China en buitenlandse investeringen
China, China economie -

China en buitenlandse investeringen

maandag 31 december 2012 00:14

China en buitenlandse investeringen

Sinds de jaren 1970 zijn de onderontwikkelde landen steeds meer afhankelijk geworden van buitenlandse investeringen. De jaren 1970 betekende het afscheid van het Keynesiaanse groeimodel op mondiaal vlak. Tot de jaren 1970 kon dit model zeer goede resultaten in ontwikkelingslanden afleveren. Het nieuwe neoliberale model onder de noemer van de Washington-consensus bracht alleen armoede voort. De Washington-consensus legt de nadruk op een starre monetaire politiek, exportpolitiek, deregulering, neoliberaal marktmodel en open-deur politiek voor buitenlands kapitaal. “De Washington-consensus, gesteund door het IMF en de Wereldbank, dicteert aan landen in het Zuiden een politiek van structurele aanpassingsprogramma’s. Het algemene effect is dat deze economieën nog meer kwetsbaar zijn voor de druk van het multinationale kapitaal: bijvoorbeeld het promoten van een exportmodel en het verwijderen van importmechanismen zorgen voor een dependentiesituatie tegenover de wereldmarkt. De landbouwsector van deze landen kan onmogelijk concurreren tegen de Westerse agro-industrie. De privatisering van staatsbedrijven zorgt de facto voor deïndustrialising. Hoge intrestvoeten en financiële deregulering veroorzaken een schuldenberg, waarbij alle afbetalingen in Wallstreet belanden.”(1) China heeft met zijn Beijing-consensus het vrijhandelsimperialisme weten te omzeilen. Hoewel het land buitenlands kapitaal aantrekt, heeft het qua macro-economische politiek een grote graad aan autonomie. Tevens is er een voortdurende exponentiële industriële output. Dit artikel tracht kort weer te geven op welke manier China omgaat met het buitenlands kapitaal.

De korte geschiedenis van muizen en katten

In 1978 werd komaf gemaakt met het Maoïstisch groeitraject. China kende decennialang politieke afrekeningen tussen verschillende facties. De vervolging van de “Bende van Vier” werd internationaal beschouwd als enerzijds het afscheid van een zeer turbulente periode, en anderzijds werd algemeen aangenomen dat de oude Maoïstische bureaucratie de bovenhand kreeg ten nadele van de erfgenamen van de Culturele Revolutie. Het Westen kreeg dus het beeld voorgeschoteld van de restauratie van een centristische, pragmatische koers. China verbreedde haar diplomatische contacten en de eerste import van Westerse culturele iconen was merkbaar. De eerste economische hervormingen bestonden uit een “verantwoordelijkheidssysteem” voor huishoudens – een contractsysteem waarbij gezinnen produceren voor de staat aan een bepaalde opgelegde prijs – en een algemene herschikking van het prijzenstelsel voor industriële goederen. De politieke crisis van 1989 signaleerde een definitief keerpunt in het economisch beleid. De oppositie tegen de centrale regering was voornamelijk gericht tegen de vorige hervormingen, omdat deze botsten met de maoïstische ideologische uitgangspunten. De stadsbevolking beschouwde de centrale regering meer en meer als illegitiem. Het systeem lanceerde hierop het idee van een stapsgewijze hervorming met als centraal idee het marktsocialisme met “Chinese karakteristieken”. Het doel was de arbeidsproductiviteit te verhogen om politieke stabiliteit te verkrijgen. In 1992 bevestigde Deng Xiaoping de ingeslagen weg, waarbij hij zichzelf proclameerde als voorstander van de uitbouw van een nationaal kredietstelsel. Tijdens het Partijcongres verkondigde Xiaoping dat het tijdperk van hevige ideologische strijd voorbij was. Het nieuwe economische model stond niet meer ter discussie.

De juridische legitimatie

In juridisch opzicht werd de ideologische ommekeer pas in 1988 doorgevoerd. Vanaf dat moment werd in de grondwet toegelaten bedrijven te bezitten met meer dan acht werknemers. Dit betekende niet dat de private sector an sich werd herkend: individuele eigenaars werden in hoge mate gecontroleerd door de overheid. Het was pas een decennium later dat de private sector complete rechtsgeldigheid ontving. 

