Verslag, Nieuws, Samenleving, België, Vormingsinstelling Motief, Allochtone armoede, Autochtone armoede, Klassenbewustzijn -

‘Buren zoals we ze (niet) kennen’: over ‘allochtone armoede’, empowerment en klassenbewustzijn

Allochtone armoede neemt met schrikbarende snelheid toe. Toch blijven de verenigingen waar armen het woord nemen en waar ze zich organiseren om iets aan hun armoede te doen, opvallend ‘wit’. Vormingsinstelling Motief vzw. voerde een onderzoek naar het waarom en wat er kan gedaan worden. Dit boekje is daar de boeiende neerslag van.

dinsdag 27 november 2012 13:00

Het onderzoeksopzet

Het onderzoek vertrekt vanuit twee vaststellingen.

Enerzijds is er het feit dat ‘allochtone armoede’ toeneemt. Personen van Turkse (33 procent), Oost-Europese (36 procent) en niet-Europese (37 procent) herkomst, hebben een armoede-risico dat drie keer hoger ligt dan bij Belgen (12 procent). Bij personen van Marokkaanse herkomst (54 procent) ligt dat vier keer zo hoog. Dat heeft te maken met ‘allochtone’ problemen in onderwijs en op de arbeidsmarkt (77 procent van de Marokkanen en 87 procent van de Turken heeft hoogstens een diploma hoger secundair onderwijs en 1 op 4 werkzoekenden is van buitenlandse herkomst). Maar zelfs met een diploma op zak én werk loop je als ‘allochtoon’ meer kans zwak te scoren op minstens twee armoede-domeinen: 32 procent van de niet-Europese hooggeschoolden en 46 procent van de werkende niet-Europeanen (cijfers Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting, Oases, 2011).

Anderzijds is er de vaststelling dat bestaande ‘verenigingen waar armen het woord nemen’ en andere armoedewerkingen vooral een ‘wit’ publiek hebben. Motief vroeg zich af of beeldvorming daar misschien voor iets tussen zit: hoe ‘arme Belgen’ naar ‘arme moslims’ kijken en omgekeerd; of racisme bij ‘blanke armengroepen’ misschien verhindert dat ‘gekleurde armen’ naar die groepen komen; of dat moslims een te negatief beeld hebben van niet-moslimgroepen.

De vraag of het ‘interculturaliseren van blanke armengroepen’ (meer ‘allochtone armen’ aantrekken) überhaupt de te volgen strategie is, komt later uitgebreid aan bod.

Bij het onderzoek werden vijftien middenveld-organisaties, die rond armoede actief zijn, bevraagd rond vijf thema’s. In een tweede fase van het onderzoek werden ‘moslims en niet-moslims in armoede’ gevraagd naar hun beeldvorming over elkaar: op het Kiel en in Borgerhout (Antwerpen), in Gent en Lier.  

Visie op armoede

Een eerste thema waarop de vijftien middenveldorganisaties bevraagd werden, was hun visie op armoede. Daaruit blijkt al snel de ‘diversiteit’ tussen armengroepen.

Elke subgroep heeft zijn eigen kenmerken en verhaal. Belgische generatie-armen zouden redelijk wantrouwig staan tegenover hun situatie en instanties, wat ze delen met sommige oudere groepen van Marokkanen, terwijl vluchtelingen en nieuwe armen vaak nog een sterk vooruitgangsgeloof hebben. Veel ‘arme moslims’ definiëren hun probleem niet als ‘armoede’, maar schuiven vooral discriminatie en racisme als probleem naar voor. Kinderen en kleinkinderen van gastarbeiders omschrijven hun situatie wel vaker als ‘arm’, terwijl hun ouders vaak nog vinden dat het toch ‘een verbetering is tegenover Marokko’. ‘Allochtone armen’ krijgen, ‘bovenop de armoede’, vaak nog te maken met discriminatie, racisme, taalproblemen, grote gezinnen, gezinshereniging, wantrouwen ten aanzien van organisaties, niet goed georganiseerd zijn enz.; zaken die het probleem nog ingewikkelder maken. De draagkracht binnen de ‘allochtone gemeenschappen’ (die vroeger nog solidair waren met ‘hun armen’), is door de groei van de groep ook afgenomen.

