Foto Zoriah

 

Nieuws, Wereld, Haïti, Samenleving, Huisvesting, NGO's, Haïti aardbeving, Internationale Federatie van Mensenrechtenorganisaties (FIDH), Préval -

Haïti, 3 jaar later

Op 12 januari 2010 werden op 35 seconden 1,5 miljoen mensen dakloos in Haïti en lieten naar schatting 200.000 mensen het leven. De schrikwekkende cijfers over het aantal slachtoffers en de beelden van verwoesting die via de televisie mondiaal de aandacht trokken in de huiskamers, weekten een zelden geziene solidariteit los. Naast private inzamelingen door particulieren en NGO's, werd in New York op 31 maart 2010 door de VN lidstaten zo'n 10 miljard beloofd

zaterdag 12 januari 2013 18:32

Internationale hulp koos vooral voor tijdelijke oplossingen

Het aantal artikels, rapporten en documentaires over “waar het geld naartoe ging” zijn intussen nauwelijks bij te houden. Natuurlijk verwachtte niemand dat de internationale hulp, hoe massaal ook, mirakels zou kunnen realiseren. Er was gewoon téveel menselijk leed, er waren téveel traumas, téveel materiële schade. Maar er waren ook teveel hulporganisaties die mekaar voor de voeten liepen, daarbij niet zelden over de hoofden van de Haïtianen. Het ontbrak niet enkel aan coördinatie tussen de verschillende donoren, maar vooral aan communicatie van die donoren met de Haïtianen.

Het is wraakroepend dat drie jaar na de aardbeving nog steeds 350.000 mensen in 495 tentenkampen leven, dat één vijfde van hen bedreigd wordt met gedwongen ontruimingen, en dat de levensomstandigheden er in de meeste gevallen erger op worden. Een steekproef van meer dan 100 kampen in 2011 wees uit dat in een kwart van de kampen geen toiletten aanwezig waren en dat meer dan een derde niet over water beschikte[2]. Nu buitenlandse NGO’s hun koffers pakken, wordt de minimale dienstverlening in de kampen vaak herleid tot nul.

De tenten en geïmproviseerde woningen in die kampen bestaan veelal uit enkele houten palen, plastic zeilen, hier en daar een triplexplaat en met wat geluk zelfs wat golfplaten. In het beste geval blijft de regen buiten en schijnt de zon niet direct op de tentzeilen, maar deze onderkomens bieden in geen geval bescherming. Noch tegen tropische stormen, noch tegen dieven, noch tegen verkrachtingen, noch tegen soms agressieve landeigenaren die de tentenkampen meer dan beu zijn.

Ook de families die het ‘geluk’ hadden een van de 110.000 tijdelijke shelters te bemachtigen, ondervinden nu al hoe tijdelijk die onderkomens wel zijn. De huisjes, in de meeste gevallen 18m², worden in het Kreools kaloj genoemd, duivenkoten. De tropische regens en felle zon maken dat de muren, op houten palen getimmerde spaanderplaten, zich krom trekken en los komen. Toen ik gisteren nog een van m’n buren opzocht die bij deze ‘gelukkigen’ hoort, zag ik dat ze zich van dat probleem hadden beholpen door onderaan wat stenen op te metsen en door extra planken om de verteerde uiteinden van de spaanderplaat te nagelen. Hun ‘duivenkot’ staat er samen met een tiental anderen nog geen twee jaar.

Het huisvestingsprobleem is dus niet enkel nog erg actueel voor de 350.000 daklozen. Met de snelle aftakeling van de 110.000 ‘T(emporary)-shelters’, die een slordige 500 miljoen dollar reconstructiegeld kostten, en het gebrek aan constructie van permanente huizen dreigt het huisvestingsprobleem terug erger te worden. Volgens een recent rapport van de Internationale Federatie voor de Mensenrechten zouden naast de duizenden T-shelters nog maar zo’n 6.500 beschadigde huizen gerepareerd zijn en 4.500 nieuwe – permanente – huizen gebouwd[3].

