(foto Walterito)
Opinie, Nieuws, Politiek, België, N-VA, Vooruitgroep, Onafhankelijk Vlaanderen, Confederalisme, Verkiezingen 2014, Dossier N-VA - Vooruitgroep

De N-VA en haar ‘Slag om België’ in 2014

Nu de gemeenteraadsverkiezingen achter ons liggen en het directe electorale strijdgewoel is weggeëbd, is het volgens de Vooruitgroep tijd voor een grondige analyse van de politieke situatie, met name van de verkiezingsoverwinning van de N-VA van oktober als opmaat naar de Vlaamse en federale verkiezingen van 2014.

vrijdag 21 december 2012 10:06

Het is bekend dat de verkiezingen van 2012 voor de N-VA als Slag om Vlaanderen een voorproef moesten worden van de Slag om België, die in 2014 gestreden gaat worden. Ook de inzet is bekend: de partij wil een dermate goed resultaat neerzetten dat ze écht incontournable wordt. Ze kan de Vlaamse regering dan naar haar hand zetten, terwijl ook een federale meerderheid zonder haar eenvoudigweg niet meer gevormd kan worden.

Dat bezorgt haar dan de hefboom om het huidige België uit zijn hengsels te tillen en een confederaal België met een semionafhankelijk Vlaanderen af te dwingen. Of misschien wel een onafhankelijk Vlaanderen tout court!

In deze artikelenreeks willen we deze strategie op haar haalbaarheid en risico’s toetsen. De inschatting van de Vooruitgroep is dat de N-VA wel een strategie heeft om de volgende verkiezingen te winnen en België onbestuurbaar te maken, maar geen plan heeft dat vorm en inhoud geeft aan haar (confederaal?) project.

Wat de partij nog minder lijkt te hebben is een strategie voor de overgang van het huidige België naar de nieuwe staatsstructuur. Hier gaat het om de vraag hoe we op een liefst vreedzame wijze en met zo gering mogelijke collaterale effecten van de oude tot de nieuwe situatie zouden kunnen komen.

Zulke vragen zijn niet triviaal want de overgang van het ene naar het andere staatsmodel is een ingewikkeld proces met vele onbekende factoren, zeker in een tijd van financieel-economische crisis en internationale instabiliteit. Of zoals Wim Kan ooit zei: “Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt”. De Vooruitgroep vindt dat de burgers in dit land recht hebben op een realistische risico-inschatting rond dit project.

Geen zinnig mens zal immers bereid zijn mee te stappen in dit traject om er slechter van te worden. Een beroep op alleen maar geloof in de goede afloop, zou ongelooflijk naïef zijn. Wie een medicijn verkoopt moet de werking van het middel kennen en kunnen informeren over mogelijke neveneffecten en hoe die te beperken. De bewijslast ligt dus bij de N-VA!

Vele waarnemers hebben al op risico’s gewezen. Ze worden bijna altijd zonder verdere argumentatie weggezet als pessimisten of Belgische nostalgici die de mensen bang willen maken. Zelf blijft de partij altijd vaag over de risico’s. Waar al aan argumentatie werd gedaan, was die achteraf zo goed als altijd overdreven optimistisch, om niet te zeggen, aantoonbaar fout.

Die vaagheid en dat sussende optimisme van “ach, geloof ons maar” zijn eigenlijk onaanvaardbaar. Vandaar deze verkennende analyse, die in het laatste deel van de reeks tot tien pertinente vragen zal leiden waarop Bart De Wever en de N-VA antwoord moeten geven.

In de democratie van geïnformeerd burgerschap die wij voorstaan, hebben burgers recht op die informatie. Ze moeten de kwaliteit van de antwoorden kunnen beoordelen om de haalbaarheid van het voorgestelde project te bepalen. Daarom moeten volgens de Vooruitgroep vragen als de onze van nu tot 2014 de kern uitmaken van het maatschappelijk debat rond de toekomst van het land.

Natuurlijk is op dit ogenblik nog veel onbekend. Toch leveren de jongste gemeenteraadsverkiezingen van 2012 en de wijze waarop De Wever met zijn Antwerpse overwinning omgaat, flinke aanwijzingen op. Daarom gaan de eerste bijdragen in op de verkiezingen van 14 oktober 2012 en op de politieke situatie die daarna is ontstaan. We analyseren de ‘Slag om Antwerpen’, die in feite een Slag om Vlaanderen had moeten zijn. De Vooruitgroep ziet in die analyse weinig geruststellende elementen.

