”. Het scheelt niet veel of zowat elke moslim wordt tegenwoordig gezien als een fanatieke djihadist met een bom in zijn tulband.

Als je dan de kans krijgt om zelf ter plaatse en letterlijk in aanraking te komen met de geschiedenis en de puur menselijke kanten van een conflict dat al meer dan een halve eeuw de wereld destabiliseert, dan twijfel je geen seconde. Enkele dagen in dat non-land Palestina rondreizen volstaan voor een absoluut confronterende ervaring. Tenzij je compleet verstoken bent van enig inlevingsvermogen.

Op 6 april dus landden we inTel Aviv en diezelfde avond nog reden we naar Beit Sahour, een Palestijns dorp vlak bij Bethlehem. Het plan was om de komende dagen van daaruit onder meer naar Jeruzalem en Tel Aviv-Jaffa te gaan. Maar vooral zouden we ook een aantal Palestijnse steden en dorpen bezoeken in de bezette Westelijke Jordaanoever (de Westbank). Daar wilden onze gidsen ons voorts nog een vluchtelingenkamp en een Bedoeïenennederzetting laten zien. En ten slotte was er een kennismaking voorzien met een Palestijnse landbouwer die al bijna een generatie lang tegen de Israëlische staat een eenzame strijd voert om op zijn grond te kunnen blijven werken en wonen.

Wat hier volgt wil een poging zijn om wat orde te brengen in de mozaïek van indrukken waarmee we thuis zijn gekomen.

Akkoord, het is niet omdat je een week in een Palestijns guest house hebt overnacht, ontbeten en geavondmaald of omdat Palestijnen je hebben rondgeleid, dat je een ervaringsdeskundige inzake Palestina bent geworden. Wel helpt het je te beseffen in welke onwezenlijke en onbehaaglijke sfeer de bewoners van dit al bijna vijftig jaar bezette land leven. Maar vooral: in welke mensonterende omstandigheden.

Dit land is al 65 jaar in oorlog. In het Israëlische deel van Jeruzalem hebben ze dat … gevierd. Overal zag je aan de verlichtingspalen banieren met de davidsster. Die herinnerden eraan dat Israël al 65 jaar … onafhankelijk was.

De checkpoints…

Een van de meest sinistere ervaringen blijft het alom aanwezige militaire controle- en repressieapparaat van de Israëlische staat. Wegen waar je niet door minstens één van die checkpoints moet, kom je nauwelijks tegen.

Als toeristen de Palestijnse bezette gebieden bezoeken, worden ze doorgaans rondgereden in een autobus met een Israëlische nummerplaat – voor de bewoners van de bezette gebieden zijn er aparte nummerplaten. Uiteraard zorgt het reisbureau ervoor dat de chauffeur – in ons geval een Palestijn – over de juiste vergunning beschikt. De militairen die de checkpoints bemannen of bevrouwen kennen dat. Ze doen dan ook zelden moeilijk.

Met een Palestijnse gids echter riskeer je problemen te krijgen. Op zich is het al verdacht dat toeristen een Palestijn als gids kiezen. Die vertelt immers onaardige dingen over dit land van melk en honing. Palestijnen die in dat land – hún land! – willen rondrijden moeten een vergunning kunnen voorleggen. Onze gids had die wel, maar het was er een die hem verplichtte aan elk checkpoint voor controle uit te stappen. Dat betekende aanschuiven door een aparte, lange zigzaggang, afgezet met dranghekken en een paar tourniquets. Op het einde moest hij nog eerst door een scanner en dan een stuk of wat gewapende miliciens trotseren, die elk document minutieus onderzochten.

Een grimmige ervaring! Uit solidariteit en ja, ook een beetje uit ongezonde nieuwsgierigheid, is onze hele groep met de gids uitgestapt. Die via dolorosa duurt makkelijk twintig minuten. Je bent immers niet de enige die daar passeert. Honderden andere mensen, op weg naar hun werk, moeten er langs.

Alles aan die controle ademt vijandigheid. Voordurend hoor je van alles door een luidspreker roepen. En niet bepaald op een vriendelijke toon. Waarschijnlijk bevelen. Het stuitends zal wel de vernedering zijn: de treiterachtige willekeur van die militairen te moeten ondergaan. Als ze daar toevallig zin in hebben, nemen ze extra tijd voor die controle. Staat je gezicht hen niet aan, dan sturen ze je gewoon terug. Normaal maken toeristen dat natuurlijk niet mee.

een vorm van apartheid

Even voorbij het checkpoint stond onze chauffeur met de bus ons op te wachten. Hem hadden ze, dankzij zijn speciale vergunning, vlot doorgelaten. Er bestaan – dixit onze gids – meer dan honderd (100!) verschillende soorten vergunningen en pasjes. Met die van hem moest hij dus te voet door het checkpoint. Als zijn vrouw bij hem was, kon die gewoon met de auto passeren. Zij had een andere pas weten te bemachtigen en bleef dus gespaard van die krenkende hocus pocus. Voor haar geen spitsroeden lopen langs de dranghekken, geen getraliede tourniquets noch gesnauw van barse soldaten met machinegeweren en scanners. Apartheid à la tête du client.