Maar ook de overheid schiet (te kort)

Natuurlijk gaat het niet op de beschuldigende vinger enkel in de richting van buitenlandse donoren te wijzen. De Haïtiaanse overheid schiet ook ernstig tekort. Een argument van de donoren dat ik meermaals hoorde, is dat ze geen permanente huizen kunnen bouwen omwille van de problematische landeigendom. Omdat ze niet kunnen verzekeren dat een huis ook werkelijk eigendom zal zijn van diegene waarvoor het gebouwd wordt, worden er geen permanente huizen gebouwd. Al mag dat in vele gevallen een excuus heten om door te gaan met de veel eenvoudigere bedeling van T-shelters, er zit zeker een grond van waarheid in het argument.

Het is niet de bedoeling de complexiteit van de Haïtiaanse landeigendom hier uit de doeken te doen. Maar het klopt dat de overheid niet de moeite heeft gedaan om in Port-au-Prince en andere getroffen steden, als Léogane en Jacmel, grond toe te wijzen voor de bouw van permanente woningen. Dit kunnen individuele huisjes zijn, gebouwd door NGO’s, of sociale huisvesting in appartementen die wellicht een betere oplossing bieden in het overbevolkte Port-au-Prince, waar huizen zelden twee verdiepingen hebben.

Daarnaast is de overheid ook afwezig in de bescherming van de 350.000 daklozen, laat staan in dienstverlening. Eén vijfde van de kampbewoners wordt bedreigd door gedwongen ontruiming. Hoewel de kans op die – vaak gewelddadige – gedwongen ontruiming groter is op private grond dan overheidsgrond, zijn ook sommige publieke plaatsen met de harde hand ontruimd. Dat de daklozen niet eeuwig op de pleinen van de stad kunnen blijven wonen, beseffen ze zelf ook wel. Maar ze hebben vaak geen enkel alternatief.

Op 10 januari 2013 werd een groep bewoners van het kamp ‘Grace Village’ nog bedreigd door de eigenaar die enkele kompanen had ingehuurd om stenen op het kamp te gooien. De eigenaar, ‘pasteur’ Jean Joël Jeune, had in het verleden dezelfde tactiek toegepast om mensen uit stukken van het kamp weg te jagen om het vervolgens af te bakenen en plat te gooien. Daarbij had hij toen hulp gekregen van de Haïtiaanse politie. Gelukkig zag de politie nu in dat het de eigenaar was die het probleem veroorzaakte en niet de kampbewoners, die voorheen werden afgeschilderd als dieven en bendeleden.

Al liep dit incident voorlopig af in het voordeel van de kampbewoners, hun gemoedsrust lijkt verre van verzekerd. Dergelijke bedreigingen zijn jammer genoeg geen uitzondering. Op 10 december, nota bene internationale dag van de mensenrechten, werden een aantal kampbewoners in een kamp op de Avenue Bicentenaire zelfs beschoten door de politie met traangas en kogels. Zelfs een baby kreeg een schotwond. Hun ‘misdaad’ ? Ze hadden een bescheiden manifestatie georganiseerd op de “Avenue” om hun levensomstandigheden aan te klagen in het kamp dat op overheidsgrond ligt. In november werden op een privaat terrein zo’n dertig tenten vernield met machetes in het kamp Gaston Magwo. Diezelfde maand werden in het kamp CR3 op Delmas 60 alle toiletten vernield omdat de eigenaar de muur om het terrein neerhaalde.

Een iets ‘elegantere’ vorm van ontruiming kwam er met het programma 16/6. Het opzet was om de bewoners van 6 kampen te laten terugkeren naar de 16 wijken waar ze vandaan kwamen: ze kregen per familie zo een 500 Amerikaanse dollar. Wellicht doordat die som slechts in uitzonderlijke gevallen volstaat om de jaarlijkse huur te betalen van een één-kamer-huisje, ziet men sinds de ontruiming van deze pleinen op verscheidene plekken krotten als paddenstoelen uit de grond schieten. Dat er geen enkel bouwvoorschrift werd gevolgd, hoeft geen betoog. Hoewel die som tenminste een ietwat ‘elegantere’ manier van ontruiming betekent, werden in november in het kamp Fortuna Guery zo’n 20 families over het hoofd gezien. Toen die hun ontevredenheid uitten, werd de spontane protestbeweging de kop ingedrukt.

