Reactie op Bart De Wever: ‘Het nut van onbehagen’
Opinie, Nieuws, België, Dossier N-VA - Bart Deygers

Reactie op Bart De Wever: ‘Het nut van onbehagen’

Kunstenaars die kritiek leveren op de Vlaamse traditie, wekken een viscerale afkeer op bij de De Wever. Doordat ze ideeën poneren die de antithese zijn van de maatschappelijke norm, ontstaat wrijving en uit wrijving ontstaat evolutie. Volgens die visie wordt een kritische houding van kunstenaars niet enkel aanvaardbaar; ze wordt een noodzakelijke voorwaarde voor maatschappelijke evolutie.

maandag 24 december 2012 00:03

In zijn opiniestuk “Afbreken om op te bouwen” (De Standaard 22/12/12) geeft Bart De Wever zijn visie op de maatschappelijke functie van kunst. Volgens De Wever kan kunst niet autonoom zijn omdat kunstproductie afhankelijk is van een financierder die “return on investment” vraagt. De financierende instantie verdient dus een zeg in de kunst die geproduceerd wordt. Tot dusver de mening van De Wever, die verder in het artikel vaststelt dat bepaalde Vlaamse kunstenaars zich niet houden aan die visie. Zij gaan net in tegen de mening van een groot stuk van de bevolking en bieden dus geen return voor de belastingbetaler.

De Wever beroept zich in zijn argumentatie op grote namen: filosofen als Nietzsche, sociologen als Weber en Adorno passeren de revue. Daardoor krijgt het stuk van De Wever een aura van historisch-filosofische wetenschappelijkheid. Maar wetenschap vereist falsifieerbaarheid, dat weten we van Popper. Een theorie moet weerlegbaar zijn, maar moet die weerlegbaarheid doorstaan. De zwaartekrachttheorie bijvoorbeeld is falsifieerbaar. Pas wanneer de eerste appel in normale omstandigheden naar boven valt, moeten we de theorie bijstellen. De Wevers theorie is minder stabiel en valt te weerleggen via de methodologie die hij zelf hanteert: willekeurig namen en anekdotes gebruiken om een ideologie te staven.

Kunst, zo stelt De Wever dus, moet de investeerder return bieden. Hij heeft het dan ook moeilijk met Vlaamse kunstenaars die de Vlaamse geschiedenis ironiseren en maatschappelijke verschuivingen in Vlaanderen “argwanend waarnemen”. Nu, beteugelde kunst die niet mag ironiseren en niet mag uitdagen, is dode kunst. Regimebevestigende kunst, zoals we die kennen uit linkse en rechtse regimes is zelden boeiend, een Eisenstein en een Riefenstahl niet te na gesproken. Volgzame Noord-Koreaanse staatskunst is hoogstens een grinnik waard terwijl een Chinese kunstenaar als Cai Guo-Qiang met “Head on” de kijker uitdaagt om na te denken. In “Head On” lopen 98 wolven blind één leider na. Wanneer die leider tegen een glazen wand aanloopt, wacht de rest van de troep onvermijdelijk hetzelfde lot. Maar toch lopen ze door. Dit soort kunst past niet direct in de Chinese staatslogica, strijkt tegen de haren in, maar is net daardoor zo belangrijk.

De Wever ziet het anders: “Veel kunst acht zich niet meer gebonden door wat ooit was. Het verleden is hoogstens een inspiratiebron die men met referenties kan plunderen, maar die steeds met de nodige ironische afstandelijkheid benaderd moet worden.” Kunst borduurt volgens hem dus best naadloos verder op het verleden en biedt liefst niet al te veel kritiek op maatschappelijke trends om zo de belastingbetaler niet tegen de borst te stuiten.

De Wever verwijst in zijn argumentatie niet naar conservatieve filosofen, maar doet een beroep op een rits denkers die men niet snel associeert met zijn ideologie. Dat creëert een aura van objectieve wetenschappelijkheid, terwijl de methode hol is. De Wever neemt immers dat ene stukje Nietzsche dat zijn argumentatie staaft, maar negeert dat Nietzsche individualisme boven alles stelde en blind conformisme afkeurde. Wagner was voor Nietzsche een triest figuur, precies omdat hij zich plooide naar maatschappelijke conventies en bovendien ook nog eens gelovig was. De Wever vermeldt ook Marx, maar negeert Hegel die stelt dat een maatschappij tegenstellingen nodig heeft om te evolueren. Hij negeert ook huisfilosoof Edmund Burke die nochtans wel wat te zeggen had over kunst. Volgens Burke moet kunst “sublime” zijn. Kunst moet de kijker raken. Als kunst om dat doel te bereiken onbehagen moet opwekken, dan is dat maar zo. En het is net dat onbehagen waar De Wever nu tegen fulmineert. De Wever noemt ook Theodor Adorno. Na de gruwelen van Auschwitz twijfelde die aan de zeggingskracht van kunst. “Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben”, schreef hij, “ist barbarisch”. De Wever haalt dit citaat aan als een element in de bewijsvoering over de nutteloosheid van kunst. Het citaat bewijst echter vooral dat kunst alles in vraag kan en moet blijven stellen, ook zichzelf, ook al wekt dat onbehagen op. Meer zelfs: vooral wanneer het onbehagen opwekt.

Kunstenaars die kritiek leveren op de Vlaamse traditie, wekken een viscerale afkeer op bij de De Wever. In die mate zelfs dat hij, conservatief pur sang, die kunstenaars behoudsgezindheid verwijt. Men zou echter even goed kunnen argumenteren dat kunstenaars die ingaan tegen een maatschappelijke mainstream zich uiten als nietzschiaans individu. Doordat ze ideeën poneren die de antithese zijn van de maatschappelijke norm, ontstaat wrijving en uit wrijving ontstaat evolutie. Volgens die visie wordt een kritische houding van kunstenaars niet enkel aanvaardbaar; ze wordt een noodzakelijke voorwaarde voor maatschappelijke evolutie. In een maatschappij die kritische en zelfdenkende burgers wenst, is zo’n kunst onbetaalbaar. Van “return on investment” gesproken.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!