foto door: tracy hunter
Nieuws, Wereld, Economie, Samenleving, Politiek -

Afghaanse vluchtelingen zijn vreemden in eigen land

Afghaanse vluchtelingen die zijn teruggekeerd naar hun eigen land, leven in armoede in kampen voor ontheemden.

woensdag 9 januari 2013 16:05

Na tien jaar in een vluchtelingenkamp in Pakistan, had Nafas Gol niet verwacht dat ze in een tentenkamp voor ontheemden in Kaboel zou belanden. “President Hamid Karzai zei dat het land er klaar voor was en dat we terug konden komen”, zegt ze. “Dus dat heb ik gedaan.”

Meer dan een miljoen vluchtelingen zijn inmiddels teruggekeerd naar Afghanistan, sinds de Amerikaanse invasie in het land in 2001. Nafas Gol is een van de dertigduizend vluchtelingen die in ontheemdenkampen woont in de Afghaanse hoofdstad.

Met de winter voor de deur is de weg naar het kamp waar Nafas Gol woont, in de buurt Deh-e-Sabz, al veranderd in modder en ijs. De tenten en tentzeilen langs de glibberige paden bieden weinig bescherming tegen de weersomstandigheden. “Dit zeildoek is drie jaar oud. Hoe kan dat ons beschermen?”, zegt een andere kampbewoner, Atiqullah. Hij keerde acht maanden geleden terug naar Kaboel. “We gaan hier dood van de honger. Er is geen graan, geen olie, geen hout.” Hij vreest een herhaling van de strenge winter van 2012, die leidde tot de dood van meer dan honderd Afghanen.

Kwaadwillenden

Het winterklimaat is echter niet het enige probleem waar de bewoners mee kampen. Toen ze het vluchtelingenleven achter zich lieten, hadden veel Afghanen verwacht daarmee ook de uitbuiting door opportunisten achter zich te laten. Maar het leven in de Afghaanse kampen is in dat opzicht niet veel beter dan dat in Iran of Pakistan.

De kampen worden vaak ‘s nachts bezocht door kwaadwillenden, zegt Shir Ali, een 26-jarige kampbewoner. “Ze hebben wapens bij zich en beroven de armen”, zegt Mohammed Aslan, een van de kampleiders.

Om te overleven, moet iedereen bijdragen. Veel vrouwen en kinderen bedelen of verkopen spullen op straat. Gedrag dat de culturele normen doorbreekt en sommige mannen het idee geeft dat ze “vrouwen kunnen benaderen”, zegt Shir Ali. “Ze denken dat dit gebied een soort bordeel is en dat onze vrouwen prostituees zijn”, klaagt hij.

“Mensen doen alsof we honden zijn”, zegt Atiqullah. Het werk dat de bewoners doen, zoals oude kleding inzamelen en repareren, helpt maar nauwelijks de armoede te verlichten. Shir Ali zegt dat mensen minstens 7,50 euro per dag nodig hebben om te leven. Maar meestal verdienen kampbewoners niet meer dan 1,50 tot 2,50 euro per dag. “Intussen kost een kilo meel 2,50 euro. En olie kost nog eens 1,50.”

Machtsmisbruik

Veel bewoners zeggen dat medebewoners bijdragen aan hun problemen. Nafas Gol zegt dat de kampleiders, de maleks, die vaak uit hun eigen etnische groep afkomstig zijn, geld en brandhout van hulporganisaties achterhouden. “Ik heb gezien dat ze dat deden. Ze houden het voor zichzelf. Maar ik hou mijn mond er niet meer over”, zegt ze, terwijl ze wijst naar de kampleider en zijn collega’s die de journalisten rondleidden in het kamp Deh-e-Sabz.

Nassim Majidi, directeur bij Samuel Hall Consulting, een onderzoeksbureau in Kaboel, zegt geregeld te horen dat de maleks hulpgoederen niet eerlijk verdelen. “Ze houden het deels zelf en verkopen de rest. Degenen die macht hebben, misbruiken die.”

Onderzoeker Fouzia Monawer zegt dat ze tijdens een bezoek aan een voornamelijk door Pashtuns bevolkt kamp in de buurt van Kaboel, van de kampleiding geen gelegenheid kreeg zomaar met iedereen te praten. “Maar toen we weggingen, kwamen we een Tadzjikische vrouw tegen die ons vertelde dat de malek de UNHCR-tent van haar gezin had gestolen. Elke keer als er hulpgoederen worden afgeleverd, worden volgens haar gezinnen uit Tadzjikistan overgeslagen bij de verdeling.

Monawer zegt dat de malek, toen hij zag dat ze sprak met de Tadzjikische vrouw, snel tussenbeide kwam en een einde maakte aan het gesprek.

Kansen

Hoewel veel bewoners van Deh-e-Sabz erkennen dat het leven in Iran en Pakistan ook moeilijk was, menen sommigen dat ze daar economisch gezien meer kansen hadden. Atiqullah, die 25 jaar in de grensstad Peshawar woonde, zegt dat hij daar niet in een tent zat. “We huurden in Peshawar. Dat kon omdat ik als opzichter werkte bij Wall’s, een producent van ijsjes.”

Dankzij zijn salaris kon hij ook de autoriteiten, die hem om bewijs van zijn vluchtelingenstatus vroegen, omkopen. “Maar toen ik vorig jaar mijn baan kwijtraakte, was het afgelopen. Ik had geen geld meer om de politie om te kopen en we werden het land uitgezet.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!