Meer werk voor jongeren door minder werken van ouderen
Opinie, Nieuws, Economie, België, Jongerenwerkloosheid, Werkgelegenheidsbeleid, Geert Noels, Eindeloopbaan, Lege portemonnees -

Meer werk voor jongeren door minder werken van ouderen

Minder werken voor ouderen door bijkomende vakantiedagen, bijvoorbeeld 12 extra vakantiedagen voor 58-jarigen en 24 voor 60-jarigen: deze maatregel is minstens kostenneutraal. In de non-profit bedraagt de uitstroom bij 50- tot 59-jarigen een derde van die in de profitsectoren. Bijkomende vakantie, waarbij jongeren in vervanging komen, werkt. Dat is de conclusie van de 'Werkgroep 50+' op de studiedag van de Lege Portemonnees in Gent van 26 oktober.

woensdag 31 oktober 2012 12:30



Belgische bevolking naar statuut 2011

Hierbij de gedocumenteerde inleiding zoals gereedgemaakt en in discussie gebracht voor de studiedag van de Lege Portemonnees, de ABVV- en ACV-jongeren, de KAJ, en de Beweging van mensen met een laag inkomen over activering, degressiviteit van de werkloosheidsuitkering, precair werk en precaire groepen, en ook het zoeken naar tewerkstelling voor kansengroepen.

1. Cijfers   

Cijfers doen spreken zodat ze een kracht worden in handen van wie zijn belang wil verdedigen, zodat die slimmer wordt dan degene van wie men zijn belang moet afdwingen, dat is de uitdaging voor elke socioloog. Met dank voor de uitnodiging die toelaat om uniek en nog nooit gepubliceerd materiaal dat essentieel is voor de eindeloopbaandiscussie, onder de aandacht te brengen.

2. Deze uiteenzetting vraagt een minimale voorkennis

– Weten wat een frequentieverdeling is: een frequentieverdeling geeft weer hoe vaak elk van de mogelijke waarden of klassen is waargenomen, bijvoorbeeld de verdeling van een bevolking volgens ouderdom (van bijvoorbeeld 15 tot 64 jaar)
– Een percentage: een teller gedeeld door een noemer, zodat de mate waarin een kenmerk voorkomt zichtbaar wordt
– De grafische voorstelling van een frequentieverdeling langs een lijn, de weergave en projectie ervan op een vlak.
– Enig abstractievermogen: je kunnen voorstellen dat iemand die 28 jaar is in 2009, er 30 is in 2011
– Enige vertrouwdheid met Excel (rekenblad), iets dat allicht al in het lager middelbaar wordt verworven..
 
Met deze voorkennis, die er een is van lager middelbaar-niveau, kan al het volgende begrepen worden.

3. Gegevens per leeftijdsjaar voor alle NACE sectoren op 5 digit

In OESO-statistieken worden gegevens weergegeven per categorie van vijf leeftijdsjaren. Er kan dus geen evolutie van jaar tot jaar worden weergegeven. Het is echter essentieel om per leeftijdsjaar het voorkomen van een bepaalde toestand (werk, werkloosheid…) te kennen en deze leeftijdsjaar per leeftijdsjaar te meten. Pas dan heeft het zin om voor ruimere categorieën vast te stellen wat de evolutie gedurende een of meerdere jaren geweest is.

Zo weet men bijvoorbeeld hoeveel werkenden van 55 jaar men in 2010 nog terugvindt bij de 56-jarige werkenden in 2011, en dit voor de 916 sectoren in de NACE2008-opdeling, die een indeling maakt van elke activiteit in elke economische sector (de NACE of Europese activiteitennomenclatuur vormt het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa, nvdr.).

4. Statuut van de Belgische bevolking tussen 15 en 64 jaar

Maar eerst een beeld geven (op basis van cijfers van 31/12/2011, dus uiterst recent) van de verdeling van de Belgische bevolking per leeftijdsjaar en dit volgens statuut. Sommige gegevens zijn van voor 2011, maar in hun leeftijdsspreiding zijn ze vergelijkbaar of werden ze geëxtrapoleerd tot 2011.
 
In bovenstaande grafiek wordt de Belgische bevolking geschetst met telkens een band met een specifiek statuut. Voor de basistabel met cijfergegevens, zie: Statuut van de Belgische bevolking per leeftijdsjaar tussen 15-64 jaar.
 
