Nieuws, Wereld, Economie, Politiek, Verenigde Naties, Wapenhandel, Arms Trade Treaty - ATT -

Hoera we hebben een wapenhandelsverdrag! Maar maakt het een verschil?

Op 2 april 2013 nam de Algemene Vergadering (AV) van de Verenigde Naties (VN) het Internationale Verdrag tegen de Wapenhandel aan. De 'Control Arms Coalition', de coalitie van groepen die hard voor het verdrag gelobbyd heeft, had het over “het begin van een nieuw tijdperk”; met het verdrag is “geschiedenis geschreven” en kunnen we “eindelijk de export van wapens naar mensenrechtenschenders afstoppen”.

donderdag 16 mei 2013 12:45
Spread the love

Critici van het verdrag worden weggezet als “de kleine minderheid van sceptici die het proces proberen te ondermijnen”. Er gaapt een forse kloof tussen wat het internationale verdrag tegen wapenhandel (Arms Trade Treaty, ATT) werkelijk is en wat de persberichten erover suggereren. Het loont de moeite om te luisteren naar de – overwegend niet-westerse – kritische commentaren om dit te begrijpen. Dat het verdrag in de AV werd aangenomen met “een overweldigende meerderheid” doet niets af aan het feit dat niet alleen drie pariastaten (Iran, Syrië en Noord-Korea) hun bedenkingen hadden. Drieëntwintig landen (die samen de halve wereldbevolking vertegenwoordigen) onthielden zich van de stemming. Daaronder Rusland, China en India. Kritiek kwam er ook van verschillende nationale campagnegroepen tegen wapenhandel, die op basis van veel ervaring weinig heil zien in een internationaal verdrag tegen wapenhandel, en zelfs vrezen dat het verdrag zich tegen het antiwapenhandel-activisme kan keren. De kritiek kan worden samengevat in drie punten. 1. Een internationaal verdrag is niet het juiste instrument om wapenhandel af te stoppen 2. Het verdrag versterkt de positie van westerse wapenexporteurs en legitimeert hun dubieuze beleid. 3 Het verdrag stelt de wapenproductie niet aan de orde, integendeel, het steunt de wapenindustrie. 

Geen grote verwachtingen

Het belangrijkste resultaat van het ATT is dat “elke statelijke partij een nationaal controlesysteem zal instellen en onderhouden om de export [van wapens] te reguleren.” Met dit systeem zullen landen controleren of de wapens bestemd voor export, gebruikt dreigen te worden bij mensenrechtenschendingen, doorverkocht kunnen worden naar de illegale markt, de veiligheid en vrede zouden kunnen ondermijnen of ernstig schadelijk zijn voor de sociaal-economische ontwikkeling van het importerende land. Het interessante is dat zo’n controlesysteem al bestaat in de meeste grote wapen-exporterende landen: de Verenigde Staten, de landen van de Europese Unie, en een groep landen die het EU wapenexportsysteem volgt. Wat kan men leren van deze reeds bestaande controlesystemen? Dat er nog steeds wapens worden geëxporteerd naar Pakistan, Saoedi-Arabië, Libië, Israël, Egypte, Bahrein, Colombia en Sri Lanka, om maar een paar dubieuze bestemmingen op te noemen. Dit kan omdat er niet alleen geen sancties staan op het negeren van de regels, maar vooral omdat de regels van het controlesysteem opzettelijk zo vaag geformuleerd zijn dat er veel ruimte is voor interpretatie. Hoe de regels worden toegepast hangt daardoor geheel af van het buitenlands beleid van het exporterende land. 

