Gerhard Richter met knipoog naar Duchamp

Gerhard Richter met knipoog naar Duchamp

‘Onthechte’ kunstenaars vs. NV-Ambras

woensdag 6 februari 2013 13:43

Nadat Bart De Wever met zijn kerstessay de culturo viseerde, en prof. Lieven De Cauter daarop reageerde met de analyse dat N-VA de kunsten wil instrumentaliseren (alsook de levende kunstenaar wil neutraliseren), is de cultuurstrijd niet meer gestopt.

Hiphop en rap werden geviseerd, het stadsdichterschap lag (en ligt?) onder vuur, de Voice van Vlaanderen zou aldus S. Bracke subsidies moeten krijgen ook al vraagt VTM die helemaal niet, in Herzele ging men aanvankelijk voor een ‘tabula rasa’ van o.a. de cultuursubsidies, de nieuwe schepen van Cultuur in Turnhout blaft dat het bijzonder verdienstelijke en net vernieuwe kunstencentrum De Warande meer naar buiten zal moeten komen: “In plaats van in zijn kasteel te blijven cocoonen en te focussen op optredens vanuit heel Europa.”. Als rolmodel dacht hij daarbij aan de plaatselijke folkloristische Tijlstoet, enzovoort.

Hieruit leren we dat de nieuwrechtse cultuurstrijd zich niet alleen richt op een instrumentalisering en neutralisering van de kunst en kunstenaar. Evenmin heeft nieuwrechts daar een monopolie op. Ook de centrumpartijen houden er immers visies en beleidsdaden op na die dit in de hand werken. Wat de cultuurstrijd van nieuwrechts wel uniek maakt, is dat men zich wenst te profileren ten opzichte van de cultuursector: er is de doelbewuste provocatie met het oog op het politiseren van het eigen ideologisch agenda, met name de Vlaamse cultuurmissie en integratiepolitiek.

Instrumentalisering, neutralisering én polarisering

Deze behoefte tot polarisering richt zich niet zozeer op de kunst, die op een of andere manier geïnstrumentaliseerd kan worden (creatieve industrie, citymarketing, vermarkting, etc.), maar vooral op de levensvisies van kunstenaars, de cultuurdragers, hun instituten en publiek, die men gemakshalve in één zak steekt: ‘de culturo’s’.

De ‘culturo’ is hier ook een gemakkelijk slachtoffer. Zo wees de ombudsman van De Standaard, Tom Naegels (dS, Poëtisch Verzet, 2 februari 2013) er bijvoorbeeld terecht op dat men met deze nieuwe term, die intussen ingang gevonden heeft en als brede verzamelnaam ook kan verwijzen naar mensen die van kunst houden maar ze zelf niet produceren, het risico loopt dat men, zoals ‘de moslims’ of ‘de joden’ als een groep te boek staat die lichtgeraakt is, en die dus ook snel te provoceren is. Als een groep die bovendien veel toegang tot de media heeft. Een politicus (of journalist) die zichzelf graag in de kijker wil zetten, hoeft vandaag maar een visje uit te gooien.

Daarmee loopt de culturo het risico door pers en politiek te worden opgevoerd om een karikatuur van zichzelf te spelen. Aangezien ‘de culturo’ geen organisatie of partij is, kan inderdaad zowat om het even wie er de spreekbuis van worden. Zodra iemand zijn koelbloedigheid verliest, zit het spel op de wagen en kan men zeggen: ‘de culturo’s zijn weer boos’.

Deze zwakte is deels toe te schrijven aan het feit dat ook en vooral cultuurminnende politici zouden moeten repliceren op politieke provocaties en aan het feit dat de institutionele structuren zoals de steunpunten en fondsen zichzelf enkel een veilige, ambtelijke, neutrale rol aanmeten. Dat wijst andermaal op het grote tekort van de sector: er is geen collectief platform waardoor men als middenveld zijn stem kan laten gelden. Dit terzijde.