5000 ha om uw plan te trekken

Zij die 500 dollar ontvingen en niet elders in Port-au-Prince een stuk braakliggend stuk grond vonden om zich te vestigen, weken uit naar een kale bergflank zo’n tien kilometer ten noorden van Port-au-Prince. Enkele maanden na de aardbeving had toenmalig president Préval 5.000 hectare “publiek land” verklaard. Hoewel het presidentieel decreet stelt dat er niet op de grond mag gebouwd worden, is dat precies wat er gebeurt. Naar schatting 120.000 mensen improviseerden een woning in een zone zonder elektriciteit, zonder water, zonder wegen en zonder dienstverlening. Gewoon op een kale bergflank, in the middle of nowhere.

Een klein stuk van 5.000 hectare kale bergflank, die kort na de aardbeving door toenmalig president Préval “publiek land” was verklaard, trok in het voorjaar van 2010 internationale media-aandacht. Het eerste – en enige – officiële “herhuisvestingskamp” werd er geïnstalleerd: Corail Ceslesse. Nadat op enkele dagen tijd de tenten waren opgetrokken en minimale voorzieningen waren getroffen, werd de eerste groep mensen in april 2010 uit een overstromingszone van een geïmproviseerd kamp naar het kamp gebracht. Een van de bewoners vertelde me dat, toen ze aankwamen aan de afgelegen bergflank, “sommigen niet uit de bus wilden, anderen begonnen te huilen.” De kale grond, zonder bomen, op tien kilometer van de stad schrikte hen af. Beloftes van permanente huizen, sociale voorzieningen en werkgelegenheid overtuigden de meesten om toch te blijven.

De tenten in Corail Ceslesse zijn inmiddels vervangen door T-shelters, een paar enkelingen hebben die intussen op eigen initiatief vervangen door een huis uit cementstenen. De planten en bomen die de bewoners plantten, zijn intussen wat opgeschoten en zorgen voor een beetje schaduw en het doorbreken van het monotone dambordpatroon van Corail Ceslesse. Enkele palen met straatverlichting werden geïnstalleerd die met zonne-energie het, van het elektriciteitsnet afgesloten, kamp ‘s nachts van wat licht voorzien. De lagere school met haar 9 klaslokalen is weliswaar overbevolkt, maar functioneert.

Het mobiele hospitaal dat op weekdagen in het kamp passeert, vraagt sinds kort de mensen om de consultaties te betalen. Vroeger leverde Oxfam ook gratis water aan de bewoners, maar sinds de NGO uit het kamp vertrok, betaalt men 0,1 euro per emmer van 20 liter ondrinkbaar water. Dit geheel tegen de afspraken in die zwart op wit genoteerd werden in een lijvig document, dat werd overhandigd aan de kampbewoners, toen het Amerikaanse Rode Kruis, dat verantwoordelijkheid had over het management van het kamp, vertrok. Het “transitiedocument” vermeldde zeer duidelijk dat het water door Oxfam zou geleverd worden tot er een waterleiding in het kamp zou zijn.

Darlène Paul, die in het kamp woont sinds het prilste begin, vertelt me dat Corail Ceslesse minder troosteloos is als toen ze hier aankwamen. Ze lijkt vooral tevreden met de schaduw die de opschietende bomen bieden. Die bieden een schuiloord voor de brandende tropische zon. Maar als ik haar vraag hoe het zit met de werkgelegenheid die werd beloofd, antwoordt ze me: “welke werkgelegenheid ? Er zijn een paar mensen die een klein winkeltje opendeden, maar daar stopt het. Als je werk wil vinden, moet je dat gaan zoeken in Port-au-Prince. De rit kost je – afhankelijk van de chauffeurs – tussen de 1 en 2 euro heen en terug. Er is hier echt geen enkel perspectief op verbetering.”

