Don’t Cha: kanttekeningen bij een column van De Wever
Muziek, Hip hop, Onderzoek, De Wever, Criminaliteit, Jeugdcriminaliteit, Dalrymple, Cultuurpessimisme, Confirmation bias -

Don’t Cha: kanttekeningen bij een column van De Wever

dinsdag 15 januari 2013 18:04

Bart De Wever uit zich in zijn opiniestuk in De Standaard van 15 januari (Ho’s en blingbling[1]) als een groot kenner van rap, hip hop, ho’s, blingbling en the thuglife (sic).

Nu was ik er al langer van overtuigd dat de man vele muzikale specialiteiten had. Als ik het me goed herinner wist hij in een tv-quiz ooit van alles te vertellen over het familieleven van charmezangers en toonde hij na zijn laatste verkiezingsoverwinning voor heel Vlaanderen aan dat hij ook verstand heeft van de edele kunst van het ploaten draaien.

Ik zal dan ook ernstig overwegen om De Wever uit te nodigen om in mijn team (The Flemish Lions Of Zion) deel te nemen aan de eerstvolgende reggaequiz die te lande georganiseerd wordt: ik ben ervan overtuigd dat hij ook over Jamaicaanse muziek het een en ander te melden heeft.

Omdat ik me graag verdiep in de opinies van onze beleidsmakers, heb ik het (korte) onderzoek waarover De Wever het heeft, dat een correlatie ziet tussen de muziekvoorkeuren van jongeren en hun eventuele delinquentie als adolescent, er even op nagelezen. De tekst valt vrij op internet te raadplegen.[2]

Al snel wordt duidelijk dat De Wevers interpretatie van het onderzoek niet vrij is van confirmation bias. De onderzoekers geven geen blijk van enig cultuurpessimisme en waarschuwen in hun inleiding zelf voor simplifiërende vooroordelen: “public claims that engaging with “deviant” media will inevitably lead to problem behavior are wildly exaggerated[3]”.

De vrij beperkte steekproefgrootte (309 jongeren werden onderzocht) duidt op een beperkte representativiteit van de resultaten: niet toevallig zien de onderzoekers deze studie zelf als een “inleidend werk”. Bovendien blijkt uit het onderzoek dat niet minder dan acht van de elf onderzochte genres (enkel jazz, klassiek en “de top-40” ontsnappen) samenhangen met kleine criminaliteit bij 16-jarigen:

Speci?cally, adolescents with a strong early preference for music types that have been labeled as deviant (hip-hop, heavy metal, gothic, punk, and techno/hardhouse) were more engaged in minor delinquency in late adolescence. Moreover, preferences for music types that have been labeled as mainstream (R&B, rock, and trance), also predicted deviant behavior.[4]

Het feit dat De Wever slechts drie van die acht genres vermeldt en enkel op hip hop dieper ingaat, is dan ook merkwaardig. Uit de cijfers van de onderzoekers, voor wat ze waard zijn, blijkt immers dat het beluisteren van metal, trance en/of “techno/hardhouse”, of, zoals de onderzoekers stellen, andere vormen van “luide, niet-mainstream muziek” betere indicatoren van kleine criminaliteit tijdens de adolescentie zijn dan het beluisteren van hip hop: de cijfers zijn significanter en de onderlinge correlatie valt makkelijker hard te maken.

Ook de erg voorzichtige conclusies van de onderzoekers lijken voornamelijk te bevestigen dat deze publicatie in geen geval kan dienen om generaliserende uitspraken als “dat rapliefhebbers zich meer bezondigen aan criminaliteit, ligt aan het feit dat zij geneigd zijn om hun culturele voorbeelden voor werkelijkheid te nemen” te onderbouwen:

Future investigations should also discriminate between different youths. First, research should consider those who express their liking of deviant media as part of a longer chain of problem behaviors that persist throughout individuals’ lifetimes. These include, for example, exhibiting oppositional or de?ant behavior in childhood, listening to “problem” music in early adolescence, or engaging in minor delinquency in middle and late adolescence that extends into persistent adult problem behavior. Second, research needs to consider other young people for whom listening to music, which is often annoying to grown-ups, is energizing, comforting or simply fun, and functions similarly as adolescent-limited problem behavior; that is, as a test of personal and social limits.[5]