Deel 1. 2012: Slag om Vlaanderen: gewonnen of onbeslist?

Dat de N-VA de grote winnaar is van de gemeenteraadsverkiezingen staat vast. Maar heeft deze overwinning het verhoopte schokeffect opgeleverd dat voor de 2014-strategie nodig was? Is de N-VA erin geslaagd om de Franstaligen en de andere Vlaamse partijen het signaal te sturen dat het compromis belge zijn tijd heeft gehad en de Vlaamse revolutie – de verandering! – onomkeerbaar begonnen is?

Als we de commentaren op televisie de avond van de verkiezingen en die in de pers de dagen nadien bekijken, lijkt deze vraag met ja te moeten worden beantwoord. Zelfs de nuchtere Nederlandse Volkskrant was onder de indruk en vond zelfs dat de Franstalige politici nu al conclusies moesten trekken. Volgens de Nederlandse krant heeft de N-VA met haar zege bewezen de vertolker te zijn van een grondstroom. “De Vlamingen willen een ander België en zijn bereid om er een hoge prijs voor te betalen.”, zo heette het.

Is die conclusie gewettigd? Is de uitslag van de N-VA in het licht van de strategie-2014 echt zoals verhoopt? Er zijn vele redenen om daar vraagtekens bij te zetten. Toen de partij begin van dit jaar haar strategie uitzette en haar kopstukken naar voren schoof, bleek de ambitie veel groter dan alleen maar het Antwerpse Schoon Verdiep in te nemen. De N-VA moest zich niet alleen overal in Vlaanderen lokaal verankeren, maar zou ook tabula rasa maken in de grootste Vlaamse steden, niet alleen in Antwerpen, maar minstens ook in Brugge en Gent.

In alle drie de steden beschikte de N-VA over kopstukken met allure: respectievelijk partijleider Bart De Wever (Antwerpen) en de mediafiguren Pol Van den Driessche (Brugge) en Siegfried Bracke (Gent). De traditionele beleidspartijen zouden in deze drie provinciehoofdsteden even flink op hun nummer worden gezet.

Op basis van de uitslagen in 2010 leek dat ook in Brugge en Gent moeiteloos te zullen lukken. Bracke haalde toen in Oost-Vlaanderen een fenomenaal resultaat, gebruik makend van zijn bekendheid en gezag als journalist van de VRT. In het kanton Gent was de N-VA dankzij Bracke in 2010 al de grootste, met 22,15 procent van de stemmen. Bracke haalde er meer dan 12.000 voorkeurstemmen en liet daarmee iedereen achter zich.

Ook in Brugge was de N-VA met haar 25 procent voor de Kamer en 31 procent voor de Senaat al afgetekend de grootste partij. Het aantrekken van een bekend gezicht kon alleen versterkend werken.

De uitgangssterkte van de partij liet dus het beste verhopen. Toch werd de slag om Gent en Brugge onmiskenbaar verloren. Nog in het voorjaar moest Van den Driessche zich terugtrekken, nadat hij als persoon in opspraak was gekomen. Hij trad terug als kandidaat-burgemeester maar zou wel campagneleider blijven. De N-VA-lijst klokte uiteindelijk af op 19,8 procent, ruim 5 procent lager dan de uitslag van 2010. Hetzelfde gebeurde in Gent. De partij haalt er nu nog 17,7 procent. De 12.000 voorkeurstemmen voor Bracke uit 2010 zijn afgekalfd naar 8.500 in 2012.

Er is dus niet alleen geen doorbraak in die steden, de partij gaat er telkens gevoelig op achteruit. Ook de andere centrumsteden laten een genuanceerd beeld zien. CD&V blijft bovendien de leidende partij in de landelijke gemeenten. Van een tabula rasa is dus geen sprake.

In feite kan men zeggen dat generaal Bart met zijn overwinning in Antwerpen voor de strategie-2014 de meubelen heeft weten te redden. Als hij het daar niet had waargemaakt, had de N-VA de politieke mislukking van deze stembusgang niet meer kunnen verdoezelen, zelfs al zou de partij de onmiskenbare winnaar van de gemeenteraadsverkiezingen zijn gebleven.

