In welke toekomst hebben we zin?
Opinie, Nieuws, Wereld, Samenleving, Wetenschapsfilosofie, Wetenschapskritiek, Lieve Goorden - Lieve Goorden

In welke toekomst hebben we zin?

"Wat zal de toekomst brengen?" Dat is de afgelopen dagen zowat de meest gestelde vraag in kranten en praatshows. Dat is een eigenaardige formulering. Het lijkt wel alsof toekomst iets is wat ons overkomt, iets dat we lijdzaam moeten ondergaan. Terwijl de discussie beter zou gaan over de vraag: "welke toekomst zien we zitten?" Dat zegt Lieve Goorden, professor ‘Technologie en Maatschappij’ aan de Universiteit van Antwerpen.

woensdag 9 januari 2013 18:20

2013. We heffen het glas op een nieuw jaar. En nu de wereld niet is vergaan, kunnen we met frisse moed vooruit blikken. “Wat zal de toekomst brengen?” Dat is de afgelopen dagen zowat de meest gestelde vraag in kranten en praatshows. In feite vind ik dat een eigenaardige formulering van de kwestie.

Het lijkt wel alsof toekomst iets is wat ons overkomt. Een lot dat ons beschoren is. Iets wat op ons afkomt en dat we lijdzaam moeten ondergaan. Terwijl de discussie beter zou gaan over de vraag: welke toekomst zien we zitten? In welke toekomst hebben we zin? Want toekomst maken we elke dag toch zelf. Toekomst is iets wat we vandaag in gang zetten.

Maar dat de vraag op deze manier wordt gesteld, komt ook weer niet uit de lucht vallen. Als het om onze toekomst gaat, is er immers reden om de kop in het zand te steken, om in blind vertrouwen door te hollen. We zien wel waar we uitkomen, zoals op een autosnelweg: je zit erop en blijft bollen.

De keerzijde van vooruitgang

En daar zit moderne wetenschap voor veel tussen. En vooral de wijze waarop die de laatste tijd vooruitgang boekt. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk vat de situatie goed samen: op de keper beschouwd plaatst hedendaagse wetenschap de mens voor problemen die in feite te zwaar voor hem zijn. 

Want de grote hersenpan van de mens is een zegen, maar ook een vloek. De mens heeft er een streepje mee voor op de andere dieren, maar tegelijk brengt dat brein hem ook in penibele omstandigheden. Het baart immers een leefwereld die complex, onzeker en moeilijk te overzien is.

Denk aan de recente oproep van afscheidnemend directeur van de nucleaire waakhond Fanc (Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle) Willy De Roovere: “We moeten ons afvragen of het risico bij kernenergie nog wel aanvaardbaar is. In alle eerlijkheid, als ik het risico zie, zou ik andere energievormen verkiezen.”

Denk aan de bede van enkele genetici van het universitair ziekenhuis in Leuven, omdat het weldra mogelijk wordt om in amper één week tijd een volledig menselijk genoom – dat zijn alle erfelijke kenmerken van een individu – in kaart te brengen: “We moeten dringend nadenken hoe we genoomanalyse gaan implementeren, dat is zeker. En, omdat het ons allemaal aangaat, zal iedereen met ons moeten meedenken. We kunnen in ons eentje onmogelijk antwoorden op alle vragen die er nog zitten aan te komen.”

Kortom, samenleven met technologie wordt er niet gemakkelijker op. 

Hoe is het zover kunnen komen?

Het loont de moeite om even stil te staan bij de weg die wetenschap tot op heden heeft afgelegd. Want dan begrijpen we beter waar we precies mee bezig zijn. En daarmee ook, of we er iets moeten aan doen. Moeten we het wetenschappelijk onderzoek misschien over een andere boeg gooien?

Hoe het ook zij, veel komt voort uit diepe ontgoocheling. En dat zal sommigen verbazen. Want frustratie is niet meteen iets wat ons voor ogen staat bij moderne wetenschap en de hybris die ze uitstraalt, bij de grootse wetenschappelijke ambities die de mens al vroeg in zijn geschiedenis koestert. Want aanvankelijk zijn de verwachtingen hoog gespannen.

Het streefdoel dat de mens vooropstelt, is dan ook niet niks. Finaal wil hij de wereld doorgronden, zich een ware voorstelling van de werkelijkheid vormen. Daarvoor stelt hij alle hoop op de finesse van zijn zintuigen – die hij mettertijd zal bijspringen met intelligente apparatuur zoals telescopen en microscopen – en op de kracht van zijn logisch verstand – waarmee hij theorieën bedenkt, modellen ontwerpt en experimenten opzet.