Strategie en ‘dialoogmethode’

Een tweede thema was de strategie die de organisaties gebruikten om de armoede te bevechten. Een aantal organisaties wil vooral voorzien in basisbehoeften en delen voedselpakketten en andere zaken uit. Andere organisaties willen verder gaan en focussen op de ‘maatschappelijke emancipatie’ van armen: ‘verenigingen waar armen het woord nemen’, bijvoorbeeld. In groepswerk wordt er enerzijds gewerkt aan ‘individueel empowerment’: armen sterker maken door hen weer grip te doen krijgen op hun eigen leven, hen trainen in sociale vaardigheden en hun netwerk vergroten, maatschappelijke participatie stimuleren en de initiatieven die van de groep zelf uitgaan, ondersteunen. Anderzijds wordt er ook een stap verder gezet. Met de ‘dialoogmethode’ werken armengroepen rond een bepaald thema dat hen bezighoudt en gaan daar rond in dialoog met professionals, academici en beleidsmakers, om van hen te leren, maar ook opdat het beleid meer zou vertrekken vanuit de problemen zoals ze ervaren worden door armen zélf.

Levensbeschouwing

Een derde thema was levensbeschouwing, waarbij bleek dat weinig ‘blanke’ armenorganisaties hier expliciet mee bezig zijn: en dat terwijl veel ‘allochtone armen’ zich net wél in religieuze organisaties groeperen. Hoewel het soms ook fatalisme in de hand werkt, geeft God en geloof voor velen de kracht om, ondanks alles, verder te gaan.

Trouwens opvallend is ook hoe sterk ‘arme allochtonen’ georganiseerd zijn, maar niet rond hun armoedeproblematiek: in kerken en moskeeverenigingen, maar ook in verenigingen voor emancipatie van etnisch-culturele minderheden. Voor de creatieve hulpverlener-in-armoede ligt hier mogelijk een toegangspoort. Het stuk rond ‘interculturaliseren’ komt hier op terug.        

Beeldvorming en klassenbewustzijn

Het vierde thema -beeldvorming- gaat naar de kern van het onderzoek. Volgens armenorganisaties zien hun autochtone armen de allochtone armen vooral als ‘profiteurs’, terwijl allochtone armen de autochtone armen als ‘sukkelaars’ bestempelen.

Ook in de groepssessies met allochtone en autochtone armen blijkt hoe negatief de twee groepen tegenover elkaar staan. Waar middenklassers het vaak hebben over ‘gelijkheid tussen man en vrouw’, hoofddoeken en ‘scheiding tussen kerk en staat’, hadden de autochtone armengroepen het vooral over andere ‘problemen met moslims’: onveiligheid bijvoorbeeld, ‘gewoon als gevoel’ of ‘vanuit de dingen die ze op televisie zien’, maar ook vanuit de ‘ervaringen die ze hebben met moslims in hun buurt’. Velen wonen samen in dezelfde achterstandswijken. Ze hebben stereotype beelden over ‘netwerken’ die bij moslims beter werken: soms met nostalgie over de eigen verloren gegane netwerken, soms met angst over ‘die moslims die hun achterban snel weten te mobiliseren’, soms ook omdat ze ooit hulp van zo een netwerk ontvingen. Ook over dienstverlening zijn de meningen verdeeld: enerzijds het gevoel ‘dat die moslims voorrang krijgen bij het OCMW’, anderzijds bij sommigen ook het besef dat ze beiden in hetzelfde schuitje zitten en de vijand misschien ergens anders zit. Of zoals een arme Gentenaar het verwoordt: ‘Ik heb het gevoel dat ze ons tegen elkaar uitspelen: sociale woningen, voedselbanken enz. We worden van bovenaf tegen elkaar uitgespeeld.”

Ook de groepen moslims in armoede waren negatief; maar niet zozeer over ‘hun armoede’ of de arme niet-moslims, maar over hoe heel de samenleving naar moslims kijkt.

Discriminatie bij dienstverlening, wonen en werk, komen steeds terug. OCMW’s en andere sociale organisaties zetten ‘allochtonen’ -in hun ogen- achteraan. ‘Als het een ‘Peter’ is, dan doen ze er alles voor; als het een ‘Mohammed’ is, dan niet. Dat is sinds dat ‘Bin Laden-gedoe’. Er wordt ook gezegd dat organisaties geen moeite doen om hen te verstaan, al zouden ze het wel kunnen. “Ze behandelen ons als uitschot en misleiden ons omdat we niet zo goed Nederlands spreken; en als een Belg gaat solliciteren, is er veel werk, maar als een Marokkaan belt, dan zeggen ze: er is geen werk voor u.”  

