De blinde vlek van Rudi Vranckx

zondag 16 december 2012 05:46

Geboeid keek ik naar ‘De Revolutieroute 1’ van Rudi Vranckx: technisch goed gemaakt en gepresenteerd, emotioneel aansprekend en met een fraaie galerij van personages die hun belevenissen tijdens de Arabische Lente vertellen, of hun visie daarop geven. Interviews met weerwerk, confrontaties waarin de spanning oploopt, drama!  Beelden en montage zijn gevarieerd en knap, de muziek is goed gekozen.  De journalistieke perfectie? Ik bekijk opnieuw het eerste deel, over de Jasmijnrevolutie in Tunesië, uitgezonden op 4 december 2012.

Veel aandacht gaat naar de suïcide van Mohamed Bouazizi: zijn graf wordt bezocht, zijn moeder en familie worden aan het woord gelaten, de agente met wie hij in conflict kwam wordt geïnterviewd.  Daarna komt er ook nog een interview met een jongeman die zijn zelfverbranding overleefd heeft, een verminkt, lijdend en depressief hoopje mens waar niemand interesse voor heeft, maar gelukkig wel Rudi Vranckx.

Bouazizi is snel een mythische figuur geworden, hoewel (of omdat) hij niets heldhaftigs had. Dat hij een universitair diploma zou gehad hebben, maakte hem een geschikte identificatiefiguur voor de vele werkloze jonge universitairen in Tunesië. Maar het  is een mythe, want hij had niet eens zijn secundair onderwijs afgemaakt. (1)

Mannen meppen

Interessanter nog dan zijn gefantaseerde studies is het verloop van de ruzie die hij had met een politieagente en haar collega’s. De moeder van Bouazizi houdt tegenover Vranckx een tirade over de agente: ‘Zij is de schuldige. Ze sloeg hem en spuugde op hem. Ze gooide z’n kar om en stal z’n weegschaal. En hij deed niets. Kun je je voorstellen dat een vrouw een man zo toetakelt en beschimpt? Hij was vernederd en begon te huilen en vervuld van schaamte is hij gestorven.’

Als Vranckx de agente bezoekt hoort hij een ander relaas. Bouazizi was niet zo mak als hij eerst leek: toen de agente zijn weegschaal in beslag nam omdat hij stond te verkopen op een plek waar dat verboden was, bood hij weerwerk: ‘hij rukte ze gewoon uit mijn handen’.  En die klap in het gezicht die zij hem zou gegeven hebben? ‘Dat is gewoon ondenkbaar. Een vrouw slaat een man niet. Dan had hij mij zeker geslagen omdat ik hem vernederde.’  

Welke van deze twee versies de juiste is, is moeilijk te achterhalen. De agente werd omwille van het incident drie maanden opgesloten en moest voor het gerecht verschijnen, maar ze werd vrijgesproken.

Maar ook als de klap een fabeltje is, dan nog is hij veelzeggend. Zolang een vrouw die een man in het gezicht slaat niet hetzelfde is als andersom, zit het met de gelijkheid van de seksen goed fout. Maar binnen de gebetonneerde rolpatronen van Tunesië is dat besef nog niet aan de orde. In de mythe rond Bouazizi wordt een mannelijke eer gekrenkt door een ongelooflijk vrijpostige vrouwelijke vertegenwoordiger van het regime.  Het regime ont-mant, en dat door een vrouwenhand!

De precieze omkering van deze verhouding deed zich voor in de Egyptische revolutie, toen ordediensten een vrouwelijke betoger de kleren afrukten, tegen de borsten stampten  en schopten en sloegen (o.m. te zien in deel  2 van de Revolutieroute). En ook bij de vrouwelijke opposanten die van de ordehandhavers een maagdelijkheidstest moesten ondergaan.  Ook hier wordt de eer aangetast en schaamte gecreëerd, maar het is de mannenmaatschappij die de vrouwen met geweld – met seksueel gericht geweld  – terugdringt in hun ondergeschikte positie.

Het verhaal wil dus dat de Arabische Lente begon met gekrenkte Arabische mannelijkheid, dat ze geboren werd uit schaamte.