Met het ATT moeten landen controleren of er een “doorslaggevend risico” bestaat dat hun wapens zullen eindigen in de verkeerde handen of op de verkeerde plaatsen. Vijftien jaar ervaring met het wapenexportbeleid van de EU heeft ons geleerd dat – vooral als er grote economische of strategische belangen op het spel staan – de uitkomst van dit soort van controles meestal luidt: ‘het risico is niet doorslaggevend’. Goed, het importerende land schendt de mensenrechten wel, maar dit specifieke wapen dat wij willen exporteren zal daar waarschijnlijk niet bij gebruikt worden. Of goed, het land is verwikkeld in een gewapend conflict, maar er is net even een wapenstilstand dus er kan geëxporteerd worden. Of, het land is erg arm, maar het heeft toch echt dringend een duur wapensysteem nodig om te voorzien in zijn ‘legitieme defensiebehoeften’. De controle is uitgevoerd, aan de verplichting is voldaan en de export is gelegitimeerd. Op deze manier zijn wapenexportregimes effectiever in het ‘witwassen’ dan in het inperken van de wapenhandel naar foute bestemmingslanden. Het is onwaarschijnlijk dat het ATT hier verandering in brengt. De Britse Campagne tegen Wapenhandel (CAAT) publiceerde een paar weinig hoopgevende voorbeelden. De wapenindustrie heeft veel interesse in Libië, dat heeft aangekondigd 4,7 miljard dollar te willen uitgeven aan nieuwe wapens. Dit komt neer op 10% van het nationaal budget van het gehavende land. Op hetzelfde moment dat het ATT in New York werd aangenomen, waren diverse Britse ministers in Libië aanwezig om wapens te promoten. De Britten hadden haast omdat ook China en Rusland op contracten azen. Tijdens de onderhandelingen voor het ATT kon de Britse regering  –tevens groot voortrekker van het verdrag- slechts een staatssecretaris afvaardigen. De ministers waren op dat moment op de ‘Farnborough Airshow’, een van de grootste wapenbeurzen ter wereld. 

Hoe effectief is een stuk papier?

Militaire samenwerkingsovereenkomsten door statelijke partijen vallen niet onder het ATT. Het verdrag zal dus geen effect hebben op de enorme militaire samenwerkingen van de Verenigde Staten onder het ‘Foreign Military Sales’ programma. De VS geeft 1,3 miljard VS-dollar aan militaire steun aan Egypte, ondanks de toenemende intolerantie van het Morsi-regime. Er gaat jaarlijks 3,1 miljard dollar aan militaire steun naar Israël. Andere landen die Amerikaanse wapens blijven ontvangen zijn bijvoorbeeld Pakistan en Irak. Maar had iemand dan ooit gedacht dat de VS economisch en strategisch belangrijke wapenleveringen anders zou gaan beoordelen vanwege een VN-verdrag? De Iraanse gedelegeerde bij de verdragsonderhandelingen had een punt toen hij zei dat het ATT de wapenhandel onderwierp aan de “enorm subjectieve beoordeling van de exporterende landen.” Dat China en Rusland (samen met de VS en de EU de grootste wapenexporteurs ter wereld) het verdrag niet steunden, maakt het eenvoudig hen nu af te schilderen als ‘de slechteriken’, en om de verantwoordelijkheid voor mensenrechtenschendingen en oorlog bij hen te leggen. Het werkelijke verschil tussen de VS en de EU enerzijds en Rusland en China anderzijds is niet een andere houding ten aanzien van wapenexport – die is ook bij hen gebaseerd op nationaal eigenbelang – maar het belang van de publieke opinie in het Westen. Westerse landen hebben baat bij een wapenhandelsverdrag, waarmee ze grote sier kunnen maken bij de toenemend kritische publieke opinie ten aanzien van wapenhandel. China en Rusland hebben andere, brutere methoden om met een kritische publieke opinie om te gaan.

Wat zal het ATT meer zijn dan een stuk papier vol goede intenties? Mogelijkerwijs zal het een verschil maken voor de wapenhandel van kleinere landen. Het ATT zal sommige landen helpen om een wapenexportcontrole op te zetten. Dat is een van de redenen waarom veel Afrikaanse landen voor het verdrag hebben gestemd. De hoop is ook dat het verdrag zal helpen in de strijd tegen illegale wapenhandel. Daarbij mag niet vergeten worden dat veel illegaal verhandelde wapens ooit begonnen als legale wapenexport uit een van de grote exporterende landen, iets waar het ATT niets aan zal veranderen. Zou het niet veel effectiever zijn geweest om gewoon een programma op te zetten om Afrikaanse en andere landen te helpen hun grenzen beter te beveiligen tegen wapensmokkelaars? Daar is geen ATT voor nodig.