De rechtsgeldigheid voor buitenlands kapitaal werd veel sneller op poten gezet. De centrale overheid heeft op snelle wijze alle institutionele en juridische obstakels weggenomen om dit buitenlands kapitaal met open armen te kunnen ontvangen. In de jaren 1980 kreeg dit kapitaal een superieure juridische status tegenover de Chinese variant. De grondwet uit 1982 verankerde deze nieuwe rechten in artikel 18. De overheid liet toe dat buitenlandse kapitalisten investeerden in diverse economische “coöperaties” van Chinese bedrijven en andere economische organisaties gebaseerd op volledige, proportionele eigendomsrechten. In 1992 werden sectoriële en regionale beperkingen verwijderd. Het was vanaf dan ook de taak van de lokale overheid om contacten te leggen met buitenlands kapitaal, waarbij zijzelf juridisch beslissingsrecht had over samenwerkingsverbanden. Dit betekende een enorme groei aan bewegingsvrijheid voor buitenlandse kapitalisten, vermits de proceduretijd verkortte en mogelijkheden tot investeren enorm stegen.

In 1997 werd het 15de Partijcongres gehouden. President Ziang Zemin declareerde toen dat de overheid geen directe controle meer moest uitoefenen op kleine private bedrijven. De overheid moest alleen nog een meerderheidsparticipatie bezitten in defensiebedrijven, bepaalde zware industriële sectoren en de grondstoffenindustrie. Indien buitenlands kapitaal juridisch wordt toegelaten om in deze sectoren te investeren, dan heeft zij zich te plooien naar de contractuele dictaten van de desbetreffende joint-venture. Tevens werden restricties weggenomen betreffende de “immobiliteit” van de arbeidsmarkt. Met andere woorden, bedrijfsleiders konden mensen gemakkelijker ontslaan.

Buitenlandse investeringen als hefboom

De staatsgeleide bedrijven zouden een centrale rol blijven spelen in de transformatie van het land. Maar Xiaoping was vastberaden om de kapitaalsaccumulatie stevig op te voeren. Het oude maoïstische idee van autarkie werd opzijgeschoven voor een pragmatische benadering van buitenlandse investeringen, in het vakjargon Foreign Direct Investments (FDI). Staatsgeleide bedrijven werden afgeschermd van internationale concurrentie en kregen een bevoorrechte positie qua kredietverschaffing. Tegelijkertijd werd de nationale economie opengesteld voor nieuwe initiatieven via de FDI. De staatsbedrijven werden gebruikt als productieve en financiële buffer waarrond nieuwe private bedrijven oscilleerden. Dit gaf de centrale overheid een grote vorm van autonomie om de algemene koers te bepalen maar tegelijkertijd kon het tevens rekenen op een voortdurende instroom van vers kapitaal. Via het kredietsysteem ontstond een politiek-juridische hiërarchie van eigendomsvormen. Chinese private bedrijven waren en zijn grotendeels zelfbedruipend qua kapitaalinjecties, tenzij de eigenaar via politieke weg kredieten kan losweken bij de overheidsbanken. Sinds de jaren 2000 worden deze barrières qua kredietverschaffing stelselmatig afgeschaft, wat voor een boom zorgt aan private Chinese bedrijfjes.

Het verhaal van buitenlandse investeringen kan succesvol worden genoemd qua accumulatiegraad, niet door de omvang maar door de impact. Begin jaren 1990 was de FDI goed voor zes procent van het BNP, in de jaren 2000 zou het eerder schommelen rond de drie procent. De daling van het relatieve aandeel geeft juist aan dat het FDI een enorm effect veroorzaakte: het BNP vervijfvoudigde op twintig jaar tijd. Het absolute aandeel van de FDI bleef dus tevens exponentieel stijgen. De jaren 1990 waren cruciaal: dertig procent van de investeringen in constant kapitaal in de private sector had een buitenlandse origine. De FDI was dus een van de motors van de stijgende arbeidsproductiviteit. Het aandeel van FDI ten opzichte van de totale BNP-groei wordt geschat op drie procent per jaar. 