Een ‘ideologische’ polemiek

Na zijn kerstessay, voegde De Wever dit weekend nog een opmerkelijke coda toe, in zijn ideologie-interview, opnieuw in De Standaard. Vrijwel onmiddelijk na publicatie brak er een storm van verontwaardiging los omdat De Wever, die in dat interview (dS, 2 feb 2013) uitlegde wat hij conform het Antwerpse beleid onder een ‘neutrale’ loketbediende verstaat. Hij gaf daarbij de intussen algemeen bekende ‘originele’ interpretatie: vanaf nu moeten we ook regenbogen melden aan de kliklijn. Wat er tijdens deze overigens allesbehalve onterechte T-shirt-gate evenwel uit beeld verdween, was echter dat De Wever heel stellig en uitermate scherp reageerde op de vraag: “uw polemiek met de culturele wereld, is die ook ideologisch?”

Zijn antwoord: “(blaast) Tja, misschien wel. Ik vind gemeenschapsvorming waardevol, ik vind dat er een verschil is tussen goed en slecht gedrag. En nogal wat cultuurdragers vinden dat paternalistisch, want zij zijn onthecht en kosmopolitisch. Maar ik vraag mij af waaraan zij dan wél gehecht zijn, tenzij aan andere rijke mensen die ook een buitenverblijf in Toscane of Zuid-Afrika hebben.”

Twee zaken vallen hier op: (1) De Wever linkt de culturo hier zowel aan centrumrechts en centrumlinks. Want met zijn verwijzing naar ‘Toscane’ verwijst hij naar Guy Verhofstadt; De Wever gebruikte diens villa in Toscane al meermaals als een metafoor om ‘de onthechting’ van de kosmopolitische liberalen ten aanzien van de modale Vlaming met zijn caravan aan te klagen.

‘Zuid-Afrika’ verwijst dan weer naar Tom Lanoye, die daar frequent en langdurig verblijft, en bij uitbreiding naar de sociaaldemocratische familie rondom de voormalige Antwerpse burgemeester Patrick Janssens. De Wever opteert hier dus eigenlijk voor een polarisering tussen ‘progressief’ en ‘conservatief’, een ideologische breuklijn die hij in het begin van datzelfde interview ook bespreekt. (Ter zijde: de breuklijn arbeid/kapitaal is vanzelfsprekend ook hier weer de grote blinde vlek, over het neoliberalisme valt geen woord.)

(2) De Wever benadrukt dat hij in een polemiek met de sector zit niet alleen omdat cultuurdragers zijn opvattingen naar eigen zeggen paternalistisch vinden, maar ook omdat zij ‘onthecht’ zouden zijn.

De Wever benadrukt in dit interview daarna nogmaals zijn ideologische onvrede met ‘de kunstenaars’. Hij wil de kunstensector naar eigen zeggen helemaal niet droogleggen, het enige dat hij met zijn kerstessay wou zeggen was: “dat kunstenaars vandaag lakeien van de gevestigde orde zijn. En dat er een breuk is tussen een deel van de culturele sector en het brede publiek. En dat die kloof zou moeten worden gedicht. Ik vind dat kunstenaars weleens wat kritische mogen zijn, want ze praten mekaar allemaal na.

Vlaamse kunst vroeger

De Wever zoekt andermaal duidelijk de verdeeldheid op en wil de kunstensector intern onder druk zeggen om kant te kiezen. Hij onderstreept ook dat er een breuk is tussen ‘een deel’ van de culturele sector en een breed publiek en dat hij het van belang vindt dat ‘die kloof’ wordt gedicht. Men zou vermoeden dat hij hier op het participatiedebat doelt. Desondanks is dat debat voor De Wever een vrijgeleide om een dieperliggende onvrede uit te spelen. De onderliggende frustratie is natuurlijk te vinden in het feit dat kunstenaars, in tegenstelling tot een ver verleden, helemaal geen pleitbezorgers van het separatisme en zijn volksnationalisme meer zijn: de fata morgana van de Vlaamse identiteit die wij nu nog niet zouden hebben.

Dat is een cruciale frustratie bij de Vlaamse Beweging: ooit waren de meeste Vlaamse schrijvers flaminganten. Paul Van Ostijen (1898-1928), die overigens na de Eerste Wereldoorlog naar Berlijn vluchtte, is daar wellicht het meest bekende voorbeeld van. Maar denk ook aan beeldende kunstenaars als Oscar Jespers (1887-1970) en Victor Servranckx (1897-1965).