De ene suïcide is de andere niet

Het ergste wat je bij zelfverbranding kan overkomen, is dat je het overleeft. Bouazizi bleef na zijn daad op 17 december nog leven, maar bezweek dan toch op 4 januari. Hosni Galli bleef leven, maar zwaar geschonden: een hand met geamputeerde vingers, eetproblemen, eczema… Een bedlegerig wrak, en ook hier schaamte: ‘Ik schaamde me als ik mijn moeder om geld moest vragen voor sigaretten.’ En ook: ‘Ik schaam me zo als mijn zus het ruikt als ik in bed heb geplast.’ Ook voor Galli was er de vernedering. De politie had hem afgetuigd en hem gezegd dat hij zich ook maar in brand moest steken: ‘ze vernederden me en dus stak ik mezelf in brand.’

Maar voor Galli is geen heldenrol weggelegd, zijn daad had geen impact, wekte geen interesse, hij is een vergeten figurant van de geschiedenis. Zoals vele anderen. De journalist Olivier Piot, die een uitstekend verslag schreef over zijn reis door Tunesië van 4 tot 14 januari 2011, verwijst naar een studie van het brandwondencentrum van Aziza-Othmana. Daaruit blijkt dat 15,1 percent van de opnames gevallen van zelfverbranding zijn, en dat het gaat om jongeren uit achtergestelde regio’s en buurten: ‘Deze jongvolwassenen hebben geen beroep of zijn niet-gekwalificeerde arbeidskrachten, in moeilijke levensomstandigheden. Dit geweld is synoniem voor weigering, revolte, contestatie.’ Maar: deze studie dateert al van 1998!(2 )

Voor Bouazizi’s zelfdoding waren er andere, gelijkaardige suïcides: Abdessalem Trimech  stak zich op 3 maart 2010 in brand voor het gemeentehuis van Monastir, Chams Eddine Heni koos de vuurdood op 20 november 2010 in Métlaoui. En na Bouazizi gingen de suïcides door, de dag na zijn overlijden op 4 januari had al de volgende zelfverbranding plaats, opnieuw  in Métlaoui. Tussen 17 december 2010 en 9 januari 2011 telt Olivier Piot 5 gevallen, waarvan drie mannen uit het Sidi Bouzid van Bouazizi. Waarom was het Bouazizi die de geschiedenis inging als de detonator van de Arabische Revoluties?

Een zegsman van Piot, Mohamed Khemili, verschaft een eerste element voor het antwoord.   Bouazizi  ‘is de naam van een oude stam die op de zuidflank van de regio leeft. Zijn naam is afgeleid van het woord aziz, dat de fiere betekent.’ (p. 56 ) De stam is hier nog heel belangrijk als sociaal netwerk en als machtsstructuur, en dat verklaart de sterke collectieve reactie, geprikkeld door het gekrenkte eergevoel van deze fieren. De zegsman van Piot:  ‘Mohamed heeft natuurlijk zijn gereedschap verloren, maar hij heeft vooral een oorveeg gekregen van een vrouw, een agente van de gemeente. In de cultuur van deze regio is dat een volkomen ontoelaatbare zaak!’  En Piot vat samen: ‘Geschonden eer van de jongeman, en collectieve verontwaardiging die een eerste haard van opstanden ontketent.’

De Al-Jazeerarevolutie

Een tweede element dat uitgerekend Bouazizi tot detonator zou maken, was de mediatisering. Mobieltjes legden de gebeurtenissen vast, de suïcide, de begrafenis. De beelden werden op Facebook  gezet, en flitsten door het land. De blogosfeer werd ermee gevoed, de zich uitbreidende opstanden en de toenemende en bloediger wordende repressie werden in de digitale media gevolgd.  Tunesische dissidenten maakten van Facebook hun persagentschap, verneem je bij Vranckx.

