Zijn ‘autochtonen’ per definitie blanken?
Diversiteit, Zuid-Afrika, Apartheid, Antiracisme, Beschaving. Het Westen en de rest, Allochtoon -

Zijn ‘autochtonen’ per definitie blanken?

zaterdag 6 oktober 2012 12:24

Terwijl de discussie woedt in België over het gebruik van het woord ‘allochtonen’, krijg ik een vraag van een Nederlandse uitgever toegestuurd. “Zijn Afrikaners per definitie blanken?” wil hij weten. De grondslag van de apartheid was de tegenstelling tussen blank en ‘niet-blank’. Uitleggen waarom Afrikaners niet meer  ‘per definitie’ maar toch blanken zijn, leidt bijna onvermijdelijk tot het debat over ‘allochtonen’. En tot de conclusie dat met het afschaffen van het negatief gedefinieerde ‘allochtoon’ nog altijd zijn positieve tegenpool, de ingewortelde notie van ‘autochtoon’- en haar synoniemen – overeind blijft, de notie van wij en ‘niet-wij’, dat verdacht veel lijkt op blank en ‘niet-blank’. Als tweepolige notie is die fundamenteel verschillend van diversiteit.

Zo nu en dan schrijf ik over Zuid-Afrika, een land waar ik hechte banden mee heb en dat ik nog geregeld bezoek. Vandaar de vraag, maar bij het lezen ervan wist ik niet of ik moet lachen of huilen. Ik heb de apartheid gekend. En natuurlijk heb ik in de loop van de jaren al dikwijls voor mij en iedere Zuid-Afrikaan wereldvreemde vragen erover gekregen. Maar een man die al veertig jaar tijdschriften en boeken van over de hele wereld uitgeeft en kennelijk belangstelling heeft voor Zuid-Afrika, hoe kan zo’n man zo weinig begrepen hebben van de apartheid dat hij die vraag stelt?

De praktijk van de apartheid was vaak lachwekkend, in het bijzonder in de ogen van een buitenlandse die al lange jaren in Afrika had gewoond. En als systeem leek de apartheid volkomen uit de tijd en je kreeg de indruk dat de uitvinders ervan, de Afrikaner nationalisten, nog nooit van de Verlichting hadden gehoord. Je kunt er een prachtige klucht over schrijven ware het niet dat het systeem zo wreed en cynisch uitgekiend was. En zo doorschijnend. Want door het alledaagse heen scheen de beschamende onderbuik van de ‘westerse beschaving’ en het ons zo dierbare humanisme dat echter nooit een beletsel is geweest voor de lange geschiedenis van westerse misdaden tegen de menselijkheid waar de apartheid in feite een verlengstuk van was.
Ik schrijf terug aan de uitgever: ja, Afrikaners zijn blanken; andere moedertaalsprekers van het Afrikaans zijn ‘Kleurlingen’ van ‘gemengd ras’.

In de ideologie van de apartheid bestonden er fundamenteel twee soorten mensen: blanken en ‘niet-blanken’. Verdere indelingen werden ondercategorieën. Het onderscheid bestond uit fysieke verschillen tussen mensen, voornamelijk de huidskleur en de structuur van het haar. In de concrete invulling van die tweedeling stuitte men echter op twijfelgevallen. Dan testten de ambtenaren van het bevolkingsregister de persoon, kind of volwassene, op huidskleur en haar. In blanke families kwam het voor dat een kind er aanvankelijk wit uit zag, maar later donkerder werd. Of andersom. (Dat komt door het ‘gemengde bloed’ van met name veel Afrikaner families. Hun voorouders namen het in vroegere eeuwen vaak niet zo nauw met raciale zuiverheid.) Dan werd de identiteitskaart zonder pardon veranderd en het kind zonodig van de ouders gescheiden en bij het Kleurlingenras ondergebracht op een voor hen bestemde plek. Want de rassen werden ook geografisch strikt gescheiden evenals scholen, ziekenhuizen en alle andere voorzieningen. Sommigen bleven twijfelgevallen en kregen meermaals een ander ras toegekend. De twijfelgevallen die de uiterste ijver vergden van de ambtenaren, betroffen uiteraard de grens tussen blanken en ‘Kleurlingen’ van gemengd ras. ‘Niet-blanken’ werden namelijk verder onderverdeeld in ‘Kleurlingen’, ‘Indiërs’ en de grote meerderheid van ‘Zwarten’ die zichzelf Afrikanen noemden. Het kwam voor dat een ‘Kleurling’ erg wit uitviel en werd geclassificeerd als ‘blank’, hoewel een dergelijke opwaardering veel voeten in de aarde had. Vaker viel iemand erg donker uit en werd dan overgeheveld naar de categorie ‘Zwarten’. Tot zover de Kafkaiaanse klucht, die helaas geen klucht was maar een totalitair systeem dat doordrong tot zelfs de intiemste aspecten van het leven van alle Zuid-Afrikanen.