Hoe genuanceerd het ook is: moslims en niet-moslims hebben een negatief beeld van elkaar. Arme moslims en niet-moslims zien elkaar bovendien als concurrenten. Op zich is dat niet zo vreemd: in onze neo-liberale samenleving wordt de te verdelen koek steeds kleiner. Het ‘individueel schuldmodel’ (als je arm bent, is dat omdat je niet genoeg moeite hebt gedaan) en racisme worden als ideologie gretig ingezet om mensen tegen elkaar op te zetten. De échte verantwoordelijken van de armoede -het kapitalisme als arm makend systeem en de superrijken die steeds minder herverdelen- worden uit de wind  gezet. Dat armen dit verdelend en racistisch discours overnemen, is iets wat je in elke samenleving ziet.

Maar zo gaan we er natuurlijk niet geraken. Zolang ‘allochtone armen’ en ‘autochtone armen’ elkaar als vijand blijven zien, zal er niks veranderen. Goeie ouwe Karl Marx schreef al dat een groeiende arme klasse ‘op zich’ niet voldoende is om sociale strijd te doen losbarsten. De mensen van die klasse moeten zich er ook van ‘bewust’ zijn. Allochtone en autochtone armen moeten inzien dat ze samen in eenzelfde schuitje zitten én een gemeenschappelijke vijand hebben: een samenleving die hen arm maakt. Dan pas kunnen ze samen, als klasse, de sociale strijd aangaan.

Maar om tot dat besef te komen, is nog veel werk nodig. Armenorganisaties geven aan dat ze weinig rond wederzijdse beeldvorming spreken, omdat dat ‘niet tot hun doelstellingen behoort’, terwijl het ontmaskeren van racisme, als ideologie om armen te verdelen, net wél een opstap kan zijn naar collectieve strijd. Allochtone en autochtone armen delen meer dan dat ze verschillen. Ze worden beiden bestookt met het ‘individueel schuldmodel’. Ze wonen vaak in dezelfde achterstandswijken en worstelen met hetzelfde gebrek aan betaalbare en degelijke huisvesting, problemen rond toegankelijke gezondheidszorg, achterstandsversterkend onderwijs, lage scholing en te weinig jobs. Het wonen in eenzelfde (achterstands)wijk kan, naast ‘etnische strubbelingen’, ook een broeihaard zijn van collectief verzet vanuit die wijken.

Dat klinkt natuurlijk allemaal heel mooi op papier; de praktijk is vaak andere koek. Hoe collectieve strijd van onderuit organiseren, bekijkt het rapport in een laatste thema: ‘interculturaliseren’.

Interculturaliseren als strategie?

Een laatste thema van het onderzoek is dat van het ‘interculturaliseren’ en ook de vraag of het een oplossing zou zijn om de ‘blanke’ armenorganisaties meer open te stellen voor ‘allochtone armen’.

Sommige ‘blanke’ organisaties geven aan dat er praktische drempels zijn. Zo is de ‘dialoogmethode’ erg talig en mogelijk een drempel als je geen gemeenschappelijke taal spreekt. Anderen vragen zich af of ‘allochtone armen’ wel vragende partij zijn om bij ‘blanke armengroepen’ te komen. De bevraagde ‘arme moslims’ geven dan weer aan dat de Vlaamse organisaties onvoldoende inspelen op hen als doelgroep, maar dat ze anderzijds ook niet graag komen omwille van de thuis-cultuur van de Maghrebijnen, taalverschillen, omwille van een verminderd sociaal contact tussen ouders en kinderen en het  ‘zich niet goed voelen in de Belgische samenleving.’

De ‘blanke armenorganisaties meer openstellen voor allochtonen’ blijkt dus niet zo simpel, misschien zelfs ongewenst. Hoe kan dan wél aan collectieve strijd van onderuit gewerkt worden?