Maar er is veel meer dan dat, en het komt bij Vranckx niet aan bod. Het zijn de Arabische satellietzenders, op de eerste plaats Al-Jazeera, die de mediatisering van de opstand verzorgen. Dat wordt beschreven door Naoufel Brahimi El Mili. (3) Het is de befaamde sjeik, auteur van bestsellers over de islamitische moraal en televisiepredikant Yusuf Al-Qaradawi die daarbij een centrale rol speelt. Hij woont al een jaar of veertig in Qatar, waar Al-Jazeera het belangrijkste mediakanaal van de buitenlandse politiek is. Het schatrijke staatje concurreert met Saoedi-Arabië en werkt zich met zijn gasdollars internationaal op het voorplan. Tegenover het diepe conservatisme van de Saoedische islam schuift het Al-Qaradawi met zijn light versie daarvan naar voren: bij hem mogen vrouwen bv. wat meer dan in Saoedi-Arabië.

Het is deze ‘Dalaï-lama van de islam’, zoals El Mili hem noemt, die Bouazizi naar het firmament van de revolutionaire roem katapulteert: ‘Zijn verklaring op Al-Jazeera, meteen na de eerste week van 2011, die Bouazizi optilt tot de rang van martelaar, hitst de Arabische publieke opinie op tegen Ben Ali. Al-Qaradawi stelt de zelfverbranding voor als een daad van verzet door de zwakken, terwijl de suïcide toch formeel verboden is in de islam. (…) Op geen enkel moment van dit revolutionaire epos haalt Al-Jazeera de versie van de politieagente van Sidi Bouzid aan. Zij ontkent dat zij een oorveeg zou hebben gegeven en legt uit dat ze aan Mohamed Bouazizi geschud heeft, omdat hij in kennelijke staat van dronkenschap was en ongehoorde dingen zei, met seksistische connotaties. De oorveeg was fictief? Doet er niet toe, de zelfverbranding was reëel.’  (p. 27)

Het was ook Al-Jazeera dat vervolgens de leider van Ennahda, Rached Ghannouchi, promootte: ‘Op 30 januari 2011 was de herhaalde uitzending van de terugkeer naar Tunis van Rached Ghannouchi, stichter van de TIB (Tunesische Islamitische Beweging), voorloper van Ennahda, de grote gebeurtenis die de inspanningen van Al-Jazeera bekroonde. Als vriend van sjeik Al-Qaradawi verdient de Tunesische islamistische leider een maximale media-aandacht.  (…) Gefilmd als een rockster, wordt de stichter van de islamistische Ennahdhapartij met luid hoerageroep ontvangen. Na ‘Ben Ali, stap op’, is het ‘Allahoe Akbar’. De tiran is verdwenen, God heeft het zo gewild, en een profeet is teruggekeerd naar zijn geboortegrond om een nieuw Tunesië herop te bouwen.  Dat is de strekking van de verborgen boodschap van de Qatarse omroep. ‘ (p. 35)

De manier waarop Al-Jazeera de actualiteit stuurt mag nochtans niet opvallen. Het moet lijken alsof de revolutie uitsluitend van het volk komt. ‘Altijd weer construeert Al-Jazeera het grote verhaal van de opstand, in zijn volkse versie.’ (p. 37) Deze: ‘Dat moet je weten: het is het volk, en het volk alleen, dat Ben Ali verjaagd heeft.’ (p. 34)

Maar dat volk is wel degelijk mentaal gekneed door deze omroep, zoals een stichtend lid duidelijk stelt: ‘Die miljoenen mensen die op straat defileren, wij hebben die gevormd …  je kan je deze revolutie moeilijk voorstellen zonder Al-Jazeera’.  (4)

Dat het volk alleen Ben Ali verjaagd heeft, is ook de indruk die De Revolutieroute deel 1 probeert te wekken. De rol van Al-Jazeera, de manipulaties vanuit Qatar, ze  komen er niet aan bod. De geïnformeerde kijker vangt alleen maar heel even een hint op, als de theatermaakster Raija ben Ammar met klem zegt: ‘En niemand kan ons opleggen hoe we ons moeten gedragen. En zeker de Golflanden niet.’  Daar wordt niet op ingegaan.