De laatste dag, op de terugweg naar de luchthaven, moesten we voor de zoveelste keer langs een checkpoint. Het leek wel alsof de militairen die avond instructies hadden gekregen om supergrondig te controleren. Bij elke auto deden ze de chauffeur en zijn passagiers uitstappen, de nodige papieren laten zien en de kofferbak openmaken. Toen wij aan de beurt waren, stapte een piepjonge zwaar bewapende militair op de bus. Niemand van ons voelde zich op zijn gemak. Nadat hij ons even had gemonsterd, mochten we dan toch doorrijden. Exact een uur hadden we aangeschoven.

Op de luchthaven werden we alweer tegengehouden. Een geüniformeerde ambtenaar vroeg onze reisleider zijn boardingpapieren. Na die te hebben nagekeken, nam ze hem apart. Waarom we ons zo laat aan de incheckbalie aanboden, was de vraag. “Wij zijn tegengehouden worden aan een versperring” was zijn antwoord. “There are no barriers in Israel” beet ze hem toe. Thuis gekomen lees ik dat Palestijnen in hun contacten met buitenlanders de checkpoints vaak barriers noemen.

“Waar komen jullie vandaan” wilde ze weten. “Van Beit Sahour”. Had hij de naam van dat dorp niet helemaal juist uitgesproken? “Er bestaat geen dorp met die naam.” beweerde ze. “Wij zijn een groep studenten met hun professor” zei de reisleider op de volgende vraag. Daarop werd Ludo voor een ondervraging meegenomen. Zeker tien minuten duurde die.

Toen was het onze beurt. “Als dat allemaal studenten zijn, wat doen dan those older people in die groep?”. “En als jullie van een Belgische universiteit zijn, waarom lopen er dan mensen bij met een Nederlands paspoort?“. Dan maar een willekeurige student eruit gepikt. Op zijn beurt werd die op de rooster gelegd. De arme jongen verscheen bijna twintig minuten later terug in de groep, compleet overstuur. “Kijk, mijn handen beven er nog van”.

Waarom?

Zoals voor alles bestaat er ook voor die talloze checkpoints een verklaring.

Sinds de akkoorden van Oslo (1993)[3] is de Westbank opgedeeld in drie zones. Meer een nevelvlek van gebieden en gebiedjes, opgedeeld in zone A of zone B die de Palestijnse Autoriteit in min of meerdere mate autonoom bestuurt. Wat hoe dan ook onder Israëlische voogdij gebeurt. De grootste zone C, zowat 62% van de Westbank, met onder meer een superbrede strook langs de hele Jordaanoever, wordt door Israël militair bezet en uiteraard ook bestuurd. Palestijnen zijn daar haast loslopend wild.

Op een kaart zie je duidelijk hoe, versnipperd over de hele Westbank, de Palestijnse zones A en B een zwerm grote en kleine vlekken vormen. Wie dus bijvoorbeeld van de zuidelijke stad Hebron naar Nablous in het noorden wil rijden, krijgt het ene na het andere checkpoint te verwerken. Zonder de juiste vergunningen geraakt een Palestijn daar nooit door. De anderen doen er uren over. En dat voor een afstand van amper 50 kilometer.

In feite is het nog ingewikkelder. In de Westbank heb je exclusieve wegen voor Israëlische burgers. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de comfortabele en directe snelweg nummer 1. Met onze trage bus reden we daarop binnen het uur van Jeruzalem tot in Tel Aviv. Iets minder dan 50 kilometer en niks checkpoints natuurlijk.

De wegen – omwegen in feite – waarlangs de Palestijnen van het ene dorp naar het andere moeten rijden, zie je overal door het landschap kronkelen. Soms duiken ze via een tunnel onder een voor Israëliërs gereserveerde weg. Geen sprak van dat ze op een onbewaakt punt op elkaar zouden uitgeven. Voorts zijn die wegen slecht onderhouden: de Palestijnse Autoriteit beschikt nauwelijks over middelen. Voor landbouwers zijn het ware nachtmerries. Door de fameuze Muur die de Westbank van Israël afzondert, geraken zij nauwelijks nog op hun akkers. Vaak geven ze het gewoon op om hun grond nog te gaan bewerken. Voor zo ver ze er al niet toe gedwongen werden of het hen door die Muur botweg onmogelijk werd gemaakt. Palestijnen die vanwege die muur hun grond zogezegd verwaarlozen, kunnen er op aan dat de bezetter die vroeg of laat inpalmt. Loslopend wild, zei ik. Over die Muur moeten we het nog hebben.

