België - Een geschiedenis van onderuit
Nieuws, Cultuur, België, Geschiedenis, Recensie, Boekrecensie, Belgie - een geschiedenis van onderuit, Jan dumolyn, Tjen mampaey, Alltagsgeschichte, Geschiedenis van de gewone man en vrouw, Oral history - Jan Dumolyn, Tjen Mampaey

Voorsmaakje ‘België: Een geschiedenis van onderuit’

In 'België - Een geschiedenis van onderuit' veranderen Jan Dumolyn & Tjen Mampaey het cameraperspectief: ze belichten onze geschiedenis van onderuit en kijken door de ogen van de gewone mensen die deze vormgaven. De inleiding van het boek lees je hier als voorsmaakje.

woensdag 12 december 2012 10:50

Eeuwenlang schreven kroniekschrijvers en andere historiografen bijna uitsluitend over koningen, vorsten, edellieden en andere machthebbers. Het verloop van de geschiedenis werd in hun ogen bepaald door de daden van grote mannen, hun veldslagen, de verdragen die ze afsloten en de manier waarop ze hun onderdanen regeerden.

Ook de kunst besteedde alleen maar aandacht aan de elite. Het leven van de ondergeschikten vond men niet interessant. Te vulgair en te banaal. Toch vinden we ook sporen van de daden en de woorden van de kleine man in gerechtelijke stukken, egodocumenten, verhalen en zelfgemaakte liederen.

Onder invloed van emancipatorische bewegingen zoals het socialisme, het feminisme en het antikolonialisme kwam daar schoorvoetend verandering in. Sinds de jaren 1960 is er steeds meer aandacht voor de geschiedenis van de kleine man en schrijft men ook her story in plaats van his story – over de geschiedenis van de vrouw zwegen de historische bronnen meestal nog meer dan over de kleine man.

Vooral in Engeland, Frankrijk en Duitsland gingen progressieve historici aan Alltagsgeschichte doen, de geschiedenis van het dagelijkse leven. Ze bestudeerden bevolkingsevoluties, reeksen van lonen en prijzen op langere termijn en hun impact op de levensstandaard van de kleine man.

Ze veranderden het perspectief van hun camera en belichtten de geschiedenis van onderuit, de history from below. Tegelijkertijd brachten historici in vooral de Verenigde Staten en de postkoloniale wereld de niet-westerse volkeren, de people without history, voor het voetlicht. Het enige lot van deze mensen leek te zijn om gekoloniseerd en ‘beschaafd’ te worden. Hun historische ontwikkeling werd als immobiel en stagnerend beoordeeld.

Die nieuwe geschiedenis van onderuit focuste aanvankelijk op de strijd van de gewone mensen tegen hun onderdrukkers, op de organisatievormen en denkbeelden die ze daarbij ontwikkelden en op de hervormingen en revolutionaire veranderingen die ze afdwongen.

In een tweede fase kwam er meer aandacht voor de mentaliteit, de alledaagse leefwereld, de taal en cultuur van het gewone volk, het seksuele gedrag, de kindertijd, de vrijetijdsbesteding en de omgang met elkaar.

Ook bij ons leveren historici al een paar decennia een belangrijke bijdrage aan deze geschiedenis van de alledaagse leefwerelden en ervaringen. Het begrip ‘België’ is vóór 1830 natuurlijk vrij anachronistisch, men spreekt gewoonlijk over de ‘Zuidelijke Nederlanden’. De Bourgondische en Habsburgse vorsten verenigden de vroegere vorstendommen Vlaanderen, Brabant, Mechelen, Henegouwen, Luik, Namen en Luxemburg met de Noord-Nederlandse gewesten tot de Zeventien Provinciën.

Na de opstand tegen de Spanjaarden werden de Zuidelijke Nederlanden weer van het Noorden afgesplitst. Later werden ze geregeerd door Spaanse koningen en Oostenrijkse keizers, geannexeerd door Frankrijk, weer samengevoegd met Nederland en uiteindelijk door de wereldmachten na 1830 omgevormd tot het koninkrijk België.

Onze gewesten behoorden zeker niet tot de armste regio’s van Europa. Vanaf de elfde eeuw kenden het graafschap Vlaanderen, het hertogdom Brabant en het prinsbisdom Luik integendeel een grote economische groei. De landbouw bereikte er, zoals in Noord-Frankrijk, de hoogste productiviteit van heel Europa.

Het ging om een zeer arbeidsintensieve landbouw. De boeren zwoegden en ploegden om zoveel mogelijk opbrengst uit de bodem te krijgen. De lijfeigenschap verdween in de Zuidelijke Nederlanden al snel. Boeren werden vrij en polderden grote stukken land in dankzij de meest geavanceerde technieken van die tijd.

Tijdens de middeleeuwen (ca. 500 – ca. 1500) waren steden als Gent en Ieper internationaal gerenommeerde textielcentra. Brugge en Antwerpen volgden mekaar op als de belangrijkste havenstad van Noordwest-Europa. Luik voerde massaal hoogwaardige metaalproducten uit naar de rest van het continent. Buitenlandse reizigers waren vol lof over de pracht en de praal in de Zuidelijke Nederlanden op het hoogtepunt van de Bourgondisch-Habsburgse cultuur.