Ten eerste door ‘armen’ meer te ondersteunen in hun eigen organisatie, zelfs al definiëren ze hun ‘probleem’ niet als armoede. Mensen verenigen zich rond een concreet gedeeld probleem. De grote analyses komen pas achteraf. Arme mensen zonder papieren verenigen zich om papieren te krijgen; arme migranten verenigen zich tegen discriminatie en racisme; Vlaamse generatie-armen verenigen zich rond een falend OCMW- of huisvestingsbeleid. Er is nood aan veel meer van dat soort basisgroepen én professionele ondersteuning daarin. ‘Ondersteunen’ veronderstelt op dat moment ook hulpverleners die vanuit een bepaalde basishouding met mensen willen werken: een houding van ‘presentie’, beschikbaar zijn voor mensen; samen met mensen een proces willen gaan; vanuit een houding van gelijkheid en gelijkwaardigheid (geen ‘hulpverlener-cliënt-verhouding’ maar een ‘mens-naast-mens-verhouding’); niet oordelen over mensen of hun keuzes; samen met mensen het probleem definiëren én zoeken naar oplossingen die binnen het referentiekader en de mogelijkheden van mensen zelf liggen. Humor, flexibiliteit, relativeringszin en véél geduld zijn noodzakelijke voorwaarden.

In die groepen worden mensen sterker, leren ze het woord nemen, worden ze terug ‘opgepompt’ na vaak jarenlang platgeslagen te zijn door het systeem. De veiligheid van de groep doet hen weer openbloeien en ze krijgen terug goesting om rechtop te komen.

Ten tweede moet in die groepen zelf -naast het ‘concreet probleem’- gewerkt worden aan een ‘klassenbewustzijn’: het besef dat jouw probleem voortkomt uit een groter economisch systeem, dat andere armen niet ‘de concurrent’ zijn maar net dezelfde problemen én een gemeenschappelijke vijand delen. Het rapport biedt een paar methodiekjes aan -‘het verhaal van de onzichtbare ladder’ en ‘troefkaarten’- waarmee je spelenderwijs aan dat besef kan werken.

Dat kan beginnen in ‘armengroepen’, maar evengoed bij moskeeverenigingen of ‘culturele organisaties’, die meer rond socio-economische achterstelling van hun doelgroep zouden kunnen gaan werken. Maar hulpverleners moeten hun ‘culturaliserende visie’ evengoed bijstellen. Al te vaak wordt armoede bij allochtonen gekaderd vanuit ‘hun cultuur’, terwijl ze vaak het gevolg is van maatschappelijke structuren die ook Belgen arm maken; meer linken zien tussen je cliënten en hen beginnen organiseren op die linken: ‘deculturaliseren’ dus. 

Ten derde moeten die verschillende basisgroepen elkaar meer vinden, in een collectieve strijd rond dezelfde problemen. Allochtone én autochtone armen zullen enkel vooruit gaan als er structureel iets gedaan wordt aan de wooncrisis (meer sociale woningen, controle van huurprijzen, invoeren huurtoelages, oplossing van administratieve drempels enz.), tewerkstelling (meer jobs voor laaggeschoolden), meer opleiding op maat en onderwijs (meer middelen voor ‘intercultureel onderwijs’ ed.).

Die problemen delen ze trouwens met een steeds groter wordende groep mensen: de 99 procent, die andere belangen heeft dan de 1 procent superrijken, die door hun neo-liberaal beleid onze wereld steeds meer naar de afgrond duwen. De ‘armenstrijd’ zal enkel succes hebben als hij zich kan aansluiten bij de grotere sociale strijd die nu door de wereld raast. Verschillen in cultuur en levensbeschouwing kunnen erg snel overstegen worden, als mensen structureel leren kijken naar het ‘grotere plaatje’.

Erg mooi op papier maar in de praktijk vaak mierenwerk. Maar zoals dezelfde goeie ouwe Karl Marx schreef: ‘we hebben niks te verliezen, tenzij onze ketenen en we hebben een wereld te winnen’.   

Literatuur

Motief vzw, Buren zoals we ze (niet) kennen: moslims en niet-moslims onderaan de ladder, 2012

Vranken J., Dierckx D. e.a., Jaarboek Armoede en sociale uitsluiting, Oases, Acco, 2011

Seurs R., ‘Armen bepalen mee het armoedebestrijdingsbeleid’, in ‘Armoede in Brussel’, Béghin J. (red), EPO, 2006

Sam Mampaey

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!