Kolonisatie

Bijzonder pijnlijk is de situatie aan de oostkant van Jeruzalem, precies door die sluipende kolonisatiepolitiek.

Zoals bekend heeft Israël de Westbank in 1967 op Jordanië veroverd. In de loop van de jaren zijn 600.000 joodse kolonisten daar, aangemoedigd door hun regering, in speciaal voor hen gebouwde dorpen gaan wonen. Vergeleken met een doorsnee Palestijns dorp zijn dat riante residenties, zij het wat steriel van sfeer en monotoon van architectuur. Alsof IKEA ook huizen zou bouwen.

Vandaag is de Westbank – en zeker de zone C – de facto geannexeerd. En dat in weerwil van de Conventie van Genève en UNO-resoluties. In weerwil ook van fel protest en verzet van de Palestijnen – denk aan de twee Intifada’s. En een beetje ondanks de beleefde reserves en het slappe wenkbrauwgefrons van Europa en Amerika.

Ter hoogte van Jeruzalem, aan de oostkant heeft Israël zich zoveel grond toegeëigend dat de Westbank nu praktisch opgedeeld is in een noordelijke en zuidelijke helft. Alleen met de juiste papieren geraak je als Palestijn nog van de ene helft in de andere.

Als argeloze toerist merk je niet zo gauw hoeveel gebied die kolonisten stilaan hebben ingepalmd. Tot men je op een merkwaardig verschil wijst tussen een Palestijns en een joods dorp. Palestijnse huizen hebben een watertank op hun dak staan. In de door Palestijnen bewoonde snippers van de Westbank, heerst namelijk een schrijnend gebrek aan leidingwater. Het schaarse water, dat in grote mate afkomstig is uit het Jordaanbekken, dient in de allereerste plaats om die talloze joodse nederzettingen en Israël zelf te voorzien. De Palestijnen behelpen zich dan maar door tijdig en voor zo ver het mogelijk is een voorraad water in te slaan, op momenten dat er wat meer toevoer is. Dat water betalen ze ook twee tot drie maal duurder.

Die gebiedsuitbreiding van Jeruzalem gaat gepaard met het brutaal wederrechtelijk verdrijven van de oorspronkelijke Palestijnse bewoners. Pas nog (4 mei ) heeft het Britse conservatieve kwaliteitsweekblad The Economist er een artikel aan besteed: “You have a minute to move or I’ll arrest you » said the officer. Loslopend wild, nietwaar?

In die ontruimde gebieden rijzen terstond nieuwe joodse dorpen en wijken op, met alles erop en eraan, met een infrastructuur aan wegen, scholen, openbaar vervoer, watervoorziening, enzovoort. Daar kan een Palestijn alleen maar van dromen.

Oost-Jeruzalem, oorspronkelijk uitsluitend door Palestijnen bewoond, wordt nu hand over hand omsingeld en verdrongen, steeds dieper de Westbank in, door netjes ogende joodse nederzettingen. Zo wordt het stilaan onmogelijk om nog te eisen dat Oost-Jeruzalem de toekomstige hoofdstad wordt van een Palestijnse staat. Die staat is overigens zelf al bijzonder hypothetisch geworden, gezien precies die voortschrijdende kolonisatie van de hele Westbank.

Bedoeïenen

Behalve die schaamteloze manier om beslag te leggen op de landoppervlakte en de watervoorziening, neemt die joodse kolonisatie soms waarlijk revolterende allures aan. Dat zagen en vernamen we tijdens een bezoek aan een nederzetting van Bedoeïenen in dat gebied ten oosten van Jeruzalem. Ook zij zijn het slachtoffer van deze niets of niemand ontziende uitbreiding van de joodse kolonies en de oostelijke stadsgrens van Jeruzalem.

De omstandigheden waarin de Bedoeïenen daar overleven is ronduit mensonterend. Als je voor de eerste keer zo’n nederzetting aan de kant van de weg ziet, hou je ze voor een stort. Pas als je naderbij komt, besef je dat daar mensen wonen. Wat moet doorgaan voor een woning is opgetrokken uit allerlei afval: afgedankte autobanden, lege olievaten, flarden zeildoek, brokken steen, enzovoort. Traditionele Bedoeïenententen kun nog maar alleen op ansichtkaarten vinden.