De verdwenen context

Het gaat natuurlijk niet alleen om Qatar, er zijn meer spelers. Dat Frankrijk na het begin van de opstand nog hulp aan het regime Ben Ali aanbood in de vorm van politie-expertise, vernemen we bij Vranckx niet. Ook niet de nauwe connecties van de Franse politiek met het regime. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Michèle Alliot-Marie, moest begin 2011 in allerijl vervangen worden toen bekendgeraakte dat zij tijdens vakanties in Tunis met een privéjet  van de corrupte entourage van Ben Ali vervoerd werd. En wat met die illustere presidenten van de democratische republiek Frankrijk? Sarkozy die in 2008 in een speech in Tunesië juichte dat de vrijheid vooruitgang maakte? Chirac, die op bezoek in Tunesië in 2003 de versterking van de rechtsstaat loofde, en tactloos stelde: ‘Het eerste mensenrecht is het recht op eten.’ In een land waar mensen zich in brand steken van miserie of hun leven riskeren om de Middellandse Zee over te steken om de armoede te ontvluchten?

En dan de VS! Er zijn nog meer wiki- of andere leaks nodig om precies te weten welke rol ze gespeeld hebben – tenzij we moeten wachten tot ooit de archieven geopend worden. Feit is dat de stafchef van het leger zich in de VS bevindt op het moment dat de revolutie op gang komt, en dat Washington hem aanmaant om snel terug te keren. Dat de VS de Tunesische ambassadeur bij zich roepen op 7 januari 2011 om hun bezorgdheid over de sociale onrust te uiten. Dat op 24 januari de Amerikaanse diplomaat Jeffrey Feltman door het nieuwe bewind in Tunis ontvangen wordt,  dat hij Amerikaanse steun  belooft en dat de VS opeens geïnteresseerd blijken te zijn in democratisering en verkiezingen. Terwijl van de onttroonde leider van de folterende politiestaat Tunesië, Ben Ali, al in 1980 bekend was dat hij een agent was van de CIA. En dat de militaire kaders van Tunesië door de VS worden opgeleid. Uitgerekend in Stuttgart, waar AFRICOM ondergebracht is, het commando van het deel van het Amerikaanse leger dat zich op Afrika richt. Er zouden plannen zijn of geweest zijn om AFRICOM in Tunesië onder te brengen. En ook om Ben Ali van de macht te verwijderen. (Piot, p. 70)

De volksopstand kon maar slagen door het leger, dat weigerde de rebellie neer te slaan, en dat zelf rebelleerde. Dat verliep via een aantal initiatieven die niet gecoördineerd waren. Vranckx laat kolonel Samir Tarhouni van de speciale antiterreurbrigade aan het woord, die op eigen houtje (?) besliste de familie Trabelsi  te arresteren. Daarnaast was er de stafchef van het leger, net terug uit de VS, die zou geweigerd hebben het leger op de betogers te laten schieten – een voorstelling van zaken die is bekritiseerd als een PR-mythe van het leger. (5 ) En er was het maneuver van generaal Ali Seriati, verantwoordelijk voor de veiligheid van de president, die Ben Ali overtuigde het land te verlaten, een beslissende stap.

Een andere buitenlandse inmenging, direct gekoppeld aan de Amerikaanse, is die van het IMF en de Wereldbank, die Tunesië een neoliberale koers oplegden, die perfect bruikbaar bleek voor Ben Ali en de clan van zijn vrouw Leila Trabelsi om zichzelf te verrijken. De snelle partnerruil van de VS in januari 2011 is te begrijpen als een maneuver om dat neoliberalisme te redden. Dat het juist verantwoordelijk is voor de wantoestanden die tot zelfverbrandingen en opstanden geleid hebben doet er verder niet toe.