De verschillende statuten:

 
  1. Bovenste lijn: totale Belgische bevolking – de top van de bevolkingsboom (nu 49 jarigen) is binnen 15 jaar 65.
  2. RSZ-Tewerkstelling – Loontrekkende tewerkstelling met aangifte aan de Rijks Sociale Zekerheid.
  3. RSZ-PPO Tewerkstelling – Loontrekkende tewerkstelling bij Lokale en Provinciale besturen.
  4. RSVZ-Tewerkstelling – Tewerkstelling als zelfstandige, in hoofdberoep.
  5. UVW+AVW – Uitkeringsgerechtigde Volledige werkloosheid + de Andere Volledig Werklozen (opleidingen enz.)
  6. Werkloosheid onder het uitdovend statuut van Oudere Werklozen 50+, er komen geen nieuwe meer bij.
  7. Werkloosheid onder het statuut van Brugpensioen, nu Werklozen met een Bedrijfstoelage genoemd.
  8. Statuut Ter Beschikking Gestelde (TBS) in het onderwijs, hetgeen vergelijkbaar is met Brugpensioen.
  9. (Volledige) invaliditeit in de private sector.
10. Vervroegd pensioen om medische redenen (invaliditeit bij ambtenaren).
11. Inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten – Ter info: Colloqium over tegemoetkomingen op 06/12/2012.
12. Ambtenarenpensioenen.
13. Pensioen in de private sector.
14. De nog niet of nooit actieve bevolking (verschil tussen alle voorgaanden en de totale bevolking).
 
Door het op elkaar leggen van deze activiteitsstatuten wordt per leeftijdsjaar de werkzaamheidsgraad zichtbaar (percentage binnen elke leeftijd van wie werkt op de totale bevolking van elke leeftijd) alsmede het verlies aan werkzaamheid voortkomend uit de bovenliggende statuten.

Binnen de werkzaamheid wordt ook zichtbaar hoe de samenstellende delen zijn, bijvoorbeeld dat tussen 60 en 64 jaar bijna de helft van de werkzaamheid geleverd wordt door zelfstandigen, en dat het onzin is te spreken over de werkzaamheidsgraad van 55-plussers, gezien het extreme verschil tussen 55- tot 59-jarigen en 60- tot 64-jarigen.

Voor de basistabel, zie Statuut van de Belgische bevolking per leeftijdsjaar tussen 15-64 jaar, waar ook de berekening van de werkzaamheidsgraad en het aandeel van loontrekkenden en zelfstandigen per leeftijdsjaar gemaakt wordt.

5. Volledige werkloosheid per leeftijdsjaar

De volledige uitkeringsgerechtigde werkloosheid bestaat grosso modo uit 4 statuten:

1. De Uitkeringsgerechtigde Volledig Werkzoekenden en niet werkzoekende UVW (o.a. in opleiding)
2. De werkloze 50-plussers onder het aflopende oude stelsel
3. Bruggepensioneerden, de doorn in het oog van Noels en co., voor wie de werkloosheid de vorm aanneemt van een liggende ezel.
4. Volledig tijdskrediet of Loopbaanonderbreking.

Volledig Tijdskrediet of Loopbaanonderbreking is vooral tussen 25 en 45 jaar aan de orde, voor gezinsvorming en voor vrouwen. Het volledig TK/LBO is praktisch niet aanwezig in de eindeloopbaan. Het opbod rond eventuele afbouw van TK/LBO getuigt dan ook van volledige onkunde of van misogynie.

Een nader toekijken op de alle leeftijden omspannende band van de werkloosheid (gele vlak) leert dat de werkloosheid tussen 24 en 35 de hoofdbekommernis moet zijn. Maar ook dat tot 60 jaar er in feite geen specifiek probleem is, de oude 50+ regeling zal zich jaar na jaar zelf ontbinden.

De piek van de Ter Beschikking Stelling (brugpensioen van het onderwijs) betreft enkele leeftijdsjaren, terwijl het brugpensioen om een divers aantal redenen nog een opvang biedt voor wie het werken te veel geworden is, of die brutaal van de arbeidsmarkt gekuist wordt.