De grote concentratie van de media op de spektakelmatch tussen Janssens en De Wever, en diens retorische en zorgvuldig geënsceneerde zegepraal op de verkiezingsavond, leidde de aandacht af van het mislukken van de slag om Brugge en Gent. De partij had haar statement gemaakt, de Vlaamse revolutie was begonnen.

Toch is niet iedereen in die mediavalkuil getrapt. Eén van die aandachtige waarnemers is Bart Maddens, vooraanstaand lid van de Gravensteengroep, en verklaard sympathisant van de 2014-strategie van de partij. Hem is het alvast niet ontgaan dat de partij globaal genomen – en voor zover vergelijking mogelijk is – amper een procent vooruit gaat tegenover 2010. De 28,6 procent die de partij haalt over heel Vlaanderen mag voor de gemeenteraadsverkiezingen indrukwekkend zijn, de score is ver weg van de 37 tot 40 procent die de jongste peilingen lieten registreren.

Uit zijn opiniestukje getiteld ‘Kroniek van een aangekondigde nederlaag?’ spreekt bezorgdheid over de goede afloop van 2014: “Maar de partij doet er, met 28,6 procent, nog een procent bij. Dit mag vandaag dan al een onverhoopt groot succes zijn, in 2014 zou het een ontgoochelende score zijn. Want daarmee wordt de N-VA niet incontournable in Vlaanderen.” Explicieter nog: “De conclusie van dit alles is dat 2014 voor de N-VA wel eens een kroniek zou kunnen worden van een aangekondigde nederlaag.”

Voor haar politieke doelstellingen is deze verkiezingsronde dus geen onverdeeld succes is geweest. Alleen de goede score van De Wever zelf in Antwerpen heeft ervoor gezorgd dat de wedstrijd voorlopig onbeslist is geëindigd en de strategie-2014 het voordeel van de twijfel krijgt. Als boegbeeld haalt De Wever in Antwerpen met zijn 37,7 procent wel een opmerkelijk resultaat. Dat resultaat in zijn eigen stad moet hij straks evenwel in heel Vlaanderen zien te evenaren!

Deel 2. Bevrijde of bezette stad? Antwerpen na 14 oktober

Laten we ons in wat volgt op de Antwerpse situatie na de verkiezingen concentreren. De Wever haalde daar dus net geen 38 procent. Dat was voldoende voor de triomftocht en het zegegebaar naar de juichende aanhang op het balkon van het stadhuis. Voor de eigen achterban heette het dat ‘t Stad misschien wel van iedereen is, maar vanavond toch “vooral van ons”.

Juist deze verklaring roept meteen een reeks vragen op. 38 procent is veel, maar het is nog steeds geen meerderheid. Zelfs in zijn eigen achtertuin heeft meer dan 60 procent van de kiezers zich niet expliciet achter De Wever en de N-VA geschaard, niet als burgemeester en bestuursploeg voor hun stad, en dus zeker niet als steunbetuiging aan de 2014-strategie of als Vlaams revolutiesignaal aan de belastingsregering’ Di Rupo en aan Franstalig België.

De eerste vraag die zich opwerpt is derhalve hoe De Wever zal omgaan met die 60 procent-meerderheid die niet voor hem en zijn partij heeft gekozen. Hoe zal hij hen bij (minstens) zijn stadsproject weten te betrekken? Hoe zal hij de andere partijen die hij nodig heeft voor zijn meerderheid bij de coalitievorming benaderen en welke speelruimte zal hij hen laten om zich te profileren en eigen bestuursaccenten te leggen?

Voor de Vooruitgroep is de vorming van een bestuurlijke meerderheid in Antwerpen en het beleid dat die meerderheid vervolgens gaat voeren een belangrijke testcase voor de wijze waarop N-VA omgaat met andere opvattingen en de publieke opinie als geheel.