Na de activistische collaboratie in de Eerste Wereldoorlog hield de verbondenheid van Vlaamse kunst en Vlaamse Beweging nog vrij goed stand. Maar na de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef de Vlaamse Beweging een dermate aangebrand hoofdstuk dat de breuk tussen kunst en Vlaamse politiek compleet was. Dat de Vlaamse Beweging toen al een uitgesproken voorkeur koesterde voor traditionalistische, vaak antimoderne kunstopvattingen versterkte dit natuurlijk alleen maar.

Beeldenstorm anno 2014

De Wever beseft dus maar al te goed dat de cultuursector niet aan zijn kant staat. De provocaties aan het adres van de sector dient men dus te begrijpen als een strijd tegen ‘links’ of zelfs ‘progressief’ in het algemeen. De Wever heeft goed onthouden waartoe de cultuursector in staat was, onder het initiatief van zanger Tom Barman. Hij organizeerde het gratis populair muziekfestival ‘0110’ tegen de onverdraagzaamheid, dat in verschillende steden en met materiële steun van bijvoorbeeld de VRT, Studio Brussel en De Morgen, vlak voor de lokale verkiezingen van 1 oktober 2006, zich expliciet afzette tegen Vlaams Belang. En bijgevolg onvermijdelijk campagne voerde voor de zittende burgemeester Patrick Janssens.

De nieuwrechtse cultuurstrijd wil eenzelfde scenario vermijden: de culturo mag in de aanloop van 2014 zeker geen links of progressief ‘front’ vormen. De provocaties ten aanzien van de culturo zijn daarom welgemikte manoeuvres om verdeeldheid te zaaien tussen de culturo’s onderling, om immuniteit op te bouwen ten aanzien van eventuele acties of stellingnamen van de culturo, en om het gezag en dus de kritische impact van de culturo op het brede publiek te ondermijnen. Het is als het ware een hedendaagse beeldenstorm. De ‘culturo’ mag helaas nog een en ander verwachten van de querulanten van NV-Ambras.

En het woord ‘onthecht’ is weer gevallen. Dat is in semantisch opzicht weliswaar nog iets anders dan ‘ontaard’ of ‘ontspoord’ en De Wever zegt dan wel dat hij Lanoye en Tuymans knappe kunstenaars vindt, toch is het duidelijk dat N-VA in toto de mening is toegedaan dat ‘de hedendaagse kunst’ meer de waarden van onze cultuur, onze lotsgemeenschap zou moeten bekrachtigen.

De schrijver Marc Reugebrink wees er overigens op (dS, Een linkse, elitaire culturo reageert, 5 feb 2013) dat ‘culturo’ een griezelig etiket is omdat het niet alleen de bestaande diversiteit negeert maar die bovendien ook dreigt te elimineren. Eens je dat etiket opgeplakt krijgt, zit je al snel in een geviseerde platitude gevangen waar je weinig verweer tegen hebt.

De culturo als de hedendaagse cultuurbolsjewiek?

Daarmee is de parallel tussen de hedendaagse ‘culturo’ en de fel bestreden ‘cultuurbolsjewiek’ uit de eerste helft van vorige eeuw snel gemaakt (om het niet over het maccarthysme te hebben): de logica is alvast vergelijkbaar aangezien het ook om een diverse groep gaat die als een eenheid geviseerd werd vanwege hun diverse progressieve levensvisies en hun vermogen om die in gezaghebbende cultuurvormen tot uiting te brengen: ze benadrukken de veelkantigheid van het leven, het belang van pacifisme, en koesteren het thema ‘identiteit’ vooral als een open vraag.

Dat maakt hen in een politiek-nationalistische strijd, die ‘neutraliteit’ (de eendimensionaliteit van de status-quo) verkiest boven superdiversiteit, tot een moeilijk vatbare en daarom erg gevreesde tegenstander. Merk op dat De Wever niet alleen problemen heeft met deze of gene kunstenaar, maar met ‘hedendaagse kunst’ in het algmeen (cf. zoals de anti-Duitse ‘volksvreemde’ kunst; futurisme, kubisme, primitivisme, expressionisme, etc.) en bovendien ook met hiphop muziek omdat die zou aanzetten tot criminaliteit (cf. Jazz als ‘negermuziek’).

Siegfried Bracke laat overigens geen gelegenheid onbenut om in politieke opinies musicals te prijzen als het goede voorbeeld (cf. de strijd tegen ‘volksvreemde’ kunst werd ook gevoerd door een overbenadrukken van de waarden van eigen volkscultuur, het atletische schoonheidsideaal alsook van spektakelopera’s van Wagner, etc.) waarbij hij alles behalve subtiel laat uitschijnen dat hij bijvoorbeeld hedendaags theater minder kan smaken (cf. het theater van Bertolt Brecht werd door de nazi’s verboden).