Evidente oplossingen in plaats van het opgeblazen eindeloopbaandebat

Eerder dan ouderen (terug) aan het werk te krijgen is het best jongerentewerkstelling aandacht te geven, maar meer nog dan dat te werken aan de 2 enige uitwegen:

1. Werknemers langer aan het werk houden door het werken minder belastend te maken, dat wil zeggen bijkomende vakantiedagen zonder inkomensverlies, en deze vakantiedagen invullen met jongerentewerkstelling.
2. De niet-actieve bevolking mobiliseren voor tewerkstelling, met daarin ook de gouden reserve van de migratie en haar dochters.
Daarin liggen evidente oplossingen voor het met lucht opgeblazen einde loopbaandebat.

6. Minder werken door bijkomende vakantiedagen

Zoals in de non-profitsectoren kan het werken minder belastend gemaakt worden door bijkomende vakantiedagen. Men zou bijvoorbeeld een algemene regeling kunnen uitwerken met toekenning van bijvoorbeeld 12 bijkomende vakantiedagen op 58 jaar, 24 op 60 jaar en 36 op 62 jaar, en dit voor alle werknemers die aan het werk blijven.

Een werknemer die afhaakt kost een werkloosheidvergoeding plus opleg van brugpensioen of Canada dry (dit is een andere naam voor pseudo-brugpensioen, een aanvullende vergoeding die soms wordt toegekend bovenop de werkloosheidsuitkering, wanneer niet aan de toetredingsvoorwaarden voor het brugpensioen is voldaan, nvdr.), en levert niets meer op aan de sociale zekerheid of de belastingen.

Met de winst door verdere tewerkstelling van 1 werknemer kunnen voor 4 werknemers de bijkomende vakantiedagen betaald worden. Het is een systeem dat globaal budgettaire winst oplevert, en in het slechtste geval kostenneutraal blijft. Door de financiële injectie kunnen jongeren in vervanging komen voor de vakantiedagen: Jongeren aan het werk door minder werken van ouderen!

7. Instroom en uitstroom tewerkstelling per leeftijdsjaar per sector tussen 2009 en 2011

Zie Tabel 1: Loontrekkenden 2008-2011 nr leeftijd en NACE2008. Gezien de gegevens van 31/12/2008 tot 31/12/2011 beschikbaar zijn (met dank aan de RSZ en een mecenas, gegevens RSZ-PPO zijn gratis), kunnen de berekeningen van in- en uitstroom gebeuren op 1, 2 of 3 jaar. 2008 wordt uit deze berekening gehouden omdat de evolutie 2008-2009 ‘crisis’evolutie is en dus te vertekenend (op zich is dit gegeven natuurlijk zeer interessant, maar daar gaan we hier niet op in).

Evolutie op 1 jaar kan toevallig zijn, zodat geopteerd wordt voor een evolutie op 2 jaar, dus tussen 2009 en 2011 en dit voor elk leeftijdsjaar en voor elke sector met loontrekkende tewerkstelling, met het detail voor de autoassemblage.

7.1. Het ‘patattenmesje’ van de OESO en het beleid en de scalpel van npdata

De OESO, de Commissie van vergrijzing en de ronde Tafel van de tewerkstelling en al wie zich er op beroept gebruiken in feite ‘patattenmesjes’ om de werkelijkheid te dissecteren, en niemand die er om maalt.

Op basis van het beschikbaar gestelde RSZ- en RSZ-PPO-materiaal wordt echter chirurgisch fijnapparatuur ontwikkeld om na te gaan waar de werkzaamheidsgraad lekt, waar niet en dit tot op het niveau van elke deelsector volgens de NACE2008 sector-classificatie op 5 digit.
 
7.2. Een noodzakelijke correctie op de RSZ-gegevens
 
Alle gegevens komen van de officiële statistiek van RSZ, RSZ-PPO en andere administraties. Voor één sector heeft de RSZ, na invoering van de NACE2008 indeling in 2008 een ook voor hun statistische verantwoordelijken volledig onbegrijpelijke beslissing genomen.

Tot 2009 werd een goed deel van de dienstencheque-tewerkstelling namelijk onder “andere maatschappelijke dienstverlening” bij de  Quartaire sector (88999) geklasseerd, een andere deel bij de Tertiaire sector als “Reiniging van gebouwen” (81210), zoals door Europa vereist wordt.