De onverwachtheid van wat te verwachten was

Vranckx wijst herhaaldelijk op de totale onverwachtheid van de gebeurtenissen in Tunis. Niemand had het zien aankomen! Maar dat is relatief. Niemand kon de concrete uitbarsting van de revolutie voorspellen, of zelfs maar dat de spanningen revolutionaire proporties zouden aannemen. Maar de conflicten zelf waren overduidelijk: ‘Ondanks het geweld dat vanuit het centrum van de staat uitgeoefend wordt tegen elk soort te expliciete sociale of politieke oppositie ontkiemen er allerlei vormen van verzet die zich in de Tunesische maatschappij ontwikkelen.’  Dat schrijft Karine Gantin in 2009, en ze geeft als voorbeeld de acties die in 2008 in het mijnbekken van Gafsa gevoerd werden. (6)

De Jasmijnrevolutie heeft inderdaad een stevige voorgeschiedenis van sociale strijd. Het oproer rond de mijnen van Gafsa dat een half jaar duurde werd voorafgegaan door scholierenacties in Gafsa in 1999, de hongeropstand van 1983-1984 (meer dan 70 doden), het oproer van Zwarte Donderdag in 1978 (200 doden), de arbeidersopstanden van 1977. Maar daarvan dringt niets door in De Revolutieroute 1. Syndicalisten of vertegenwoordigers van de studenten- of de vrouwenbeweging worden niet geïnterviewd. De revolutie is volgens Vranckx uit de lucht gevallen, en uitsluitend het gevolg van een spontane opstoot van ongenoegen.

Als ik terugblik naar De Revolutieroute 1, wordt me duidelijk wat ik mis en wat me stoort. Het romantische en onrealistische beeld van een spontane volksopstand die een dictator doet vallen verdoezelt niet alleen de realiteit van oppositioneel organisatiewerk en strijdtraditie, maar ook de greep van Al-Jazeera op het gebeuren en de buitenlandse inmenging. De werkelijkheid van de revolutie verschijnt gefragmenteerd, met veel nadruk op emotie en met veel beeldmateriaal dat kan schokken of verontwaardiging of medeleven kan opwekken, maar bijzonder weinig analyse en achtergrondinformatie. Mooie en brave televisie, maar journalistiek ondermaats.

1. James Gelvin, The Arab Uprisings, What Everyone Needs to Know, New York,  Oxford University Press, 2012, p. 42. Tot de mythe van Bouazizi behoren ook de gedichten en liedjes die door een gelijknamige universiteitsstudent online gezet werden en die furore maakten. De twee Bouazizi’s versmolten tot één heldenfiguur. Zie Wyre Davies, Doubt over Tunisian ‘martyr’ who triggered revolution, http://www.bbc.co.uk/news/world-middle-east-13800493 . De mythische wildgroei neemt groteske proporties aan in de aankondiging van een herdenkingsfilmpje op youtube, waar hij ‘de held van de natie en de grondlegger van de Tunesische democratie’ genoemd wordt en ‘de arend die het vuur brengt, de weldoener van de mensheid, de vogel die het geluk aankondigt’. Zie http://www.youtube.com/watch?v=5Nir6FcXDM8  . Elders kan je lezen dat hij een zwarte universitair gediplomeerde was: http://www.africaresource.com/rasta/sesostris-the-great-the-egyptian-hercules/mohammed-bouazizi-the-muurish-tunisian-martyr-who-toppled-the-tunisian-government-by-oguejiofo-annu/

2. Olivier Piot, La révolution tunisienne, Dix jours qui ébranlèren le monde arabe, Paris, Les petits matins, april 2011.

3.  Naoufel Brahimi El Mili, Le Printemps arabe: une manipulation? Paris, Max Milo, september 2012.

4.  Bichara Khader (coörd.) , Le ‘printemps arabe’: un premier bilan, in: Alternatives Sud 19, 2012/2 p. 34. B. Khader citeert Mohamed Krichen, geciteerd door B. Barthe in Le Monde van 7 maart 2011.

5.  Pierre Puchot, La Révolution confisquée, Enquête sur la transition démocratique en Tunisie, Essai, Paris, Actes Sud, april 2012, p. 29.

6.  Karine Gantin, Tunisie: des luttes renouvelées pour des droits inextinguibles, in : État des résistances dans le Sud 2010, Monde Arabe,  in: Alternatives Sud 16, 2009/4, p. 41-52, p. 41.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!