De nieuwrechtse beeldenstorm is dus weldegelijk tweeërlei: gericht tegen de culturo en waar die in maatschappelijk opzicht voor staat, maar ook tegen het soort kunst die men maakt.

Ebbenhouten spoor 2013

Om misverstanden te vermijden: uiteraard wil ik hiermee niet zeggen dat bijvoorbeeld Bracke een ondemocratische racist, nazi of wat dan ook is. Maar elke vergelijking met begin vorige eeuw al onmiddellijk als een reductio ad Hitlerum afdoen, getuigd evengoed van een irrationeel dogmatisme. In tegenstelling tot vele andere politici, zijn het nu eenmaal vooral de nieuwrechtse politici die zich nadrukkelijk uitspreken wat hun culturele en artistieke voorkeur betreft. Dat blijft dan niet bij een persoonlijke voorkeur, men heeft het weldegelijk over wat goed zou zijn voor onze Guldensporen-gemeenschap.

In historisch opzicht is het dan echt niet overbodig om eens de opmerking te maken dat op die manier de basis gelegd wordt voor iets wat vorige eeuw uiteindelijk uitdraaide op zoiets als de Reichskulturkammer, onder leiding van Rijkspropagandaminister Joseph Goebbels, die actief een heroriëntatie van de kunsten alsook een uitzuivering van de culturele en academische instituten nastreefde. 

Merk hierbij op dat, toen het doctoraat van Ico Maly ter sprake kwam in een Knack-interview (23 januari 2013), Bracke de niet mis te verstane, intimiderende opmerking maakte dat dit doctoraat zou illustreren dat ‘onze universiteiten vandaag nog een groter probleem zijn dan de media’. Naar eigen zeggen had Bracke dit ‘onnozel’ doctoraat gelezen. Nochtans is het hem toch wel ontgaan dat Maly niet promoveerde aan een Vlaamse maar een Nederlandse universiteit, de Universiteit van Tilburg.

Is de analogie met de Rijkscultuurkamer overdreven? Op het moment dat de T-shirt-gate in alle kranten, op alle zenders en overal op de sociale media raasde, verscheen er op de site van N-VA een nieuw bericht onder de rubriek ‘Blikvanger’: N-VA reikt zijn prijs het ‘Ebbenhouten Spoor 2013’ uit aan Zwitser Aviel Cahn, tevens directeur van de Vlaamse Opera. Dat is dan zeker niet als een onderhuidse provocatie bedoeld?

De voorkeur voor deze verdienstelijke culturo daar gelaten, spreekt vooral de motivatie boekdelen: N-VA wil cultuur onmiskenbaar gebruiken als hefboom voor hun ideologische missie, het conservatieve civiele nationalisme: “De N-VA reikt deze onderscheiding uit aan een verdienstelijke nieuwe Vlaming die een bijdrage heeft geleverd aan Vlaanderen, het heeft verrijkt en een voorbeeld is voor alle Vlamingen. “Aviel Cahn bewijst dat integratie geen fabeltje is”, prees N-VA-voorzitter Bart De Wever de 38-jarige Zwitser. “Hij is een ambassadeur van het feit dat inburgering een positief verhaal kan en moet zijn.” Cahn wordt niet alleen gehuldigd om zijn snelle integratie, maar ook voor de nieuwe wind die hij door de opera laat waaien. Senator Louis Ide: “Aviel slaagt erin oude instrumenten binnen te sluizen in een opera en tegelijkertijd diezelfde opera op Facebook te zetten. Hij vernieuwt zonder te choqueren, met respect voor waarden.

Cahn krijgt deze N-VA prijs dus in de eerste plaats vanwege zijn ‘inburgering’ en vervolgens ook een beetje omdat hij klassieke kunst maakt ‘zonder te choqueren’.  Dat vind ik best choquerend.

(Deze beschouwing kadert in de voorbereiding van het boek ‘Buy Buy Art. Over de vermarkting van kunst en cultuur’ (Epo))

http://www.epo.be/uitgeverij/boekinfo_boek.php?isbn=9789491297472

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!