Een verdere onderverdeling betrof ‘volken’ of ethnische groepen. De Afrikaners vormden een blank ‘volk’; de Zulus, Sothos en andere zwarte volkeren. De notie van ‘volk’ werd gekenmerkt door afkomst, cultuur en taal. Zoals de raciale twijfelgevallen en herclassicaties toonden, bleek afkomst voor de blanken soms een lastige zaak. De oplossing lag in de wet op ‘immoraliteit’ die seksuele relaties  tussen blank en niet-blank streng verbood.Magistraten trokken er voor dag en dauw op uit met een paar getuigen om gemengde koppels op heterdaad in bed te snappen en te arresteren. Een lachwekkend tafereel tenzij je weet dat er op ‘immoraliteit’ gevangenisstraf stond plus een geweldig stigma: een blanke die ‘het deed’ met een niet-blanke was een verrader van zijn – of nog veel erger: haar – ‘bloed’. In feite was gemengd gaan natuurlijk een vorm van subversie van het maatschappelijk bestel en de ideologie waarop de alleenmacht en verregaande voorrechten van de blanken steunden.

Afrikaners zijn een ‘volk’ voornamelijk bestaande uit een relatief klein aantal families afstammend van Nederlandstaligen en Franse hugenoten uit Europa. Volgens de criteria en praktijk van de apartheid waren ze dus per definitie lelieblank want eenieder die tekenen toonde van ‘gemengd bloed’ werd uitgestoten. Het apartheidssysteem werd uitgedacht en tot de laatste consequenties doorgevoerd door de Afrikaner nationalisten van de Nasionale party die van 1948 tot 1994 aan de macht was. Het basismotief was de emancipatie van Afrikaners (onder meer door hen te beschermen tegen de concurrentie van de vele ‘niet-blanke’ werkers), het veroveren van een sterke economische positie (tegenover de economische macht van Engelstaligen, eigenaars van de mijnen en het grootkapitaal) en het behoud van hun eenheid en volksaard. De eenheid van het ‘volk’ vormde de basis voor het behoud van de politieke macht zonder welke de nationalisten deze doelstellingen niet konden bereiken. Het systeem van rassenscheiding en –uitbuiting kwam uiteraard ook ten goede aan de Engelstalige blanken, die van verschillende origine zijn en zich geen ‘volk’ voelen. In zekere zin deden de Afrikaner nationalisten het vuile werk voor hen. Zo lang de economie er wel bij voer en de blanken het heft stevig in handen hielden, hadden ze er geen bezwaar tegen dat de nationalistische component van het systeem er ook op gericht was om de Afrikaners te behoeden voor ‘overspoelen’ en vooral voor overheersing door Engelstaligen.

De in mijn ogen naïeve vraag van de Nederlandse uitgever herinnerde me eraan dat je de kennis, het begrip en het geheugen van je lezers nooit moet overschatten. Maar toch vroeg ik me af: hoe komt hij aan deze vraag? En waarom dat “per definitie”? Wat speelt er in zijn achterhoofd?

Natuurlijk kan hij denken dat alle Afrikaanstaligen sinds de bevrijding in 1994 één ‘volk’ vormen. Er worden inderdaad cultuurfestivals gehouden voor Afrikaanstaligen, er is culturele interactie. Maar ik heb nog nooit een ‘niet-blanke’ ontmoet die zegt tot het Afrikaner volk te behoren. Misschien zal dat in de toekomst ooit mogelijk worden, maar zo ver is het nog niet.Een gemeenschappelijke taal is niet genoeg om alle andere verschillen en met name de geschiedenis te overstijgen die sterk verbonden is aan blank, respectievelijk niet-blank zijn. Het is niet voor niets dat de progressieve schrijfster en dichteres Antjie Krog een verhaal over haar persoonlijke pogingen om de kloof tussen blank en zwart te overbruggen betitelt: ‘Begging to be Black’, smeken om zwart te worden.

Tot zover waarom Afrikaners blank zijn, hoewel niet meer per definitie sinds de tweedeling blank/niet-blank samen met de apartheid op de vuilnishoop van de geschiedenis beland is. Zoals onder andere Mandela steeds zei: zwarten hadden er schoon genoeg van om negatief te worden gedefinieerd, als ‘niet-iets’. Dat was de grondslag van de apartheid. De afschaffing van de apartheid nam de tweepolige notie achter ‘blank’ weg en hevelde het woord over naar het terrein van de diversiteit. ‘Eenheid in verscheidenheid’ is de leuze op het nieuwe wapen van Zuid-Afrika, waar ‘eenheid’ slaat op het verdwijnen van de tweedeling blank en niet-blank alsmede verdere rassenindeling en op het doel van natievorming, terwijl ‘verscheidenheid’ verwijst naar de verschillende culturele groepen en talen binnen de Zuid-Afrikaanse ‘natie’ die in de nieuwe grondwet op voet van gelijkheid werden gesteld. (De elf voornaamste talen kregen bijvoorbeeld alle de status van nationale talen.)

Hier aangekomen in het verhaal dacht ik aan hoe journalisten, politici en commentatoren zich in bochten wrongen rond het woord ‘allochtoon’ nadat De Morgen besloot het niet meer te gebruiken. Aan hun probleem om het te definiëren met zijn connotaties, om het gebruik ervan te vatten met betrekking tot de concrete mensen of maatschappelijke categorie waarnaar het verwijst. Wie of wat zijn ‘allochtonen’?