Vanaf 2010 werd de dienstenchequestewerkstelling onder de “Maatschappelijke dienstverlening” getransfereerd naar de “Reiniging van gebouwen”, zonder evenwel de aantallen in 2008 en 2009 aan te passen. Dat is dus door ons gebeurd, rekening houden met een equivalente verdeling over alle leeftijden. De gedetailleerde en totale gegevens voor Tertiair en Quartair zijn op die manier terug vergelijkbaar geworden.

In de tabel worden deze gewijzigde cijfers, die het totaal niet beïnvloeden, in schuine druk weerggegeven.
 
7.3. Zichtbaar maken van instroom en uitstroom
 

Om een adequaat en vergelijkbaar beeld op te hangen van de tewerkstelling en de in- en uitstroom in de verschillende sectoren, wordt voor een bepaalde periode (hier twee jaar) nagegaan wat de theoretische tewerkstelling zou geweest zijn indien alle werknemers aan het werk zouden blijven en er niemand was bijgekomen.

De toestand voor 2009 wordt dus doorgeschoven naar 2011. De werkelijke situatie in 2011 wordt daar dan bovenop gelegd zodat in het verticale vlak duidelijk wordt waar de instroom en waar de uitstroom gebeurt. Door deze situatie te ‘projecteren’ op een vlak wordt het volume van deze in- en uistroom visueel in beeld gebracht. Hieronder worden de verschillende stappen nog eens uitgelegd en geïllustreerd voor de totaalgegevens en voor de twee laatste stappen ook met de Autoassemblage.

7.3.1. Verdeling van werknemers per leeftijd tussen 15 en 64 jaar in 2009
 
Hier wordt de verdeling zichtbaar van werknemers volgens leeftijd tussen 15 en 64 jaar. Elke sector heeft specifieke kenmerken waarin het verleden langs de leeftijdsopbouw zichtbaar wordt en kan verduidelijkt worden. Grafiek leeftijd 2009.
 
7.3.2. Grafisch beeld van deze groep in 2011 als niemand bijkomt of weggaat

Doorschuiven van deze grafiek van 15-64 naar 17-64 jaar (de 63 en 64-jarigen van 2009 vallen nu buiten de leeftijdaflijning). Grafiek leeftijd 2009 doorgeschoven naar 2011.

7.3.3. Uitzetten van de effectieve verdeling van tewerkstelling in 2011

Door hier de grafiek bovenop te zetten van de 15-64 jarigen die op 31/12/2011 in dienst zijn wordt het volume duidelijk van wie bijgekomen en wie weggegaan is en dit per leeftijdsjaar. Boven de hypothetische lijn als niets gewijzigd zou zijn, is instroom, onder deze lijn is uitstroom. Grafiek leeftijd 2009+2jaar en 2011
 
Ter illustratie en gezien de actualiteit geven we een beeld van de leeftijdsverdeling in de automobielassemblage. In 2009 werkten er nog 21.859 werknemers, in 2011 19.547 of 2.312 minder, voor het beeld zie Verdeling.

Autoassemblage is een sector met vooral oudere werknemers, (meer nog dan de sommige overheidsdiensten!) met de laatste 2 jaar brugpensioen op 55 jaar als systeem, zie de terugval op 55 jaar. Voor iemand uit de autoassemblage is 50 jaar maar enkele jaren vroeger, voor Noels en co een geconstrueerd drama om de gehele regeling op de helling te zetten. Instroom van jongeren in de autoassemblage is de laatste 2 jaar (en ook vroeger) quasi nihil en dan nog enkel vooral voor min-25-jarigen, eens 29 jaar begint de uitval die de laatste twee jaar over de ganse carrière werd uitgesmeerd. Deze uitstroom is beter zichtbaar in de ‘projectie’ van instroom en uitstroom hieronder (zie punt 7.3.4)
 
7.3.4. Projectie van de tewerkstellingslijnen in- en uitstroom

Boven de basis is instroom en eronder uitstroom. Veel meer dan in de ‘opstaande grafiek’ wordt in de projectie duidelijk op welk jaar instroom in uitstroom overgaat en in welke mate dit gebeurt. Projectie leeftijd 2009+2jaar en 2011.

