Sinds mijn eerste reis naar West-Afrika ben ik eigenlijk hard verschoten van wat er onder de mensen leeft. Toch ben ik ervan overtuigd dat niet Jan met de pet, maar dat vooral de op sensatiebeluste media, het nog steeds in de zwang zijnde cultureel imperialisme van Westerse regeringen en hier en daar NGO’s verantwoordelijk kunnen gesteld worden voor de vaak niet onschuldige beeldvorming. Ik heb daarom besloten een soort van reisboek bij te houden over mijn ervaringen in enkele West-Afrikaanse landen.

Met een soort van reisboek bedoel ik hier allerminst het zoveelste ‘bloedstollend reisdagboek’. Vele schrijvers van reisdagboeken kunnen immers ook verantwoordelijk gesteld worden voor die niet al te onschuldige beeldvorming. Reisliteratuur is natuurlijk wat het is: geen antropologisch verantwoorde analyse, maar plezante literatuur om niet buiten te komen. De lezer krijgt op het ritme van de nomadische ervaringen van een auteur in een vreemde werkelijkheid een veilige reis aangeboden.

Het is alleen vervelend te moeten vaststellen dat die literaire producenten van reiservaringen zichzelf graag uitroepen tot een autoriteit, als iemand die iets objectief heeft te vertellen. Dat ze hun reisverhalen een objectieve uitstraling willen meegeven, valt op aan de steeds wederkerende gehanteerde vorm. Het typische reisdagboek bestaat doorgaans uit een dagelijks verslag van ervaringen en interpretaties gelardeerd met uitwijdingen over de reisdagboeken van illustere ontdekkingsreizigers en nomadische romanciers. En om dit alles nu net een objectieve uitstraling mee te geven, vult de auteur zijn reisdagboek ook op met enkele onderzoeksresultaten van sociale wetenschappers en interviews met autoriteiten of gewone mensen van ter plaatse die vooral zullen zeggen wat de reisauteur wil horen. Het gevaar loert dan ook op elke pagina dat de onwetende lezer visies overneemt waarin de schrijver de menselijkheid van de culturele ander reduceert tot een exotische of obscure fantasie.

Niet alleen wetenschappelijke onderzoekers, journalisten, politici en medewerkers van NGO’s, maar ook schrijvers van reisdagboeken houden nog veel te vaak een fantasierijke beeldvorming levendig. Op enkele uitzonderingen nagelaten, kan er precies nooit in bevattelijke vormen worden gesproken over de ander. Het is doorgaans heel negatief of heel positief.

De stilzwijgende boodschap is echter steevast dezelfde: De ander moet de superieure, savoir-vivre van de westerse cultuur (nog) overnemen. Het is een onvervalste vorm van ideologie, van cultureel imperialisme die nog steeds ontzettend veel invloed uitoefent op de Westerse kennis over andere culturen en een stevige stempel drukt op het internationaal beleid naar niet westerse landen toe.

Net zoals vele andere schrijvers het roer proberen om te draaien, hoop ik met mijn reisboek bij te dragen tot het doorprikken van de nog steeds dominerende, maar hoogst ongelukkige beeldvorming rond Afrikaanse samenlevingen. Maar hoe kan de zoveelste westerse toeschouwer vermijden de culturele ander te reduceren tot een exotische of obscure fantasie?

Volgens de Nigeriaanse schrijver Ben Okri vergt het heel veel moed en komt het zelden voor dat iemand de complexiteit, de geschiedenis en de rauwe menselijkheid van anderen onder ogen ziet. Als je de beperkingen van het toeristenbewustzijn wil overstijgen en zelfs de meestal veilige onderzoekswereld van de academicus wil vermijden, heb je inderdaad verdomd veel moed nodig om je onder te dompelen in het alledaagse leven van één of ander Afrikaans land. Nochtans is het geen onmogelijke opdracht.

Okri vraagt ons alleen te spreken over de ander zoals hij is, zonder hem te versimpelen, mooier, meer of minder te maken. In nog andere woorden: Ga terug naar de dingen zelf zou de uitvinder van de fenomenologie zeggen. Maar een rechtse populist zou zeggen: zeg gewoon waar het op staat! De antropologische opdracht van Okri is dan wel duidelijk en navolgbaar. Maar de dingen beschrijven zoals ze zijn is een pad vol met doornen. Hoe kan de westerse toeschouwer vermijden de ander niet te versimpelen, mooier, minder of meer voor te stellen? Hoe kan hij de veelheid van prikkelende ervaringen ordenen tot bevattelijke proporties? Alles hangt ervan af hoe precies de reiziger zijn confrontaties met een vreemde werkelijkheid betekenis wil geven. Ik geef een aantal aandachtspunten zodat lezer meteen weet wat hij van mij kan verwachten en vooral wat hij niet hoeft te verwachten.

