Tijd voor mondiale sociale bescherming

Tijd voor mondiale sociale bescherming

woensdag 24 oktober 2012 15:12

Terwijl de Belgische regering op zoek gaat naar besparingen ter waarde van 800 miljoen euro en Ford Genk zijn deuren sluit wegens de ‘te hoge loonkost’ in België stelt Olivier De Schutter – de (Belgische) bijzondere rapporteur van de Verenigde Naties over het recht op voedsel – voor om een wereldfonds voor sociale bescherming op te richten. De Schutter formuleert dit voorstel samen met zijn Chileense collega Magdalena Sepùlveda, bijzondere rapporteur van de Verenigde Naties over extreme armoede en mensenrechten. Het voorstel is hier te vinden: http://www.ohchr.org/Documents/Issues/Food/20121009_GFSP_en.pdf

Het is een voorstel dat de Hélène De Beir Foundation al eerder lanceerde, al stellen wij voor om te beginnen met een wereldgezondheidsfonds, en dat uit te breiden naar wereldfonds voor sociale bescherming. Volgens ons zou een wereldgezondheidsfonds een bijdrage van 0,1% van het bruto nationaal product (bnp) van de hoge inkomenslanden vragen; voor België zowat 400 miljoen euro per jaar. Een wereldfonds voor sociale zekerheid zou 0,35% van het bnp van de hoge inkomenslanden vragen; 1.400 miljoen euro per jaar. Zijn wij helemaal gek geworden als we voorstellen dat de Belgische regering 400 tot 1.400 miljoen euro meer zou uitgeven, terwijl die net 800 miljoen euro wil besparen en de loonkost wil verlagen? Toch niet. Want er is niet alleen het argument dat armsten ter wereld niet moeten opdraaien voor de mondiale financiële crisis – we hebben al een halve eeuw geleden beloofd om 0,7% van ons bnp aan internationale solidariteit te besteden. Er is ook het argument dat een mondiaal regime voor sociale bescherming ons op termijn meer bespaart dan kost.

Een ‘te hoge loonkost’ is een relatief begrip: het betekent iets als ‘loonkost hoger dan elders waar productie in voor de rest vergelijkbare omstandigheden mogelijk is’. Het zou dus ook kunnen dat de loonkost elders ‘te laag’ is. Onze regeringen richten hun pijlen echter op de verlaging van de loonkost. Tussen 2000 en 2009 daalde de belastingdruk in België van 45,1% van bnp naar 43,4% van het bnp – dat maakt 1,7%. U heeft dit niet gevoeld? Dan bent u niet bij de topverdieners; die hebben de korting wel gevoeld. Niet veel? Het is wel 6.800 miljoen euro, of meer dan zeven keer het gat in de begroting die onze regering probeert te dichten, bijna vijf keer meer dan wat nodig is voor onze bijdrage aan een wereldfonds voor sociale zekerheid, en 17 keer meer dan wat nodig is voor een wereldgezondheidsfonds.

Opeenvolgende regeringen hebben de belastingdruk verlaagd, in de hoop dat in België gevestigde bedrijven daardoor competitiever geworden. Is dat gelukt? Helaas, zo blijkt alwaar, in Genk! In de Europese Unie daalde de gemiddelde belastingdruk van 40,4% van het bnp in 2000 naar 38,4% van het bnp in 2009 – een daling met 2% (tegenover 1,7% in België). Produceren in België werd goedkoper, maar niet snel genoeg. Cijfers zijn hier te vinden: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/cache/ITY_OFFPUB/KS-DU-12-001/EN/KS-DU-12-001-EN.PDF, pagina 180. 

De belastingdruk in België naar beneden halen om competitiever te worden in Europa is dus een beetje doen zoals de hond die zijn eigen staart probeert te vangen. Het lukt nooit, en toch moeten we blijven proberen, want de kloof tussen België en de rest van de Europese Unie mag niet te groot worden. Maar het probleem eindigt niet aan de grenzen van de Europese Unie. De kloof tussen de sociale bescherming in de Europese Unie en de sociale bescherming elders in de wereld moet ook worden dichtgereden. En dat kan op twee manieren:* De Europese Unie past zich aan, en aanvaardt de veel lagere standaard die elders gebruikelijk is;* De Europese Unie probeert zijn standaard als internationale standaard te doen aanvaarden – een mondiale vrije markt economie, waarin de kleinere helft van alle inkomsten wordt afgeroomd en herverdeeld.

Een belastingdruk van 40% van het bnp is niet overal ter wereld haalbaar, toch niet onmiddellijk. Wel haalbaar zou zijn de belastingdruk in lage inkomenslanden naar 20% van het bnp evolueert, tegen 2030 bijvoorbeeld, en dat minstens de helft daarvan gaat naar sociale bescherming gaat. In alle hoge inkomenslanden zou de belastingdruk terug naar 40% van het bnp kunnen evolueren – als alle hoge inkomenslanden hetzelfde doen ontstaat er geen competitiviteitprobleem. En in midden inkomenslanden zou de belastingdruk ergens tussen 20% en 40% van het bnp moeten liggen, volgens afspraak.

Zoiets kan niet worden afgedwongen; uiteindelijk staat het elk land vrij om zelf – en liefst democratisch – te bepalen hoe hoog de belastingdruk moet zijn. Wel haalbaar is dat de landen die willen meedoen een soort ‘club van sociaal verantwoordelijke landen’ vormen, en elkaar preferentiële handelsvoorwaarden toestaan (lees: handel met landen die geen lid van de club willen worden afremmen). Landen mogen zelf kiezen of ze meedoen met de club, maar de landen die wel lid van de club willen zijn hebben ook het recht om elkaar voorrang te geven in hun handelsrelaties.          

Van zodra we zoiets zouden overwegen en voorbereiden zullen nogal wat ontwikkelingslanden ons verwijten dat we sociaal beleid gebruiken als drogreden voor plat protectionisme. Daar kunnen we tegen inbrengen dat gezondheid, onderwijs, en andere vormen van sociale bescherming mensenrechten zijn, en alle landen dus juridisch verplicht zijn om daarvoor voldoende belastingen te innen. Maar dat kunnen we enkel geloofwaardig stellen als we ook erkennen dat diezelfde mensenrechten ook internationale verplichtingen doen ontstaan – dat de rijkste landen de armste landen moeten bijstaan, net zoals de rijksten in een land de armsten in dat land moeten bijstaan. Ongeveer 0,35% van het bnp van de hoge inkomenslanden – de helft van wat die al decennia geleden hebben beloofd – zou volstaan om essentiële sociale bescherming te financieren in lage inkomenslanden, voor zover die landen het spel meespelen en hun belastingdruk verhogen naar 20% van het bnp.              

Als België tien jaar geleden de oprichting van een wereldfonds voor sociale bescherming had gesteund, als hefboom voor een club van sociaal verantwoordelijke landen, dan had onze regering vandaag wellicht 6.800 miljoen euro meer inkomsten, per jaar. Het is nog niet te laat om in die richting te evolueren, maar we moeten toch niet al te lang meer wachten. We kunnen beginnen met een wereldgezondheidsfonds; daarvoor is 0,1% van ons bnp nodig, of 10 cent van elke 100 euro die we produceren.

Gorik Ooms

Afgevaardigd bestuurder

Hélène de Beir Foundation 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!