De mooie architectuur, dichtbevolkte steden en rijk gevulde tafels waren slechts één kant van de medaille. Veel mensen leden armoede, zeker wanneer ons vlakke land weer eens het toneel was van oorlogsgeweld en plunderende soldaten. In vele kerken prevelde men het gebed ‘A fame, peste et bello, libera nos, Domine!’ (‘Van honger, pest en oorlog, bevrijd ons, Heer!’).

Van deze drie klassieke kwalen van de pre-industriële periode sloeg vooral de pest met de regelmaat van een klok toe. Bij de eerste uitbraak van de epidemie in 1348 stierf wellicht een vierde of zelfs een derde van onze bevolking. Pas rond 1670 verdween de dodelijke ziekte definitief uit onze gewesten.

Ook een sterke bevolkingsaangroei, gecombineerd met een voedselaanbod dat niet even snel steeg, leidde tot miserie. In de achttiende eeuw moesten de Vlaamse boeren het met steeds kleinere bedrijfjes zien te redden. Het ooit zo rijke en stedelijke Vlaanderen was armer en landelijker dan de Franstalige gewesten van de Nederlanden.

De industriële revolutie ontstond in Groot-Brittannië. In onze gewesten, meer bepaald in het Samber- en Maasbekken en in het Gentse, zorgde ze aanvankelijk voor een hogere productie en meer algemene welvaart. Maar al gauw grensden de levensomstandigheden van het nieuwe proletariaat, vaak mensen die op het platteland geen werk meer vonden, aan de totale ellende.

De rijkdom van de ene kwam voort uit de uitbuiting en de armoede van de andere. Kerk en kapitaal werkten vlot samen om de boeren en het werkvolk gelovig, dom en arm te houden. Tot elke prijs trachtten ze te vermijden dat het proletariaat zich zou organiseren om op te staan tegen de onderdrukker. Toch zou de nieuwe arbeidersbeweging steeds meer van haar eisen vervuld zien, vaak dankzij een harde strijd, De democratische Vlaamse beweging kwam op voor de rechten van de Nederlandstalige bevolking die door de Franstalige burgerij werd onderdrukt.

Dit boek brengt het vele werk van Belgische historici op dit gebied onder de aandacht. We kozen bewust voor een langetermijnperspectief, vanaf de middeleeuwen tot nu. We presenteren telkens momentopnamen van het dagelijkse leven bij verschillende ondergeschikte sociale groepen. Concrete historische bronnen, originele bewijsstukken en egodocumenten zoals brieven en dagboeken brengen het verleden van de gewone mensen opnieuw tot leven.

De auteurs van dit boek, allemaal specialisten in hun vakgebied, behandelen bijna een millennium levende geschiedenis, met de klemtoon op de recentste periode. Daarover zijn we immers het best geïnformeerd. Die duizend jaar was geen periode van stilstand, maar evenmin van voortdurende vooruitgang of verbetering. Wel was het een tijd waarin veel veranderde, zowel op het vlak van technologische ontwikkelingen als in de economische verhoudingen en het demografische gedrag. Veranderingen in de sociale en politieke strijd gingen gepaard met het zelfbewustzijn bij de kleine man.

Maar wie is dat, die ‘kleine man’? Er is natuurlijk een groot verschil tussen een middeleeuwse boer en een negentiende-eeuwse fabrieksarbeidster. Zoals je ook een kleine ambachtsman uit de achttiende eeuw die zijn eigen weefgetouw bezat moeilijk kunt vergelijken met een moderne staalarbeider die enkel zijn arbeidskracht verkoopt (maar wel een hogere levensstandaard heeft dan zijn voorgangers uit vorige eeuwen).

De manier waarop mensen sociale klassen hebben gevormd, is in de loop der eeuwen ingrijpend gewijzigd. Sociaaleconomisch is de ‘kleine man’ dus moeilijk te definiëren. Binnen zo’n vaag afgelijnde groep bestonden en bestaan er nog steeds grote onderlinge verschillen, niet in het minst tussen mannen en vrouwen.

We kunnen ‘de kleine man’ wellicht beter aflijnen als diegene die niet beschikt over economische rijkdom, sociaal prestige en werkelijke politieke macht. Al moet ook dat laatste genuanceerd worden: de ‘volksklassen’ hebben lang vóór de invoering van het algemeen stemrecht wel degelijk hun stem op politiek vlak laten horen.

Misschien kiezen we nog het best voor een vage omschrijving: de grote massa van hen die in elke klassenmaatschappij eigenlijk geen stem krijgen en dus minder in de historische bronnen opduiken. ‘Die im Dunkeln sieht man nicht’, dichtte Bertolt Brecht. ‘Wie in de duisternis staat, ziet men niet.’ Dit boek geeft deze stemlozen opnieuw een stem.

Geschiedenis wordt niet per se geschreven om er het heden mee te verklaren. Toch blijft het noodzakelijk te onderzoeken hoe het vroeger met de gewone mensen was gesteld. Om de fundamentele ongelijkheid in onze eenentwintigste eeuw te begrijpen. Om in te zien hoe sociale strijd toch dikwijls resultaten heeft opgeleverd.

Als we hier over het verleden schrijven, doen we dat niet om het blindelings met het heden te verbinden. Wel proberen we linken te leggen en evoluties te bestuderen die zich tot op vandaag voortzetten. Ze kunnen op hun beurt interessant zijn voor al wie vandaag opkomt voor een rechtvaardiger maatschappij.

Zin om dit boek volledig te lezen? Je kan het in onze shop bestellen! Zo steun je ook DeWereldMorgen.be.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!