Het buitenlands kapitaal had verscheidene vlakken een significante impact:
1. Middelgrote bedrijven in zowel de steden als op het platteland stegen enorm. In de beginjaren van de hervormingen werden veel “Township and Village Enterprises” (TVE) opgericht. De eigendomstructuur kan zeer variëren: gaande van staatseigendom tot complete onafhankelijkheid. Een constante factor is de financiële bijstand en coördinatie door de lokale overheid. Tijdens de jaren 1990 zal deze overheid mediëren tussen de TVE’s en het buitenlands kapitaal. Dit systeem kon een zekere winstvoet waarborgen via contractuele afspraken en tegelijkertijd een voortdurende productiviteitsstijging creëren. De lokale overheid heeft alle belang bij het aantrekken van nieuw kapitaal, vermits zij grotendeels zelfbedruipend is qua belastingsinning. 
2. De FDI is een politiek instrument om de hervormingen te bewerkstelligen. De centrale overheid had grootse verwachtingen inzake de decentralisering van de diverse sectoren. Dit betekende op zijn beurt dat interregionale kapitaaltransfers afnamen. De TVE’s kregen te maken met flessenhals-fenomenen qua aanvoer van grondstoffen en technologie. De overheid zocht dus nieuwe wegen om op een snelle manier deze problematiek op te lossen. De FDI werd dus een exogene factor om de transactie-efficiëntie van productiefactoren te verbeteren.
3. Naarmate de tijd vorderde ontstond ook een nieuwe type van firma. Het kapitaalfonds bestond voornamelijk uit FDI, “FDI-bedrijven”, waardoor het bedrijf zich interregionaal kon uitbreiden. Dit is het enige interregionale type naast staatsbedrijven.
4. FDI-bedrijven specialiseren zich in arbeidsintensieve sectoren gericht op export. De befaamde Chinese exporteconomie kende dus een groeispurt via de FDI-bedrijven. 

Momenteel staan de TVE’s en FDI-bedrijven in voor 80% van alle Chinese export. In bijna alle gevallen gaat het om een joint-venture-formule. Samengevat, de rurale bedrijven zijn op een directe manier verbonden aan de wereldmarkt. De FDI was tevens verantwoordelijk voor het snelle verdwijnen van onafhankelijke bedrijfjes die produceerden voor buitenlandse firma’s. Zij konden niet concurreren tegen de schaalvergroting van de FDI-bedrijven. De laatste paar jaar ontstaan wel nieuwe onafhankelijke private megabedrijven door het stelselmatig opkopen van technologische patenten. Maar dit is nog steeds een perifeer fenomeen. Tijdens de laatste tien jaar is de output van de private sector vertienvoudigd en neemt zij 60% van de totale nationale output voor haar rekening. Gesteld kan worden dat de Chinese economie in de toekomst zal groeien door een vermeerdering aan eigen private bedrijven. 2005 wordt algemeen aanzien als het scharnierjaar waarin TVE’s en FDI-bedrijven aan belang hebben ingeboet. 

Conclusie

De FDI is dus een hefboom waarmee het Chinese regime verscheidene industriële takken kon moderniseren. Het liet een grote vorm aan bewegingsvrijheid toe, maar het is nog steeds via politieke weg dat momenteel wordt beslist om het relatieve aandeel van buitenlands kapitaal te verminderen. Met andere woorden, de centrale overheid steunt nu meer en meer de Chinese private sector via betere kredietverlening en ondersteuning bij het opkopen van technologische patenten. De effecten kunnen ondermeer worden afgelezen in de textielindustrie, waar de FDI op tien jaar tijd quasi is verdwenen. Het oude systeem van contractuele toelevering aan Westerse distributiebedrijven is opnieuw op het voorplan getreden nadat de arbeidsproductiviteit door FDI enorm was toegenomen.