De meeste Bedoeïen zijn trouwens geen nomaden meer. Ook zij zijn opgejaagde vluchtelingen. Wel proberen ze nog steeds van hun schapen en geiten te leven. Die zie je in de verte grazen op de kale heuvels. Voor zover dat nog mag. De kolonisten willen hen – de Bedoeïenen én hun kuddes – niet meer in hun buurt. En de Israëlische autoriteiten doen er alles aan – tot het meest infame – om ze weg te krijgen.

In de nederzetting die wij bezochten, hadden de bewoners met de financiële hulp van allerlei organisaties die zich hun lot aantrekken een leuk schooltje opgetrokken. Overigens het enige bouwsel in dat kamp met ramen en deuren en een dak. Het hoofd van deze Bedoeïenengemeenschap deed ons het verhaal van wat de autoriteiten allemaal bedacht hadden om de bouw van dat schooltje tegen te werken. Een eindeloze lijst van geniepige plagerijen en regelrechte pesterijen, botte weigeringen, absurde verbodsbepalingen en dito regelneverij, tergende wachttijden, van bureaucratische pietluttigheden tot het regelrechte ingrijpen van militairen met bulldozers. Zo die man het allemaal ter plaatse stond te verzinnen, moest hij voorwaar over een perverse verbeelding beschikken.

Hebron

Wat we echter te zien kregen in Hebron tart elke beschrijving. Laat ik het toch maar proberen. Die voor Palestijnse maatstaven betrekkelijk grote stad telt bijna 200.000 inwoners. Zoals een aantal andere Palestijnse steden en dorpen, wordt ze bestuurd door de Palestijnse Autoriteit. Behalve een deel van het historisch centrum. Dat ressorteert onder Israëlisch militair bestuur.

Dat komt omdat zowat 600 ultraorthodoxe joodse kolonisten er zich na de oorlog van 1967, toen de Westbank veroverd werd, hebben gevestigd. Volgens de overlevering bevindt zich in het historische Hebron namelijk het graf van ondermeer de patriarch Abraham. Voor de moslims, de joden en de christenen is Abraham immers een belangrijke figuur. En zo komt het dat boven op de grafkelder een eeuwenoud bouwwerk staat dat zowel een moskee als een synagoge bevat.

Dat de aanwezigheid in het Palestijnse Hebron van die 600 joodse kolonisten en dit door twee godsdiensten gedeelde gebouw tot spanningen moest leiden, was te voorspellen. In 1994 heeft één of wellicht een aantal van die kolonisten in de moskee 29 Palestijnen met een machinegeweer gedood en zo’n 200 gewond. Sindsdien is de sfeer in Hebron compleet vergiftigd.

De wijk waar die kolonisten wonen is nu helemaal afgezet met stalen hekken, prikkeldraad en wachttorens, bemand met militairen. Voor de veiligheid zijn een aantal straten niet meer toegankelijk. Ze liggen er troosteloos bij en uiteraard zijn ze onbewoond. De wijk waar de joodse kolonisten gevestigd zijn, ligt hoger dan de rest van de stad. Niet alleen kijken de bewoners er letterlijk op neer, maar ze generen zich niet om hun afval naar beneden te gooien. Vandaag hoopt die zich tot ongeveer kniehoogte op in de verboden straten.

Beneden die joodse wijk, loop ook een belangrijke handelsstraat. Wie even het Palestijnse drama vergeet, zou ze zelfs schilderachtig vinden. Ware het niet dat de eigenaars van de handelszaken een metalen net over hun straat hebben moeten spannen om de troep op te vangen – oude schoenen, lege blikjes en dozen, afgedankte huisraad, enzovoort – die hun joodse bovenburen er dumpen.

De muur

En dan is er de alom aanwezige muur. Meer dan 700 kilometer lang. Vaak zo hoog als een huis met twee verdiepingen. Een eindeloze rij van massieve betonnen panelen met daar bovenop nog eens extra een hek van prikkeldraad. Om de zoveel honderd meter een betonnen uitkijktoren. Zoals op vele plekken loopt hij in Bethlehem langs de rand van de stad. Wie er een huis bewoont, kijkt er vanuit zijn raam tegenop. Sommige dorpen worden er zonder meer door in twee gesneden.