In de eerste plaats moet ik zeggen dat ik telkens in alle openheid naar Afrika ben getrokken en daaronder versta ik simpelweg: Niets menselijk is mij vreemd, laat maar komen! Dat ik daarvoor af en toe flink door elkaar moest geschud worden, heb ik er bij genomen. In de tweede plaats bevatten mijn verhalen zo goed als geen hoogstpersoonlijke uitwijdingen. De verhalen die ik vertel gaan immers over de Lebenswelt van de ander. Maar ik heb het ook geregeld over hoe wij er anders en beter met kunnen leren omgaan.

Ik zal daarom ook geregeld mijn eigen onwetendheid, vooroordelen, stommiteiten en verkeerde beeldvorming van andere met een scherp mes ontleden, juist om de lezer een spiegel voor te houden. In de derde plaats heb ik dankzij een gelukkige speling van het lot in Benin een prachtige vrouw ontmoet. Maar mensen die nu denken dat ik ook verhalen ga vertellen over mijn interculturele liefdesperikelen moet ik teleurstellen. Ik reken dergelijke zaken tot iets hoogstpersoonlijk. Bovendien is mijn vriendin de mening toegedaan dat onze liefde iets is tussen haar, mezelf en Allah. Uit liefde en respect zal ik er dan ook niets over zeggen.

Mijn Beninse liefdesperikelen hebben me natuurlijk wel in een bevoordeelde positie gebracht, zodanig zelfs dat ik nog steeds geen olifanten of andere wilde dieren ben tegengekomen. In plaats daarvan heb ik me wel beter vertrouwd kunnen maken met het alledaagse leven en heb ik dingen gezien en meegemaakt, die geen enkele reiziger wil meemaken, laat staan dat ik het nog eens een keer wil meemaken. Ook mensen die denken dat ik hier alleen maar bloedstollende verhalen wil vertellen, moet ik ook teleurstellen. Toch wil ik hen ook af en toe een dienst bewijzen. Ze zullen zich er alleen rekenschap van moeten geven dat ik die verhalen niet vertel om het spannend te maken en hun percepties op het Lugubere Afrika te bevestigen. Ik denk alleen dat ik die verhalen moet vertellen om de lezer er attent op te maken hoe we verhalen over erge dingen een plaats geven in onze beeldvorming over Afrika. Het is een techniek, een soort van culturele verloskunde, die ik bij elk verhaal zal toepassen. Het is immers de bedoeling dat de lezer zelf de moed vindt de mediagenieke grot te verlaten om de werkelijkheid achter de duistere schaduwen te ontdekken.

Tenslotte wil ik de lezer op het hart drukken dat ik geen specialist ben in Afrikaanse zaken. Ik geloof namelijk niet dat er zoiets kan bestaan als de ideale Afrikakenner. Uiteraard kan iemand daar wel zijn levenswerk van maken. Hier en daar vind je zelfs reizigers, journalisten en onderzoekers die met hun rijk gevulde bagage aardig in de buurt komen van die ideale Afrikakenner. Maar op de keper beschouwd: het blijft een even onmogelijke uitdaging als de wereld an sich te doorgronden. Iemand die zich als Afrikakenner wil profileren moet immers kunnen aantonen dat hij al die Afrikaanse landen in alle windrichtingen heeft bezocht en er een langdurige tijd heeft verbleven.

Bovendien moet de ideale Afrikakenner ons er ook van kunnen overtuigen dat hij/zij niet alleen de geschiedenis, maar daarnaast ook de sociale, politieke, economische en culturele eigenaardigheden en de daaraan verbonden volkspsychologie grondig kent. Als dat je doelstelling is, dan kom je voor dezelfde voldongen keuze te staan als de metafysicus of wetenschapper die alles in één trek wil begrijpen en verklaren: Je bakent je onderzoeksveld af tot iets haalbaar of je zult – zoals Nietzsche ooit schreef – je eigen kop moeten afhakken. Aangezien ik niet veel zin heb om mijn eigen doodsvonnis uit te spreken, hebben de verhalen die ik hier wil delen met de lezer een bescheiden opzet.