Tom ter Bogt, een van de onderzoekers, lijkt zelf een erg pragmatische visie op de muziekkeuze van jongeren te hebben en het “culturaliserende effect” van blingbling en ho’s niet te overschatten, net zomin overigens als het socialiserende risico van teksten over de dood, Edgar Allan Poe of monsters. Andere factoren spelen een veel grotere rol. Op de site van de Universiteit van Utrecht lezen we immers, in een stuk over ter Bogts anderhalf jaar oude zoontje:

Heavy metal-fans zijn minder doorsnee, maar er is een duidelijk verschil tussen fans en fanaten. Mocht zijn zoontje metal-fan worden, dan is er volgens Ter Bogt nog niets aan de hand zolang hij óók naar rap luistert.[6]

Tot slot nog een paar korte kanttekeningen bij De Wevers opiniestuk. Stellen dat in de jaren negentig rap “een vernieuwende en aangename mengeling van humor en sociale kritiek” kon zijn en nu “blingbling en ho’s” de dienst uitmaken is niet gewoon simplistisch, maar ronduit fout. 

De zogenaamde golden age of hip hop (met naast stilistische nieuwigheden en humoristische invalshoeken ook militante teksten vol “black nationalism” en anti-armoedestatements) waar De Wever wellicht naar wil verwijzen, valt weliswaar te situeren tussen 1987 en 1993, maar “Gangsta Gangsta” van N.W.A. (“Do I look like a muthafuckin’ role model?”) kwam óók al uit in 1988. In 1992 waren nummers als “Bitches Ain’t Shit” van Dr. Dre geen uitzonderingen meer. 

Begrippen als thug life (een creatie van Tupac Shakur, die tot nader order stierf in 1996) in het heden situeren doet De Wevers geloofwaardigheid al evenmin goed. Bovendien wordt ook vandaag natuurlijk wel nog humoristische, kritische hip hop uitgebracht, die soms zelfs – o tempora, o mores! – de hitlijsten haalt.

Maar goed, detailkritiek! Misschien kunnen we, in weerwil van soms onvolledige onderzoeksgegevens en selectieve interpretaties, toch maar beter preventief te werk gaan. We zouden onze jeugd bijvoorbeeld op de site van Studio Brussel, en meer bepaald op de Wonderwall van Bart De Wever (http://www.stubru.be/media/wonderwallbartdewever), inspiratie kunnen laten opdoen. Daar valt immers ongetwijfeld stichtende muziek te vinden die hen voor een criminele carrière kan behoeden. 

Deep Purple en The Black Box Revelation zijn bijvoorbeeld erg veilig: wel hard, maar niet té hard. Rock is weliswaar een risicogenre, maar valt zeker te verkiezen boven gothic, trance en hip hop.

Het niet selecteren van klassieke muziek en jazz, twee goede genres in de strijd tegen de kleine criminaliteit, is jammer, maar er zijn genoeg risicoloze top 40-nummers (van Nena, van Polarkreis 18) die die pijn verzachten. Gorki werd in Nederland niet onder de loep genomen, maar mensen chanteren (“eten kan als je de afwas doet”) valt mijns inziens niet onder de onderzochte kleine criminaliteit. Dit nummer wordt uit voorzorg bij gevoelige jongeren toch maar het best overgeslagen.

Niet zo “Don’t Cha” van de Pussycat Dolls (clip: http://www.youtube.com/watch?v=YNSxNsr4wmA ; betere versie van de tekst: http://www.youtube.com/watch?v=2rT0lKSqoGM). Het verdient aanbeveling om te letten op de afwezigheid van schaarsgeklede vrouwen en blingbling in de clip en op de positieve boodschap (“And in the back of your mind / I know you should be fucking me”) in de tekst. 

Dit poppy nummer, een vernieuwende mengeling van humor en sociale kritiek, heeft ook een mooie intro, verzorgd door de militante en geëngageerde Busta Rhymes (ook bekend van andere sociaal-kritische nummers als “Pass the Courvoisier” en “Gimme Some More”). Het toont erg duidelijk aan waarom niet alle moderne dansmuziek jongeren in de criminaliteit doet belanden.

Een man als Bart De Wever is vooralsnog nodig om voor ongeruste ouders het kaf van het koren te scheiden. Ik hoop dan ook dat De Wever het niet bij die ene Wonderwall houdt, maar binnenkort een groot aantal compilatie-cd’s zal gaan uitbrengen. De Vlaamse jeugd verdient immers onderlegde rolmodellen.

Voetnoten

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!