Maar hoe hij ook zijn best doet, welke vernuftige tuigen hij ook uitvindt, de onzichtbaar kleine nanowereld van de kwantumfysica en de immens grote wereld van de macro-kosmos, blijven grotendeels buiten beeld. En welke vooronderstellingen over de wereld hij zich ook maakt, welke wiskunde en experimenten hij daarvoor ook bezigt, het blijken allemaal eigen constructies te zijn.

Verhalen die vooral veel zeggen over diegene die ze maakt, en minder over een objectief te kennen werkelijkheid. Finaal komt de mens altijd zichzelf tegen, zal de Amerikaanse filosofe Hannah Arendt concluderen.

Dat de waarheid zich blijkbaar buiten de actieradius van onze zintuigen en ons abstractievermogen ophoudt, kwelt aanvankelijk heel wat fysici. Maar algauw trekken de meeste wetenschappers hun conclusies. Ze kiezen eieren voor hun geld en gooien het over een andere boeg: als we onszelf en datgene wat zich buiten ons bevindt niet echt kunnen kennen, dan kunnen we op zijn minst kennen wat we zelf maken, zo luidt het nieuwe credo.

‘Natuur’ vs. ‘techniek’: de grens vervaagt

In een rede aan de universiteit van Napels – Over aard en doel van de moderne wetenschap – zal een visionaire professor in de retorica, Giovanni Battista Vico, al in 1708 alluderen op dat andere pad naar ‘zekere’ kennis. “Enkel god en niet de mens, kan de natuur ten volle begrijpen, want hij is er tenslotte de schepper van”, oreert Vico, en verder: “Als de mens de fysische natuur zou willen bewijzen, dan zou hij haar zelf moeten fabriceren.” Anders gezegd: dan zou de mens voor god moeten spelen.

En dat is dan ook gebeurd. Want vandaag draait wetenschap niet zozeer om kennis over, dan wel om manipulatie van de werkelijkheid, om de creatie van een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe wereld. En daarmee is moderne wetenschap fundamenteel technisch van aard geworden. Wetenschap is niet langer beschouwend, maar operatief, ze grijpt in en herschept. Kants eerste grondvraag “Wat kan ik weten” is wezenlijk verbonden geraakt met de vraag: “hoe kan ik dat maken?”

Het is dan ook met de haar zo typische verwondering, dat Hannah Arendt in haar boek De menselijke conditie’ vaststelt dat de mens op een bepaald moment in zijn geschiedenis, “een vrije gift uit het niets – het menselijk bestaan zoals dat ons is gegeven – begint in te ruilen tegen iets wat hij zelf maakt.”

En ze heeft het dan niet over techniek in de gebruikelijke zin van het woord, techniek die zo oud is als de mensheid. Beginnend bij het been dat de aapmens in de film ‘2001: A Space Odyssey‘ de lucht in slingert en dat sierlijk tollend om zijn as, verandert van een primitief werktuig in een hagelwit ruimteschip. Techniek als kunstmatige prothese waarin de mens comfortabel kan overleven, als menselijk bouwsel dat de natuurelementen buiten moet houden, zoals een middeleeuwse stad haar burgers beschermt tegen de dreiging van een onbekend buiten.

Neen, Arendt is de eerste die al vroeg doorheeft dat het moderne wetenschapsproject een veel meer fundamentele wending neemt. Dat de mens met zijn kennis de aanval inzet op die stadsomwalling, op de grens tussen natuur en techniek, op de duidelijke lijn die we altijd al trokken tussen datgene wat natuurlijk is – die vrije gift uit het niets – en dat wat we zelf maken. En het offensief wordt gelanceerd op twee fronten.

Allereerst zullen we er steeds beter in slagen om wat biologisch gegeven is – de natuur, alles wat leeft, ons lichaam – zodanig met techniek te versmelten dat het natuurlijke stilaan op techniek gaat lijken. Zo zullen we met zelf gefabriceerde technische hoogstandjes de machinerie van het leven, van ons lichaam en ons brein ongemerkt en alsmaar preciezer – tot op het niveau van de allerkleinste moleculen – binnendringen.

Denk aan een onderhuids ingeplante stimulator die een elektrode in de hersenen aanstuurt en zo de activiteit van hersencellen afremt of juist activeert. Bijvoorbeeld bij patiënten met bewegingsstoornissen (zoals Parkinson), maar in toenemende mate ook bij psychiatrische klachten zoals depressie, allerhande dwangneurosen, eetstoornissen. Kortom, een techniek die de mens precieze controle verschaft over zijn motorische, zintuiglijke, intellectuele en emotionele capaciteiten.

Denk ook aan het cultiveren van stamcellen (cellen die in staat zijn in verschillende celtypes te veranderen) in het laboratorium en het transplanteren van deze cellen in lichaamsorganen of weefsels, om deze continu te vernieuwen, te verjongen. 

