Stadslandbouw, eindpunt of ontwikkelingsweg?
Opinie, Nieuws, Milieu, België - Geert Iserbyt

Stadslandbouw, eindpunt of ontwikkelingsweg?

Stadslandbouw is hip! In de groeiende trend van ecologisch bewustzijn en transitie-denken –vooral in de stedelijke omgeving- neemt ook de maatschappelijke interesse voor allerlei vormen van zogenaamde ‘stadslandbouw’ toe. Maar in die golf van hernieuwde interesse van de stedeling voor de oorsprong van ons voedsel of het zelf produceren ervan, gebeuren allerlei dingen die niet zo duurzaam en ecologisch zijn als ze lijken ....

dinsdag 20 november 2012 10:47

‘De band tussen stad en land’

Het is al langer duidelijk dat maatschappelijke veranderingen in de richting van een meer ecologische leefwijze vaker en makkelijker in ‘de stad’ tot een trend worden dan op het platteland. Dat mag dan enigszins verwonderlijk lijken, toch is juist de vervreemding van de natuurlijke omgeving voor velen in de stad een motor voor bewustzijnsontwikkeling en veranderend gedrag. Je zou kunnen stellen dat wij vaak pas bewust iets naar waarde schatten en dat ook actief willen beschermen als we het moeten missen, als het bedreigd wordt of wanneer het niet meer vanzelfsprekend aanwezig is. Tevens biedt de stad een vrijere sociale en culturele omgeving waarin je makkelijker tegen de stroom in een nieuwe beweging kan vormen.

Dat in deze tijd een hernieuwde belangstelling voor landbouw en gezonde voeding vooral in en rond de stad ontstaat, is dus heel begrijpelijk. In die beweging past het ook om niet enkel je voeding die god-weet-waar duurzaam werd geproduceerd in de stedelijke supermarkt aan te kopen, maar ook een nieuwe vorm van verbinding ermee te willen aangaan. De bewuste consument in de stad –lees: de consument die stedelijk leeft; die kan net zo goed landelijk wonen- wil dus graag z’n voedsel weer zien groeien en als het enigszins kan (soms) zelf oogsten. Daar waar het moestuinieren tot voor kort een bezigheid voor senioren aan het worden was, is er een nieuwe belangstelling van jonge gezinnen om zelf –liefst in een collectieve tuin- groenten, fruit of kleinvee te kweken.

Consequente ecologische afwegingen ivm transport en energie maken bovendien duidelijk dat de herkomst van ons voedsel zich best zo dicht mogelijk bij onze woonplaats bevindt. Het groeiende transitie-denken en het toenemende streven om een klimaatneutraal stedelijk beleid te ontwikkelen, wijzen uit dat we opnieuw de steden moeten gaan voeden met voedsel dat liefst zo dicht mogelijk rond – of i n- de stad werd gekweekt.

Kortom: er zijn in hoofdzaak 2 grote argumenten vóór ‘stadslandbouw’: verbinding en nabijheid.

Verbinding & educatie

Verbinding met de bronnen van ons bestaan is essentiëel. Niet enkel omdat we dan ook het bewustzijn ontwikkelen dat we die bronnen zorgzaam dienen te beheren, maar ook omdat contact met de oorsprong van het leven onze eigen levensvisie en levenskwaliteit rechtstreeks beïnvloedt. Wie weet hoe het leven in bodem, plant en dier zich ontwikkelt en daar ook een eigen verbinding mee heeft, staat ook zelf evenwichtiger en gezonder in het leven. In een wereld waar straks 80 procent  van de mensen in een stedelijke omgeving woont, is dat geen eenvoudige opgave. De wereldwijde landbouwcrisis toont ons onomwonden wat er gebeurt als een samenleving het contact met de landbouw verliest. Dat éne percentje boeren (van de actieve bevolking in het westen) die voor al de rest voedsel verbouwt, staat voor een erg moeilijke opdracht.

Juist daarom ontwikkelen vele biologische en biologisch-dynamische boeren een nieuwe band met hun klanten. Nergens is de korte keten zo actief als in bio-land. De recente Korte-Keten-brochure van BioForum en het rapport over CSA van de Vlaamse Overheid zijn er getuigen van. Maar de stedelijk wonende en levende mens wérkelijk uit de stad naar het land lokken en hem daar wérkelijk een verbinding met de oorsprong van z’n voedsel laten aangaan of beleven, is niet zo simpel als het lijkt. Enerzijds vraagt dit van de hardwerkende en onderbetaalde boer nog maar eens extra werk en aandacht (recent berekende de Boerenbond nog dat de gemiddelde boer zowat 50 procent verdient van de gemiddelde loontrekkende en vaak dubbel zoveel uren presteert per week). Anderzijds reist de stedeling die kiest voor gezonde voeding, vaak moeiteloos rond in Europa of de rest van de wereld, maar blijkt die 15 of 20 Km naar de bio-boerderij, waar z’n voeding vandaan komt, toch een behoorlijk grote drempel.