De uitstroom de laatste 2 jaar is, zelfs zonder collectief ontslag, wezenlijk in de autoassemblage. Werknemers of bedrijven hebben in feite al langer dan vandaag geanticipeerd op de komende drama’s, zie In- en uitstroom.

Werknemers in de autoassemblage zijn ‘elitearbeiders’, decennialang worden zij langs strenge selecties overal in het land uitgezocht en ‘s nachts met bussen naar de fabrieken gevoerd. Zowel voor educatief verlof als voor brugpensioen nemen zij de grootste hap uit het budget, alsmede tal van andere maatregelen, en bij collectief ontslag verdienen zij ook een ‘elite’regeling.
 
Het sociale systeem destabiliseren of versterken?

Dat de Noelsen van deze wereld de ‘eliteregelingen’ aanpakken om de regeling voor alle werknemers te destabiliseren geeft goed aan dat de wetenschappelijke en managerselite geen kaas gegeten hebben van solidariteit en ethisch bewustzijn.

Dat N-VA vooral aanleunt bij deze krachten die de sociale-, bestaans- en inkomenszekerheid willen ondergraven of onderschikken aan de eisen van het op winst en concurrentie gerichte bedrijfsleven en haar aandeelhouders zal de partij geen windeieren leggen.

Het verdedigen van de arbeiders en werknemers die nu hun job zien verdwijnen in de autoassemblage heeft daarentegen de betekenis van een strijd voor het behoud van de voordelen die voor allen gelden en voor de grondvesten van het sociale systeem.

8. Algemeen overzicht tewerkstellingsevolutie, in- en uitstroom

8.1. Detailbeeld per sector (een greep uit de 916 NACE2008 subsectoren)

Voor een gedetailleerde tabel met een 30-tal sectoren met linken naar de leeftijdsverdeling en de in- en uitstroom, zie de publicatie van de inleiding als BuG 173.

8.2. Enkele vaststellingen voor concrete sectoren met interessante perspectieven voor kansengroepen
 
– De Post,
met haar uiterst eigenaardige leeftijdsopbouw. Binnen 6 jaar zal de post te maken krijgen met een extreem personeelstekort dat enkele jaren zal aanslepen – een unieke kans voor elkeen die op zoek is naar werk voor kansengroepen, dichtbij huis, gedragen door de bevolking en van relatief lage kwalificatie. Verdeling  In- en uitstroom

De Lijn, MIVB, Tec, met een instroom over alle leeftijdsjaren en vooralsnog beperkte instroom voor jongere werknemers. Het is ook een sector met een meerderheid aan oudere werknemers, dus dat belooft voor de toekomst. Zeker De Lijn heeft nog wat goed te maken bij werknemers van vreemde afkomst gezien zij, mét akkoord van de vakbonden indertijd, ‘vreemdelingen’ onwettig hebben uitgesloten van contractuele arbeid. Dat vooral de talrijke oudere werknemers nog altijd wat ‘verzuurd’ zijn kan tegen deze achtergrond geen verwondering wekken. Verdeling  In- en uitstroom

– Overheidsdiensten waar de komende 15 jaar bijna de helft of een goed deel van het personeel met pensioen gaat:
    – Defensie:  Verdeling  In- en uitstroom
    – Bewakers in gevangenissen: Verdeling  In- en uitstroom
    – Politie: Verdeling  In- en uitstroom
    – Brandweer: Verdeling  In- en uitstroom

Intermezzo: Het uniform

Niet toevallig betreffen deze eerste drie puntjes allemaal (overheids)beroepen met een ‘uniform’, hetgeen maakt dat de toegang in het verleden, soms onwettellijk, afgesloten was of bemoeilijk werd door corporatisme of exclusies ten aanzien van inwoners van vreemde afkomst.

Door de niemand sparende veroudering komt men na 20 à 30 jaar echter op het punt dat deze fijne, werkzekere en maatschappelijk nuttige beroepen niet meer kunnen onthouden worden aan de gekleurde medemens. Meer nog dan in andere beroepen zal er een gestage evolutie op gang komen waarin deze geüniformeerde beroepen meer en meer zullen ingevuld worden door allochtonen.