De Beijing-consensus divergeert dus enorm van alle andere ontwikkelingsmodellen gerelateerd aan buitenlandse investeringen. De andere Aziatische tijgers hebben zich kunnen opwerken door de uitbreiding van binnenlandse megabedrijven met behulp van FDI. De klassieke Washington-consensus landen in het Zuiden ondergingen de gevolgen van het vrijhandelsimperialisme van Westerse landen. Binnenlandse bedrijven werden geprivatiseerd, opgekocht of weggeconcurreerd. Hierdoor kregen multinationals vrij spel op de binnenlandse markten met een algemene stijging van de armoede als gevolg. De Beijing-consensus is gestoeld op een algemene politieke controle via een economische hiërarchie, waarbij pragmatisch werd omgesprongen met de FDI. De joint-venture formule belet dus dat het buitenlands kapitaal invloed verkrijgt op de centrale overheid. Het buitenlands kapitaal heeft dus een gegarandeerde “return-on-investment” zonder dat zij enige eisen kan stellen op macro-economisch niveau. Het kredietstelsel blijft onder strenge controle van de overheid, waarbij de monetaire politiek rechtstreeks ingaat tegen de neoliberale monetaristische visie van het IMF. Voor het IMF is krediet en geld in het algemeen een exogene factor: de waarde van geld wordt niet bepaald door andere macro-economische factoren zoals werkgelegenheid of de investeringsgraad. China hanteert een duidelijk endogeen perspectief: kredietverschaffing en de muntkoers staan in dienst van economische groei. Hoewel de Chinese overheid enorm afhankelijk is van de Westerse afzetmarkten, kan een Washington-consensus dus onmogelijk worden opgelegd, vermits China een veel grotere autonomie bezit op macro-economisch vlak.

Er bestaat echter een houdbaarheidsdatum op de gevoerde politiek:”Tijdens de ontwikkeling van China als een industriële spil van de wereldmarkt ontstonden problemen, zowel op sociaal als economisch vlak. Momenteel zijn er 130 miljoen dagarbeiders zonder enige vorm van bestaanszekerheid. Dit zijn allemaal migranten afkomstig uit rurale regio’s. Deze migranten werken onder zeer zware omstandigheden en worden gediscrimineerd op vlak van loon, onderwijs en huisvesting. De algemene maoïstische politiek van sociale voorzieningen, pensioenen en gezondheidszorg zijn grotendeels ontmanteld. De snelle industrialisering heeft ook gezorgd voor enorme ecologische problemen. Op dit eigenste moment stuurt China meer broeikasgassen de atmosfeer in dan de VS. Er bestaat een nijpend gebrek aan drinkwater. De inkomensongelijk neemt onrustwekkende proporties aan. Enerzijds zijn de reële inkomens gestegen, maar de lonen houden in geen geval gelijke tred met de stijgende winsten. Dit geeft ongeziene sociale onrust als gevolg.”(2) Ook wijzen economische experts op de dalende accumulatiegraad (ratio tussen nieuwe investeringen en het bestaande kapitaal). Er bestaat vervolgens een voortdurende dreiging van overproductie.

Literatuur

*Themanummer over China: Review of Radical Political Economics, XXXXIII, 2011, 1
*David Harvey, A Brief History of Neoliberalism, Oxford, Oxford University Press, 2005
*Ellen Meiksins Wood, Empire of Capital, London, Verso, 2003
*Carl Riskin (ed.), China’s Retreat from Equality: Income Distribution and Economic Transition, New York, East Gate Books, 2001
*Alvin Y. So (ed.), China’s Developmental Miracle: Origins, Transformations, and Challenges, New York, M.E. Sharpe, 2003

Voetnoten

1. Ellen Meiksins Wood, Empire of Capital, London, Verso, 2003, pp. 133-134
2. Victor D. Lippit, ea., China’s Rise in the Global Economy, in: Review of Radical Political Economics, XXXXIII, 2011, 1, pp. 5-6

Jelle Versieren is economisch historicus verbonden aan de Universiteit Antwerpen, Centrum voor Stadsgeschiedenis

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!