Ilionor Louis, professor aan de faculteit etnologie van de Haïtiaanse staatsuniversiteit, deed midden vorig jaar onderzoek naar Corail Ceslesse. “Heb je de film Shindlers List gezien ?” vraagt hij me. “Wel, hoe ze de Joden daar behandelden, komt overeen met hoe ze in het kamp behandeld worden. Ze laten de bevolking gewoon aan zijn lot over.”

Louis onderzocht ook de zone rondom Corail Ceslesse, waarin vandaag naar schatting zo’n 120.000 mensen wonen. De zone kreeg bijbelse namen als Canaan en Jerusalem, maar de realiteit is er erg hard. Hij is geenszins verbaasd dat de bevolking verdubbeld kan zijn sinds zijn eigen onderzoek, toen hij het bewonersaantal op 60.000 evalueerde. “Het programma 16/6 dat de 500 dollar aan kampbewoners van Port-au-Prince gaf, stond velen niet toe om zelfs maar een kamer van een paar vierkante meter te huren. Een pak van die mensen gingen bij gebrek aan middelen naar het enige terrein dat als een stabiele zone wordt beschouwd, waar ze niet bedreigd worden door ontruiming.” Er zijn in Canaan en Jerusalem geen voorzieningen buiten deze die door kleine NGO’s worden geleverd. “Het gaat dan over zij die een waterput bouwen, of een school. Geen grootschalige projecten met grote NGO’s zoals in Corail Ceslesse.”

Huisvesting topprioriteit?

Volgens de Internationale Federatie van Mensenrechten (FIDH) heeft het 16/6 plan “enkel het probleem verplaatst, met het risico op het aangroeien van de krottenwijken en nieuwe risicozones te creëren in een reeds zeer fragiel milieu, met woningen die nog precairder zijn en minder beveiligd.”

Maar het gaat niet op de beschuldigende vinger enkel op de Haïtiaanse overheid te richten. Internationale hulporganisaties hebben het zich veelal veel te gemakkelijk gemaakt in de reconstructie-business. Zo zijn er 110.000 tijdelijke shelters gebouwd voor een totale kostprijs van zo’n half miljard dollar – shelters die onder de tropische elementen een levensduur hebben van maximaal enkele jaren. Stel dit naast de 6.500 huizen die werden gerepareerd en de 4.500 nieuwe permanente huizen die werden gebouwd en men begrijpt dat de woningnood in Haïti verre van opgelost is, maar wellicht aan een revival bezig is zolang er geen permanente huisvesting wordt gepland.

De nationale overheid schiet ernstig tekort, niet enkel in planning van permanente huisvesting voor de 70 procent die het met minder dan 2 dollar per dag moeten stellen, maar ook in de bescherming van haar burgers tegen fenomenen als gedwongen ontruimingen. In sommige gevallen is het zelfs de overheid die de kampbewoners terroriseert of criminaliseert. Maar daarnaast is de hit-and-run strategie van talrijke internationale organisaties in de humanitaire hulpverlening verantwoordelijk voor een deresponsabilisering van de overheid. Door naast de overheid te werken in plaats van met de overheid heeft men het staatsapparaat vaak gedelegitimeerd en verder verzwakt.

En door over de hoofden van ordinaire Haïtianen te lopen, mogelijk ongewild maar desalniettemin, heeft men kant-en-klare tijdelijke oplossingen – zoals T-shelters – laten primeren boven een duurzame besteding van de hulpgelden. Een Haïtiaanse kameraad vatte het als volgt samen: “op wat kruimels na, hebben de Haïtianen niets aan al die internationale hulp.” Als de helft van de Haïtianen vandaag overleeft op minder dan 1 dollar per dag, dan hebben ze dat vooral aan zichzelf te danken. Ze hebben zichzelf beholpen zo goed of zo kwaad ze konden. Zoals ze dat altijd al deden.

Joris Willems 

Port-au-Prince, 11 januari 2013

1De schattingen en officiële verklaringen variëren tussen 300.000 en 100.000 doden.

2Schuller, Mark. (2011), Mèt kò veye kò: Foreign responsibility in the failure to protect against cholera and other man-made disasters

3FIDH, (November 2012) La sécurité humaine en danger   

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!