Het betreft daarbij jobs die mede het symbool zijn van veiligheid en dienstbaarheid in de samenleving, die dus een hoge graad van allochtone tewerkstelling zullen kennen. Wie rond zich kijkt, en zeker in De Lijn en ook al bij de Post, ziet daar de tekenen van.

– Onderwijs redt (al jaren) zichzelf, kijk maar: Verdeling  In- en uitstroom

– Non-Profit – Al het geroep om een tekort aan personeel ten spijt, is de non-profit de meest expansieve sector die sinds 15 jaar en ook de laatste 2 jaar, voor alle bijkomende jobs ook het personeel vindt.

In feite organiseert de gezondheids- en Welzijnssector zelf haar tekort, door onnuttige functies, zoals ‘zorgkundige’ te creëren die inhoudelijk en baremiek niets bijbrengen, door (nog altijd) de twijfel te laten bestaan om het HBO5 (gediplomeerd verpleegkundige) de toegang tot het verpleegkundig beroep te ontzeggen, en vooral ook door 2.350 logistiek assistenten in de zorgomgeving (cijfers VDAB 09/2012) werkloos thuis te laten zitten, terwijl zij in het beroepsonderwijs, het alternerend leren en ook door de VDAB in speciale cursussen van 350 uren, speciaal opgeleid zijn om het verzorgend en verpleegkundig personeel te ontlasten van logistieke taken in de zorgafdelingen.

Een justinjob-kwalificatie begint met een ontlasten van verzorgenden en verpleegkundigen van logistieke taken. Dat het beleid in zorgvoorzieningen deze krachtige personele input van logistieke assistenten in de zorgomgeving laat liggen is een echte schande.

Vraag is ook waarom Fons Leroy (VDAB) en Mieke Vanhecke (Katholiek onderwijs) hier eens geen alarmkreet laten horen tegen zoveel onwil van de werkgevers om werk te maken van deze logistieke functie die mede door Jozef Pacolet (professor KUL), de SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) en de Sociale Fondsen (met betoelaging van de opleidingen) op de kaart is gezet.

Waar blijft de vakbond om hier, langs een bijkomende sociale maribel eens een stootje aan te geven? Het zou het op 24/10/2012 afgesloten Sociale akkoord voor de Federale gezondheidssectoren (Nl)  (in het Frans), toch nog enige kleur kunnen geven.

In het akkoord wordt trouwens met geen woord gerept over de 13de maand waarvan in het Vlaams akkoord gemiddeld 94 procent gerealiseerd wordt. Het personeel van de bejaardenhomes komt in 2014 over naar Vlaanderen en die kijken nu al uit naar de upgrade van hun eindejaarspremie tot 94 procent van een 13de maand.

Of worden de bejaardenhomes een Vlaamse sector met ‘Belgische’ barema’s en eindejaarspremie? Het ziekenhuispersoneel zal deze evolutie, die aan hen voorbijgaat, gelaten moeten ondergaan.  Verdeling  In- en uitstroom

– Uitzendsector, komt in dit overzicht naar voor als een kleine marginale sector die meer blaft dan wild vangt: Verdeling
   In- en uitstroom

– De Bouw is een stabiele sector die ook de laatste jaren meer en meer jonge mensen blijft aantrekken die over het algemeen hun ganse leven in de sector blijven werken, zonder veel uitstroom die pas na 50 op gang komt en na 55 jaar enig volume krijgt: Verdeling   In- en uitstroom

– De Horeca is een jaar op jaar expansieve sector die vooral jonge mensen aantrekt die er dan ook blijven, de onheilsberichten waarmee de sector zich momenteel in de aandacht brengt ten spijt: Verdeling  In- en uitstroom

– In de Maatschappelijke Dienstverlening is de personeelsinstroom van 30- tot 50-jarigen in de residentiële sector relatief beperkt, zie Verdeling  In- en uitstroom, maar zeer hoog in het niet-residentieel segment, zie: Verdeling  In- en uitstroom.

De instroom van jongeren in de residentiële sector is hoog, maar niet expansief (dus niet elk jaar verhogend). In de niet-residentiële sector, die tot voor 10 jaar een sector met eerder oudere werknemers was (mede door de instroom op oudere leeftijd), is de instroom de laatste jaren ook sterk aan het verjongen, hetgeen goed nieuws is voor de kansengroepen en jongere werklozen.