De voortekenen zijn niet geruststellend. Tijdens de lange formatie na de verkiezingen van 2010 liet De Wever zich een aantal keren betrappen op uitspraken die een wel heel bijzondere opvatting over democratie verraden. Zo verzette hij zich eerst tegen onderhandelingen met alle partijen die nodig waren voor een staatshervorming. Hij wilde vooral als leider van de sterkste Vlaamse partij rechtstreeks zaken doen met zijn Franstalige tegenpool Di Rupo. Die moest een eventueel akkoord tussen hen beiden dan maar aan zijn gemeenschap ‘verkopen’, zo verklaarde hij.

Men zal zich misschien ook nog herinneren dat hij in die periode ook probeerde af te dingen op de positie van Groen, en het recht van die partij om op voet van gelijkheid met de andere partijen naar overeenstemming te zoeken. Dit verraadt een opvatting over een gespierde democratie waarin de relatief sterkste partij de lakens uitdeelt en de anderen dat maar lijdzaam moeten ondergaan.

De inzet van verkiezingen wordt daarmee zo goed als uitsluitend het bepalen van de relatieve meerderheid (die nog steeds een minderheid is). Die haalt daaruit vervolgens de legitimatie om de politieke scène te domineren en het alleenrecht te verwerven om de politieke bakens uit te zetten.

Standpunten en benaderingen die zich in de stembusgang niet als sterkste hebben kunnen manifesteren verliezen daarbij hun legitimiteit en moeten in het beste geval maar wachten tot met nieuwe verkiezingen een nieuwe kans aanbreekt. Dat komt neer op een reductionistische interpretatie van het democratische krachtenspel. De Antwerpse politiek zal de komende maanden een belangrijke testcase vormen voor deze hypothese!

Een onrustwekkend voorteken is verder de wijze waarop de N-VA campagne heeft gevoerd. Haar optreden, met name ook juist door de bewuste vermenging van het gemeentelijke discours met haar federale politieke doeleinden, heeft heel sterk polariserend gewerkt.

De grenzen van de politieke strijd zijn verlegd van een gezonde concurrentie tussen verschillende visies op de uitdagingen van een grote stad als Antwerpen, waarna vervolgens toch weer zaken kunnen worden gedaan, naar een genadeloze strijd van één tegen allen, waarbij alleen de sterkste recht van spreken heeft en de verliezers lijdzaam moeten toezien.

Op basis van de uitslag lag een coalitie tussen de N-VA enerzijds en de Stadspartij (eigenlijk SP.A en CD&V) anderzijds voor de hand. De objectieve verschilpunten in de programma’s waren beslist niet onoverbrugbaar. Bovendien vormen de drie genoemde partijen ook de meerderheid in het Vlaamse parlement en hebben ze de afgelopen jaren ook in Antwerpen samen bestuurd. Hoe komt het dan dat een samenwerking nu kennelijk meer weerstand oproept en ernstige psychologische drempels lijken te bestaan?

De persoonlijke frustratie van Janssens is onvoldoende als verklaringsgrond. Met het bewust opdrijven van tegenstellingen en het creëren van een klimaat van één tegen allen kan men misschien wel een verkiezing winnen, maar die keuze werkt sterk polariserend. Veel van die polarisatie situeert zich op de links-rechts-as. De Wever wil niet alleen een zelfstandig Vlaanderen, hij wil vooral ook een behoudsgezind, rechts beleid.

De Vooruitgroep ziet in dat alles een onrustbarend voorteken van een paradigmawissel in de politieke strategie van het Vlaams-nationalisme. Sinds het ontstaan van de Volksunie bestond de Vlaams-nationale strategie erin om te ijveren voor een zo breed mogelijke Vlaamse consensus. Alle Vlaamse partijen moesten ‘aan hetzelfde zeel trekken’ om eensgezind de Vlaamse eisen op tafel te leggen en de gewenste hervormingen af te dwingen.

De onderlinge tegenstellingen zoals tussen links-rechts of gelovig-ongelovig moesten tijdelijk worden onderdrukt en ondergeschikt gemaakt aan het verwezenlijken van het gezamenlijke doel. De traditionele Vlaams-nationale leer heeft hier zelfs een woord voor: ‘godsvrede’. De Vlaams-nationale partij vervulde in dat krachtenspel een zweepfunctie, waarmee ze de andere partijen dwong tot een zo Vlaams mogelijk profiel.