Het woord wijst op de afkomst natuurlijk, het betekent letterlijk iemand ‘van andere bodem’.  Maar welke ‘andere’ bodem? Andere Europese landen blijken in dit verband geen ‘andere bodem’ te zijn. Noord-Amerika evenmin. ‘Allochtoon’ slaat uitsluitend op Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse ‘bodem’. Wat men ook ‘het Zuiden’ noemt, de wereld van de ‘ontwikkelingslanden’. Maar, merkte men ook op, die wereld bestaat uit vele culturen en landen waarvan sommige niet of nauwelijks ontwikkelingslanden genoemd kunnen worden (denk aan China of de steenrijke Emiraten die nu zelfs hier en daar als redders optreden in ons economische moeras). Dus wat hebben die landen gemeen dat we de behoefte voelen om de mensen die daar ergens vandaan komen en hier wonen onder één noemer te plaatsen? Er is geen ontkomen aan: allochtoon – en elk synoniem ervan – heeft een negatieve definitie: allochtonen zijn mensen van ‘niet-westerse’ afkomst.

Een negatieve definitie bestaat echter alleen als tegenpool van een positieve: ‘niet-iets’ impliceert ‘iets’. En dat positieve ‘iets’ is waar het om draait. ‘Niet-iets’ kan vanalles zijn, zelfs een lege categorie. Het is dus ‘iets’ dat gedefinieerd moet worden. In dit geval moet dat ‘iets’ dus zijn: ‘westers’, afkomstig van ‘westerse bodem’.

Men merkt echter ook op dat mensen nog generaties lang ‘allochtoon’ worden genoemd, ook al zijn ze hier geboren en getogen – en dus afkomstig van ‘westerse bodem’. Je moet dus aannemen dat het woord niet staat voor de ‘bodem’ waar de ‘allochtoon’ vandaan zou komen, maar om een andere categorie. Maar hoe bepaal je die categorie dan? Hoe zie je of merk je wie ‘allochtoon’ is en wie niet? Is dat niet ook een negatieve definitie met als positieve tegenpool ‘autochtoon’ of westerling?

Je kunt lang discussiëren of men een ‘allochtoon’ misschien herkent aan de voor- of achternaam. Maar ook daar is de variatie zodanig in Afrika, Latijns-Amerika en Azië dat je er nooit uitkomt. Dus op naar de positieve pool. Maar wat is een ‘westerse’ of ‘autochtone’ naam of voornaam? 

We moeten onszelf niet verlakken. Zelfs al ken je zijn naam niet en kleedt hij zich en praat net zoals jij, herken je een ‘allochtoon’ op straat aan zijn huidskleur, zijn zwarte krulletjes of pikzwart stijl haar, soms ook de vorm van het gezicht, de ogen, de neus, de lippen. Aan fysieke kenmerken dus. Maar aangezien er ook daarin een grote variatie bestaat in de ‘niet-westerse’ wereld, durf ik te wedden dat die fysieke kenmerken in wezen ook negatief gedefinieerd worden. En daar komen we ongemakkelijk dicht bij het verhaal van de apartheid met zijn blanken en ‘niet-blanken’. Inclusief de twijfelgevallen, zoals iedereen wel eens ervaren zal hebben. 

Vandaar dat we ons vergeefs in vele kronkels draaien om het woord ‘allochtoon’ te definiëren. We moeten zoeken naar de definitie van de positieve pool ervan: de autochtoon. En dan kunnen we niet meer rond de grote vraag: zijn autochtonen per definitie blank?

Het woord ‘allochtoon’ afschaffen helpt dus niet veel zo lang notie achter het woord ‘autochtoon’ overeind blijft en altijd zijn tegenpool zal zoeken : het diepgewortelde idee dat westers of blank in tegenstelling staat tot niet-westers of ‘niet-blank’. Het wij en niet-wij. De tweepolige aard van die tegenstelling maakt haar  fundamenteel verschillend van diversiteit, een meerpolige notie met velerlei mogelijkheden voor doorsnijvlakken of overlappende gebieden. Het zijn die vele overlappingen die iedere samenleving samenhang geven. Niet wederzijds uitsluitende verschillen als blank en niet-blank, autochtoon en allochtoon en al hun synoniemen.

Indien er legitieme behoefte bestaat om de groep mensen die nu vallen onder het woord ‘allochtoon’ een verzamelnaam te geven – bijvoorbeeld in het kader van sociale of socio-economische studies of doeleinden – dan is het zaaks om een negatieve definitie te vermijden, die een intrinsiek en onoverkomelijk ‘anders-zijn’ inhoudt, een ‘niet-wij’ of ‘niet zoals wij’. Onoverkomelijk omdat deze gebaseerd is op toevallige kenmerken die niets te maken hebben met de waarden, verdiensten of talenten van het individu en die de mens per definitie niet kan veranderen. Verdere conclusies laat ik aan de lezer over.

Hélène Passtoors
5 oct.2012

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!