– Elkeen kan de grafieken bekijken, er nieuwe opmaken voor andere sectoren en tot zich laten doordringen.

9. Algemene tewerkstellings- en uitstroomgegevens

In onderstaande tabel worden voor de profit- en non-profitsectoren en voor de secundaire, tertiaire en quartaire sector de algemene tewerkstellingsgegevens, evolutie, aandeel op het totaal en voor de uitstroompercentages samengebracht. Het zijn alle afgeleide gegevens uit de basistabel: Loontrekkenden 2008-2011 nr leeftijd en NACE2008 (17MB) die we hier vooral ter informatie geven. Enkel op de uitstroom van oudere werknemers gaan we verder in.

Voor de tabel, zie de publicatie van de inleiding als BuG 173.

10. Eindeloopbaanregeling in de non-profit maakt het verschil

10.1. Einde loopbaanregeling non-profit zorgt voor 3 keer lagere uitval tussen 50 en 59 jaar

Zonder in te gaan op dit vanuit diverse oogpunten interessante materiaal is de vaststelling cruciaal dat de in de non-profitsectoren (Gezondheid, Welzijn en Cultuur) de uitval tussen 50 en 39 jaar met -2,25 procent meer dan 3 keer lager ligt dan deze in de profit-sectoren, waar -7,29 procent is uitgestroomd van de 48- tot 57-jarigen in 2009, die in 2011 dus 50- tot 59-jarigen zijn.

De meetpunten zijn 31/12/2009 en 31/12/2011, dus zeer recent. Het is zelfs zo dat tot 53 jaar er een bijkomende instroom is van werknemers naar de non-profit sector. De eindeloopbaanregeling in de non-profit is het enige essentiële verschil dat voor dit excellente resultaat kan aangebracht worden.
 
10.2. De eindeloopbaanregeling non-profit trekt mensen aan in plaats van voor schaarste te zorgen

Als de werknemers geteld worden in 2011 die dan 50 tot 54 jaar zijn en die 48 tot 53 jaar waren in 2009, dan is er een positief saldo, dat wil zeggen: in vergelijking met hun aantal in 2009 is er een stijging met 0,42 procent.

Dat wil ook zeggen dat, in tegenstelling tot wat de werkgevers of bepaalde beroepsgroepen zeggen, er géén vlucht is uit de sector, ook niet in de eindeloopbaan, integendeel, dat er tot 53 jaar zelfs een positief saldo is van de in- en uitstroom en dat er juist werknemers op latere leeftijd bijkomend aangetrokken worden om in de non-profitsectoren te komen werken.
 
10.3. Bouw de eindeloopbaanregeling uit voor alle sectoren op 58, 60 en 62 jaar
 
Na 60 jaar is er ook een uitstroom uit de non-profitsector (-27,68 procent) die evenwel nog een derde lager ligt dan in de andere sectoren, waar ze -40,38 procent bedraagt. Op 60 jaar werken er verhoudingsgewijs méér mensen in de non-profit juist omdat ze langer aan het werk gebleven zijn, maar deze grotere groep blijft dus nog langer aan het werk.

Om voor alle werknemers een perspectief op langer werk te geven is het toekennen van 12 bijkomende vakantiedagen op 58 jaar, nog eens 12 dagen op 60 jaar (dus 24 in het totaal) en nog eens 12 op 62 jaar (dus 36 in het totaal) de sleutel voor langer werken die ook toelaat dat er meer jongeren voor de vervanging van deze dagen ingeschakeld worden.

Eindeloopbaandagen: een dubbele win-winsituatie

Een goed deel van de bijkomende aantrek van jongeren in de non-profitsectoren komt voort uit de vervanging van de eindeloopbaandagen.

Dit geeft eenvierdubbel voordeelvoor de sociale zekerheid en de overheidsinkomsten: de oudere werknemers blijven werken en RSZ en belastingen afdragen en men moet hen geen brugpensioen of werkloosheid betalen, de jongere werknemers betalen op hun beurt RSZ en belastingen en voor hen dient geen werkloosheidsvergoeding of andere specifieke maatregelen meer voorzien te worden.
 