Het lijkt erop dat deze strategie vervangen is door een uitsluitend geloof in eigen kracht. Meer en meer tekenen wijzen erop dat de N-VA het samenwerkingsmodel van de godsvrede heeft verlaten en vervangen door een exclusiviteitsmodel, waarbij alleen zij in naam van Vlaanderen kan en mag handelen. De hele strategie-2014 lijkt de concrete uitwerking van dit monopoliedenken: zo groot worden dat men alles kan blokkeren en zijn wil kan opleggen.

Dat leidt echter tot grote veranderingen in het politieke krachtenveld. Deze strategie zelf zorgt ervoor dat niet alleen de Franstaligen als tegenstrevers gelden, maar ook de andere Vlaamse partijen en uiteindelijk het andere deel van het kiezerskorps en van de publieke opinie, ook in Vlaanderen zelf. Deze benadering zal bijna zeker als een splijtzwam gaan werken, waarbij het Vlaanderen dat zich niet tot de zogenaamde ‘grondstroom’ heeft verklaard mag vrezen om gedelegitimeerd en gemarginaliseerd te worden.

Zeker, de bovenstaande indrukken gelden als een voorlopige werkhypothese, die nog door de feiten bevestigd moet worden. De komende weken en maanden zullen hierover duidelijkheid scheppen. Intussen is van de kracht van verandering niet veel te merken. Het bestuursakkoord laat zich vooral lezen als voortzetting van wat de voorbij jaren was ingezet.

De enige opvallende vernieuwing is dat De Wever het allerslechtste uit de Wetstraat lijkt te hebben geïmporteerd naar de stad aan de Schelde en zijn Schoon Verdiep. Gedurende weken gedroeg hij zich als formateur die moeilijke posities moest aftasten en daarover slechts zeer cryptische uitspraken kon doen. Een theater dat ontegensprekelijk media-aandacht oplevert, maar van het politieke bedrijf vooral ook een retorisch spektakelstuk maakt.

Het is maar te hopen dat De Wever met het formateurscircus niet ook de politique politicienne naar Antwerpen zal gaan importeren. Het getrouwtrek tussen Janssens en De Wever rond Groen en het losweken van CD&V uit de Stadslijst zijn weinig verheffende voorbeelden van politieke vernieuwing. Het weren van eerst Groen en vervolgens van de SP.A verraden een grote aversie voor alles wat niet conservatief en rechts is.

Die aversie tegenover de linkerzijde zoekt de polarisatie bewust op en leidt tot een onvermogen om tegenstellingen te overbruggen. Voor het ‘staatsvormend’ project van de N-VA doet dat afbreuk aan het brede maatschappelijk draagvlak dat onontbeerlijk lijkt. Het is dus de N-VA zelf die de godsvrede doorbreekt.

Evenmin geruststellend is de houding van de partij ten aanzien van meerderheden zonder de N-VA in de districten. Dat geldt in de eerste plaats het districtsbestuur van Borgerhout, waar SP.A-Groen inmiddels een bestuursakkoord heeft gesloten met de PVDA, wat de N-VA in deze deelgemeente in de oppositie doet belanden.

De Wever en Homans trokken hiertegen fel van leer. Gaat het hier evenwel niet om een natuurlijk gevolg van een keuze voor een decentraal bestuursmodel, waarbij de stad niet enkel centraal wordt bestuurd, maar districtsorganen eigen, beperkte verantwoordelijkheden hebben? Is hier niet hetzelfde aan de hand als tussen de federale en de Vlaamse bestuursorganen, waarbij zich eveneens verschillende politieke meerderheden voordoen? In Borgerhout is SP.A-Groen nu eenmaal de grootste politieke formatie, met om en bij de 35 procent, en is het dus normaal dat zij een partner van haar voorkeur kiest.

Uit de verkiezingsuitslag komt trouwens nog een andere tegenstelling naar voren, namelijk op de as kernstad – rand. In de oude stadskern haalt de N-VA minder stemmen. Het is vooral de kleinburgerlijke rand die uitgesproken voor de N-VA opteert. Die rand wordt in de voorstellen van De Wever trouwens op haar wenken bediend, bijvoorbeeld op het gebied van automobiliteit. Het optreden van De Wever tot nu toe laat vermoeden dat de bereidheid om met zulke schakeringen rekening te houden in het beleid, zeer gering is.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!