Wapenhandel cruciaal voor militaire macht

De hele campagne voor een wapenhandelsverdrag gaat uit van het idee dat een internationaal verdrag een doeltreffend instrument is om wapenhandel te reguleren, en dat er daarbuiten geen instrumenten zijn om wapenhandel te beperken. Maar dat klopt niet. Sinds de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) hebben we een instrument om wapenleveringen naar mensenrechtenschenders, arme landen en conflictgebieden ter discussie te stellen. Een nieuw verdrag kan dit alleen maar verder specificeren, maar zolang dat nieuwe verdrag net zo min afdwingbaar is als het mensenrechtenverdrag, is er geen wezenlijk nieuw instrument gecreëerd. Hoewel het ATT juridisch bindend is, betekent dit niet dat we staten kunnen aanklagen als ze toch wapens verkopen aan foute regimes. Zelfs al zouden alle landen van de VN het verdrag ratificeren, dan nog zou het de beslissing van de individuele landen blijven of ze zich aan het verdrag gaan houden of niet. Ze gaan een morele verplichting aan, maar er zijn geen sancties. Wapenexporterende landen zouden nooit hebben ingestemd met een ATT als er sancties aan verbonden waren. Wapenhandel is een belangrijk middel voor het aangaan van militaire banden en het creëren van militaire afhankelijkheid en dominantie. Het is een essentieel onderdeel van de buitenlandse politiek. De wapenexporterende landen zullen de zeggenschap hierover niet afstaan aan een internationaal orgaan of verdrag. Ze willen hun bondgenoten kunnen bewapenen naar believen, ongeacht mensenrechten, armoede en oorlog. 

Geen inperking

Het ATT is geen ontwapeningsverdrag. Het gaat om het reguleren, niet om het inperken van wapenhandel. Als de Control Arms Coalitie stelt dat er te veel wapens ongecontroleerd over de wereld zwerven, kan men daar alleen maar mee instemmen. Het ATT richt zich echter tegen de ongecontroleerdheid, niet tegen de hoeveelheid. In artikel 1 van het ATT staat: “het doel van dit verdrag is het instellen van de hoogst mogelijke internationale standaard voor regulering of verbeteren van regulering van de internationale handel in conventionele wapens; en het voorkomen en uitroeien van de illegale handel in conventionele wapens en hun verspreiding naar de illegale markt, of ongeautoriseerd eindgebruik, inclusief individuen of groepen die terroristische daden willen plegen.” De Indische journaliste Seema Sengupta merkt op dat het verdrag “geen enkele aandacht besteedt aan het beperken van de wapenproductie” en ze wijt dit aan “de machtige lobby van producenten en exporterende landen.” Haar opmerking komt niet uit de lucht vallen. Veel westerse onderhandelingsdelegaties lieten zich vergezellen door ‘adviseurs’ uit de wapenindustrie, die er voor zorgden dat hun belangen in het verdrag veilig gesteld werden. Daarom erkent het ATT “legitieme politieke, veiligheids-, economische en commerciële belangen van staten binnen de internationale handel in conventionele wapens.” Met deze tekst gaat het verdrag een flinke stap verder dan artikel 51 van het Handvest van de VN, dat vaak door voorstanders van wapenhandel wordt aangehaald en waarin het “inherente recht op individuele en collectieve zelfverdediging“ wordt erkend. In het ATT wordt het recht erkend om winst te maken uit oorlogsvoorbereiding. Een Boliviaanse diplomaat omschreef het verdrag als “het product van een doodsindustrie.” Wapenhandel met niet-statelijke partijen valt niet onder het verdrag, omdat Groot-Brittannië bijvoorbeeld graag wapens wil leveren aan het Vrije Syrische Leger dat -althans voorlopig- als een leger van vrijheidsstrijders wordt beschouwd. Wapens voor Hamas worden uiteraard beschouwd als wapens bestemd voor terroristen. Wie beschouwd wordt als een niet-statelijke partij en wie als een terrorist, daarvoor worden in het ATT geen objectieve standaarden gegeven. Dat mogen exporterende landen zelf beoordelen.