Zoals destijds de Berlijnse muur – “der schande” zei men in Europa – is hij aan één kant, de Palestijnse kant, volgespoten met slogans, graffiti, schunnigheden en zelfs poëtische boodschappen. Het met een sjabloon geschilderde silhouet van een klein meisje dat met een tros ballonnen in de hand over de muur wil vliegen, kom je om de haverklap tegen. Het is een soort icoon geworden van het Palestijnse verzet. Teksten zoals bijvoorbeeld This is Palestine. Leave our territory vind je trouwens niet alleen op de muur. En in de meest fantaisistische spellingen.

Ook de beroemde Britse graffiti-artiest Banksy heeft er zijn werk achtergelaten. Voor de argeloze toerist die zich ook even wil doen gelden, hebben vindingrijke Palestijnen een gespecialiseerd winkeltje geopend. Voor een aantal shekels krijg je een spuitbus en mag je het ook eens proberen. Leuke foto gegarandeerd. Veel van die gelegenheidsactivisten hebben niet door dat hun werk nadien weer wit gespoten wordt, klaar voor de volgende lading toeristen.

Naast posters, ansichtkaarten, brochures enzovoort, verkoopt het winkeltje ook heel toepasselijk bewerkte kerststalletjes: een replica van de muur houdt de herders en de drie koningen afgescheiden van de kribbe met Jezus. Die muur is wel wegneembaar. Kwestie van op kerstavond alvast thuis de vrede op aarde te bewaren.

Zoals je waar je ook gaat, checkpoints tegenkomt, zo zie je vrijwel permanent de muur door het landschap slingeren. Langs de weinige stukken waar hij nog niet voltooid is, loopt een hek. Het effect is echter hetzelfde: je kunt er niet door met een auto. Rond Jericho hebben ze gewoon een diepe gracht gegraven. Zonder water wel te verstaan, want dat is te schaars. Je kunt dus maar langs een paar wegen de stad in en uit. De Lonely Planet-gids die geregeld tongue in cheek laat verstaan hoe het in Israël en Palestina gesteld is, zegt het als volgt: een bus naar Ramallah ‘doet er zowat 90 minuten over via een circuitous route om het checkpoint Qalandia te vermijden.’ Ramallah ligt op amper 30 km van Jericho verwijderd.

Nabeschouwing

In Jeruzalem staat een waarlijk indrukwekkend museum van de Holocaust of van wat in het Hebreeuws Shoah wordt genoemd. Veel Palestijnen zullen er nog niet zijn binnengestapt. Dat is jammer, want er heerst ongetwijfeld en aan beide kanten onnoemelijk veel onbegrip voor de ander. Maar als er ooit een Palestijn Yad Vashem, zo heet het museum, bezoekt, dan bestaat de kans dat hij getroffen zal worden door een uitspraak van Joseph Goebbels, de propagandaminister van Hitler. Toen het naziregime pas met de Jodenvervolging gestart was, zei Goebbels: “Ik zou niet graag een jood zijn in dit Duitsland”.

Voor alle duidelijkheid: wat Israël de Palestijnen aandoet is (net) géén vervolging. En een genocide is het al helemaal niet. Hetzelfde geldt trouwens voor de Apartheid in Zuid-Afrika. Maar toch, wie Palestina bezoekt en zijn ogen niet in zijn zak heeft, kan niet anders dan zich afvragen wat een volk bezielt om een ander volk zoveel miserie aan te doen, terwijl het toch zelf eeuwen lang is vervolgd geworden.

Koen DILLE

1 Onze groep bestond uit een twintigtal UA-studenten die in het kader van een master-na-masteropleiding Internationale Betrekkingen bij Ludo Abicht een cursus over het Midden-Oosten hadden gevolgd, plus nog een handvol andere geïnteresseerden. Ter plaatse werden we afwisselend rondgeleid door twee gidsen, beiden hoog opgeleide maar werkloze Palestijnen.

2De Israëlische historicus Shlomo Sand, betoogt zelfs (Comment le peuple juif fut inventé, Parijs, 2008) dat niet de joden maar de Palestijnen de afstammelingen zijn van de oorspronkelijke bewoners van het Bijbelse Palestina.

3In 1993 hebben de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie van Yasser Arafat en Israël een akkoord gesloten dat in Oslo was voorbereid. Samengevat komt het er op neer dat men elkaar erkent en men eindelijk eens serieus over vrede zou onderhandelen. Dat zou gebeuren op basis van ondermeer twee principes: het ‘tweestatenprincipe’ en ‘land ruilen voor vrede’. Uiteindelijk zijn die onderhandelingen op ongeveer niets uitgedraaid. De Palestijnen genieten sindsdien alleen een uiterst beperkte autonomie in een aantal over de Westbank versnipperde stedelijke gebieden en dorpen én over de Gazastrook waar Hamas de plak zwaait.  

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!