10.4. Schakel de Fondsen voor Bestaanszekerheid in voor het beheer
 

Het inschakelen van de Fondsen voor Bestaanszekerheid in de andere dan non-profit sectoren moet ervoor zorgen dat de rekening sluitend is, namelijk dat voor elke euro geïnvesteerd in bijkomende vakantie, er bijkomende tewerkstelling op het terrein gerealiseerd wordt. Ook hiervoor kan men beroep doen op de rijke ervaring van VESOFO, de Vereniging voor Sociale Fondsen in de non-profit.
 
10.5. Activeer de pensioenbonus
 
De pensioenbonus kan omgezet worden in een ‘actief’ budget waarbij het werken voor oudere werknemers langs bijkomende vakantiedagen verlicht wordt in plaats van een bijkomende pensioenopleg die mensen moet lokken om langer te werken in een even zwaar en belastend werk.

Activeer de pensioenbonus zodat de oudere werknemers geactiveerd blijven en worden. Zoals reeds gesteld is gans deze toekenning van 12 bijkomende vakantiedagen, telkens op 58, 60 en 62 jaar, budgettair opbrengend of minstens kostenneutraal.

11. Allochtonen

De organisatoren hebben er nauwgezet op gelet om het woord ‘allochtonen’ niet te gebruiken, misschien worden ze gesponsord door De Morgen? Ook in de eigen teksten zijn ze niet terug te vinden. Toch bestaan ze en zullen zij de komende decennia meer en meer de gewone, de kansentewerkstelling, evengoed als de precaire tewerkstellingen bemannen en meer en meer ook bevrouwen.

De Marokkaanse jongens in de uniformen van de overheidsdiensten – “geeft ne Marokkaanse gast werk met een uniform en de wereld zal beter worden”, zo zei me ooit de voorzitter van een Marokkaanse jeugdhuis – en de dames met hoofddoek aan de kassas van de warenhuizen, of, zoals in Engeland, het verkeer regelend op de kruispunten. In feite hoeft niemand zich daar zorgen over te maken. Het zal gewoon gebeuren.

12. IJkpunten om resulaten van beleid na te gaan

Wil men beleid evalueren, dan dienen ijkpunten uitgezet die toelaten resultaten op een concreet en gedetailleerd niveau te meten. Wat is de impact van eindeloopbaanmaatregelen, zoals in de non-profitsector, het generatiepact, de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen, de tewerkstelling in de autoassemblage …?

Tot op het niveau van elk van de 916 NACE2008 sectoren kan de evolutie van de tewerkstelling nagegaan worden, onderscheiden naar RSZ en RSZ-PPO, voor elk leeftijdsjaar en, zo men wil, opgemaakt per gewest. Alle materiaal is hiervoor bij npdata aanwezig. Wie er op of aan wil werken moet het maar laten weten.

Met dank voor jullie aandacht.

Tabel 1: Loontrekkenden 2008-2011 nr leeftijd en NACE2008
Tabel 2: Statuut Belgische bevolking per leeftijd 15-64 jaar   

Naschrift 1: Rad van tong een rad voor de ogen
 
Men kan zich afvragen waarom al de goed omkaderde studiediensten, commissies, universiteiten, professoren… nalaten om het elementaire materiaal zoals hier getoond, op te vragen en te verwerken.

Is uit het luiheid dat ze na verloop van tijd het OESO-materiaal afwachten, dat weliswaar de vergelijking maakt met andere landen, maar algemene gegevens ophoest die het detail en de nuance wegvagen?

Materiaal dat toelaat de bevolking en de goedmenende burger een rad voor de ogen te draaien, maar hen de kennis onthoudt die hen opstandig kan maken tegen bijvoorbeeld het alsmaar hogere opbod dat Bart De Wever doet met pseudokennis, demagogische napraat en op racisme lijkende uitlatingen ten aanzien van de Waalse medeburgers waarbij het anticommunisme niet ver af is.

Is het “op profiteren gerichte, corrupte, linkse, niet-hard werkende, op het zweet van anderen terende jodendom” verrezen in het Walendom? Mag het een andere plaat zijn?
 
Naschrift 2: Is “Vernoelsing” geen groter gevaar voor een welvarend Vlaanderen dan ‘Wallonisering’?

Jan Hertogen is socioloog.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!