‘Gelijk speelveld’ voor de wapenindustrie

Het verdrag stelt wereldwijde regels vast en creëert een gelijk speelveld voor de internationale wapenindustrie. Dit tot tevredenheid van de westerse wapenindustrie, die vreest voor toenemende concurrentie van Rusland en China. Het ATT maakt internationale wapenhandel makkelijker. “De uitbreiding van het aantal landen dat onder gezamenlijke controlenormen valt, levert meer voorspelbaarheid en vertrouwen op voor bedrijven die opereren op een wereldwijde markt met wereldwijde toeleveringsketens”, zei de secretaris-generaal van de Europese wapenlobby-organisatie ADS in een lofzang op het ATT. En het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken stelde over het ATT dat “internationale industriële samenwerking in wapenproductie gestimuleerd zal worden door de introductie van gezamenlijke normen.” Hoewel het wapenhandelsverdrag begint met het aanhalen van artikel 26 van het Handvest van de Verenigde Naties, waarin staat dat de VN “streeft naar het bevorderen en handhaven van internationale vrede en veiligheid met de minst mogelijke aanwending voor bewapening van menselijke en economische bronnen”, wordt niet geconcludeerd dat de wereld op dit moment onevenredig veel geld uitgeeft aan wapens wat het gevolg is van agressieve marketing, ongecontroleerde lobby en corruptie. Evenmin een woord in het ATT over de promotie van wapenhandel, over het corrumperende effect van wapenhandel of over het uitsluiten van vrouwen bij beslissingen over militaire aankopen. Geweld tegen vrouwen wordt wel vernoemd, vrouwen als slachtoffers worden erkend. Het ATT gaat dus niet in op de kern van het probleem wapenhandel. 

Wapenhandel is politiek

Met dit ATT is de strijd tegen wapenhandel niet gewonnen. Men kan zich afvragen of alle energie en middelen die naar de ATT-campagne zijn gegaan niet effectiever besteed hadden kunnen worden aan een meer concrete campagne. Het ATT zit vol gaten en westerse vooroordelen, en voegt niet echt iets nieuws toe. We hebben al de Verklaring voor de Rechten van de Mens als standaard voor goed gedrag voor regeringen. Het echte probleem is: hoe krijg je regeringen zo ver dat ze zich aan die standaard houden? Mensen in het Westen bevinden zich in een bevoorrechte positie want ze kunnen hun regeringen verantwoordelijk houden. Ze kunnen proberen om een beleid gebaseerd op nationaal eigenbelang om te buigen naar een beleid gebaseerd op mensenrechten. Dat betekent politieke actie en het maken van keuzes. We moeten kiezen tussen de belangen van de wapenindustrie en een duurzame economische ontwikkeling; tussen de militair-strategische belangen van ons eigen land en het recht op vrede voor andere landen; tussen oliebelangen en democratie; tussen egoïsme en bescherming van kwetsbaren. De campagne voor het ATT ging niet over kiezen maar over het zoeken naar een consensus. Belangentegenstellingen worden ontkend. Maar als je de wapenhandel echt aan banden wil leggen, kan je niet doen alsof de hele wereld één grote blije familie is die precies hetzelfde wil. We willen vast allemaal ‘vrede’, maar er zijn nogal verschillende visies over hoe dat bereikt moet worden. De wapenindustrie heeft een bepaalde vredesvisie. De krijgsmacht heeft een bepaalde vredesvisie. Maar die verschilt waarschijnlijk aanzienlijk van wat een jonge familie in een oorlogsgebied over vrede denkt. We moeten kiezen tussen de wapenindustrie en de mensen die bedreigd worden door oorlog en mensenrechtenschendingen. Het ATT doet dat niet. 

Geschreven door

Wendela De Vries is coördinator bij de Nederlandse organisatie Campagne Tegen Wapenhandel 

Bovenstaande bijdrage komt uit het nieuwste nummer van het tijdschrift  van Vrede vzw ‘VREDE – Tijdschrift voor internationale politiek’ (mei – juni 2013)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!