De tweede demarche op de breuklijn tussen biologie en techniek werkt net andersom: hier zullen we techniek ontwikkelen die steeds meer op biologie gaat lijken. Want we slagen er steeds beter in om met techniek de typische kenmerken van ‘het leven’, van biologische organismen – zoals zichzelf kunnen helen, zich kunnen reproduceren, intelligent gedrag vertonen, emoties uitdrukken – na te bootsen. Met andere woorden, het lukt ons steeds beter om techniek te doen lijken op iets wat natuurlijk geëvolueerd en niet gemaakt is.

Zo knutselt de mens met zelfgemaakte stukjes DNA en eiwitten een bacterie in elkaar. Die artificiële bacterie kan zich voeden, zelfstandig overleven en zich vermenigvuldigen. Op die manier kunnen dergelijke bacteriën medicijnen produceren, of waterstof, of kunnen ze worden ingezet om het milieu op te kuisen. Op het eerste zicht zijn dit kleine machientjes, maar ze lijken verdomd goed op echte bacteriën.

Ander voorbeeld: het ambitieuze plan om in de komende twaalf jaar een supercomputer te bouwen die het menselijk brein en al zijn cognitieve en emotionele functies kan simuleren. In het ‘Blue Brain Project’ vertrekken wetenschappers van een biologisch brein (voorlopig nog van dieren) en trachten ze de elektrische en chemische communicatie tussen de hersencellen zo getrouw mogelijk te simuleren in een software programma. Uiteindelijke bedoeling is om het menselijk brein na te bouwen in een computer en zo denkende machines te maken die de menselijke intelligentie evenaren.

Kortom, in de nabije toekomst staat er met wetenschap en technologie zoveel meer op het spel, dan alleen maar de dingen efficiënter, sneller en goedkoper doen, zoals internetspecialist Clo Willaerts onlangs in een opiniebijdrage in de krant De Morgen stelt.

We maken onze toekomst zelf

Langzaam maar zeker, onopgemerkt door de waan van de dag, neemt de mens zijn evolutie zelf in de hand. Hij is de facto aan de actieve kant van de selectie beland. Zich verlaten op een god, het toeval of het lot, is er niet meer bij. De mens speelt nu zelf voor god.

Met alle gevolgen van dien. Zoals de onberekenbaarheid van menselijk gedrag introduceren in wat altijd al onderhevig was aan de wetten van de natuur. Denk aan de manipulatie van het brein of de continue verjonging van weefsels en organen. En zoals de onvoorspelbaarheid van de natuur, van een biologisch systeem, introduceren in onze maatschappij, in de wereld van de menselijke omgangsvormen. Denk aan de idee om in de toekomst massaal intelligente en emotionele robotten in te zetten in de zorgsector.

We maken onze toekomst zelf. En die toekomst begint vandaag, niet morgen of over tien jaar. En in principe is die toekomst een zaak van ons allen. Maar hier wringt de schoen. Want enkelingen hebben de neiging er hun stempel op te drukken: denk aan wetenschappers die de show stelen op de jaarlijkse TED Talks (Technology, Entertainment, Design) in de VS en de UK, of aan mediagenieke experts zoals Ray Kurzweil (“we worden onsterfelijk”), Craig Venter (ontwerper van de eerste synthetische bacterie), Henry Markram (directeur van het Blue Brain Project).

Volgens mij moet ook in wetenschap een vorm van democratie mogelijk zijn, want de meeste mensen zijn weldenkend. Het loont de moeite om met meer mensen na te denken over wat er in de laboratoria op stapel staat. Om ons te buigen over de vraag of wetenschap niet veel gerichter kan ingezet worden voor onze dromen. Want die zijn er volop: denk aan de grote uitdaging om de honger uit de wereld te helpen, om iedereen de nodige medische zorgen te verschaffen, om onze aarde duurzaam te maken. 

We moeten die collectieve dromen veel meer voor het voetlicht halen en vooral ook manieren bedenken om ze tot in de laboratoria te brengen.

Want wellicht heeft de mens zich met zijn kennis zodanig in nesten gewerkt, dat de uitdagingen te zwaar voor hem lijken. Maar hij mag de kop niet in het zand steken. Struisvogelpolitiek is geen optie. Hij moet het spel actief meespelen. Zich goed op de toekomst voorbereiden. Veel serieuzer en met meer volk dan hij tot op heden deed. Er zit niets anders op. 

Lieve Goorden

Lieve Goorden is professor ‘Technologie en Maatschappij’ aan de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen. In de reeks ‘Essays voor morgen’ van uitgeverij Van Halewyck, schreef ze het boek: ‘De horzel en het luie paard. Over technologische groepssport en morele verbeelding.’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!