Het is dus niet onverstandig om in de stad zelf, plaatsen te creëren waar mensen opnieuw zelf hun voeding kunnen telen, zien groeien, oogsten en samen verzorgen, niet in het minst voor de kansarmen in die stad die amper of nooit de stad verlaten.  Dat kan in terras- en balkontuinen, daktuinen, dakserres, plantenbakken in alle vormen en maten -van bloempotten tot containers- die verharde pleintjes in de stad omtoveren tot moestuinen, collectieve volkstuinen die worden aangelegd op vervuilde sites die worden afgegraven, afgedekt met een zeil en dan weer worden aangevuld met een laag teelaarde, …. noem maar op. En laten we in die rush naar ‘stadslandbouw’ ook nog een beetje oog houden voor het geheel: het plaatsen van dakserres in de stad met daarin hydrocultuur mag dan wel zuiver op het vlak van energieverbruik een bepaalde ‘winst’ kunnen aantonen, dit kan je in z’n geheel bezwaarlijk duurzaam of gezond noemen. De educatieve waarde ervan is bovendien nihil!

Want de grote waarde van deze stadslandbouw-initiatieven is hun educatieve functie. Ze maken het mogelijk om opnieuw een eerste contact te maken met natuurlijke processen, het ritme der seizoenen, het plezier van eigen voedsel telen. In de aanpak en communicatie rond al deze initiatieven zou naar mijn mening dan ook het educatieve aspect centraal moeten staan. Laat zoveel mogelijk mensen gebruik maken van de mogelijkheden die de stad op dit vlak kan bieden. Zorg ervoor dat àlle stadsscholen de ruimte krijgen om kinderen en jongeren zelf voedingsgewassen te laten telen; als het niet anders kan in bakken en potten. Maar laten we vervolgens wel eerlijk en nuchter blijven: met die symbolische productie gaan we de stad niet voeden!

Landbouw?

Met alle respect, maar wat mij betreft kan je heel wat van de activiteiten die nu betiteld worden als ‘stads-landbouw’ bezwaarlijk landbouw noemen. ‘Stadslandbouw’ heeft zelfs op één of andere manier een spontaan ‘groen’ imago. In tegenstelling tot de grootschalige en ‘vervuilende’ landbouw buiten de stad, lijkt de stad opeens de veilige niche waarin men weer gezond en duurzaam voedsel kan telen. Als dat de inherente boodschap wordt rond ‘stadslandbouw’ die de stedeling oppikt, is z’n vervreemding pas echt een feit!

Landbouw is het bebouwen van het land; daar is in eerste instantie letterlijk een bodem voor nodig en een landschap. En boeren die met kennis van zaken en een continue zorg op duurzame wijze voedsel telen. Vooral die continuïteit is niet zo vanzelfsprekend in de stad. Want de stedeling is een vrij mens en gaat in de zomer ook graag eens op vakantie. Maar als je groenten in plantenbakken staan en het een hele poos niet regent, blijft van je goedbedoelde teelt niet veel meer over dan uitgedroogde planten. Ook dat is een realiteit van de ‘stadslandbouw’, die ik al een aantal keren onder ogen heb gezien.

Nederland heeft een politieke partij die opkomt voor de rechten van dieren. Voor zover ik weet hebben ze er nog geen partij die opkomt voor de rechten van planten. Maar als zo’n partij zou bestaan, zou ze naar mijn gevoel in eerste instantie opkomen voor het recht voor planten om in een natuurlijke bodem te kunnen groeien en liefst ook – zoveel mogelij k- in open lucht. Het telen in potten, bakken, containers en opgevoerde lagen grond, kan daar niet aan voldoen. Ik vind het prima als we spreken over stadstuinen, volkstuinen, daktuinen, groentenbakken en dies meer, maar laten we het woord ‘landbouw’ behouden voor een activiteit die op een zekere schaal wordt uitgevoerd, met continue zorg en die minstens plaatsvindt in een natuurlijk gevormde en diep doorwortelbare bodem – waar nodig met een tunnel of serre erop -.

Toekomst

Wat voor mijn part juist wél de naam ‘stadslandbouw’ zou moeten dragen, is het grote potentiëel aan zogenaamde ‘Community Connected Farms’ en CSA-initiatieven in de stedelijke rand of de nabije omgeving van de stad. Meer nog: dat lijkt mij de werkelijk te ontwikkelen ‘stadslandbouw’, nl de landbouwgordel die in de directe omgeving van de stad vers en snel te transporteren voedsel produceert voor de naburige stad, een directe band aangaat met de mensen uit die stad én daar bovendien een eerlijke prijs voor vraagt én krijgt.

De toekomst van wat men momenteel ‘stadslandbouw’ noemt, ligt in het her-verbinden; het openen van de stadspoorten voor de stedeling naar het omringende platteland enerzijds én voor de producten van dat omliggende platteland naar de stad anderzijds. Een nieuwe lokale band, zowel in de productstroom als in het bewustzijn tussen consument, boer en land.

Dat betekent ook dat landbouwgrond in de omgeving van steden bij voorkeur zou moeten (her-)bestemd worden voor lokale productie. Dat is waar bijv. de actie rond het Leuvens Parkveld voor pleit en waar men ook in Gent over nadenkt en in Mechelen en …. Er zijn zo vele gebieden in en rond de Vlaamse steden en verstedelijkte gemeenten.

Als we dan ook nog dmv gerichte aankoop met bijv. een Bio-Grondfonds deze gronden effectief en duurzaam kunnen bestemmen voor biologische landbouw, lijkt mij het woord ‘stadslandbouw’ een waarlijk duurzame en zinvolle term.

Geert Iserbyt is actief bij Landwijzer vzw

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!