Geografisch gezien reis ik dan wel wat rond in West-Afrikaanse landen maar ik vertel geen verhalen over West-Afrika zoals het is. Ik reis slechts wat rond in landen in de West-Afrikaanse regio en dat zonder de pretentie te koesteren de ziel van die landen bloot te leggen. Ik beperk me hooguit tot het ophangen van mijn al dan niet ingrijpende ervaringen aan een bepaald thema zoals armoede, populaire cultuur, energie, vluchtelingen, religie, eetgewoonten, economie, sociale strijd, culturele verschillen, enzovoort.

Nieuws, Wereld, Afrika, Economie, Voedselcrisis, West-Afrika, Schulden, Oogsten -

Ook met de regen hebben West-Afrikaanse boeren steun nodig

OUAGADOUGOU — De oogsten in West-Afrika beloven goed te worden, maar volgens kleine boeren en ngo's is er nog veel hulp nodig om de opbrengsten structureel te verhogen. Veel boeren zitten in de schulden.

vrijdag 5 oktober 2012 16:26

Het komende seizoen zullen West-Afrikaanse boeren 57 tot 64 miljoen ton graan oogsten, schat de Permanente Interstatelijke Commissie voor Droogtebeheersing in de Sahel. Dat is 5 tot 17 procent meer dan het afgelopen seizoen.

Plan International is “voorzichtig optimistisch”, zegt Roland Béranger Béréhoudougou, regiohoofd Noodhulp. “Volgens sommige onderzoeken gaat ook tijdens en na de oogst nog 30 procent verloren, door verkeerde technieken voor oogsten, dorsten en opslaan”. Het weer is dus niet de enige factor.

Voedselcrisis

Maar ROPPA, een West-Afrikaans netwerk van kleine landbouwproducenten, wijst er net als Oxfam International op dat er nog steeds sprake is van een voedselcrisis, de derde in tien jaar tijd. Zelfs in goede jaren is een vijfde deel van de bevolking ondervoed, en sterven er 230.000 kinderen in de Sahel aan de gevolgen van honger. Daarbij komt de crisis in Mali, die de rijstproductie daar ernstig bedreigt.

“Om het jaar is er crisis”, zegt Issiaka Ouandaogo, hoofd humanitaire zaken van Oxfam in Burkina Faso. “We moeten producenten dus helpen om veerkrachtiger te worden. We moeten ons richten op toegang tot zaden en andere grondstoffen”.

Door misoogsten zijn veel plattelandsfamilies zwaar in de schulden geraakt, zegt Béréhoudougou, zodat een deel van de oogst nu alleen al opgaat aan afbetalingen. In sommige dorpen in Niger moesten boeren daarom hun gierst al van tevoren verkopen, tegen prijzen die veel lager liggen dan de werkelijke marktprijzen. “We moeten een eind maken aan die helse cirkel van schuld, door bijvoorbeeld financiële hulp, geld-voor-werkprogramma’s, microkredieten en graanbanken”, aldus Béréhoudougou.

In Burkina Faso bestaat wel steun voor boeren, maar die sluit niet aan op wat boeren nodig hebben, zegt Bassiaka Dao, voorzitter van de Burkinabè Boerenconfederatie. “Boeren moeten worden getraind in het beheren van veredeld zaad en gesubsidieerde mest”. Elk jaar wordt de levering van kunstmest en zaad aangekondigd, zegt hij, maar uiteindelijk wordt er niets geleverd, of veel te weinig.

Kleine leningen

In het westen van het land heeft Oxfam met 20.000 dollar (15.000 euro) een fonds opgezet, zodat boeren kleine bedragen kunnen lenen om het zelf te kopen. Veel hebben ze niet nodig, slechts 40 tot 60 dollar (30 tot 45 euro) voor een hectare. Volgens Dao hebben 120 boeren er sinds 2010 gebruik van gemaakt. Doordat er goed wordt afbetaald, groeit het fonds en kunnen dit jaar 184 boeren een lening krijgen.

“Sommige boeren hebben zelfs vee gekocht”, zegt Dao, “en zijn aan de armoede ontsnapt”. Hij zou wel een leensysteem willen zien dat is aangepast op de opbrengsten van kleine boeren. “Geen enkele bank of microkredietinstelling kan bieden wat wij nodig hebben”.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!