Foto: Daniel Morel
Nieuws, Haïti - Joren Janssens

Haïti: “Bienvenue à la république des ONG”

Ruim twee jaar na de aardbeving die dood en vernieling zaaide in Haïti, lijkt een duurzame oplossing voor de aanhoudende humanitaire crisis steeds onwaarschijnlijker. De verwachtingen waren aanvankelijk nochtans hoog gespannen. De internationale gemeenschap ambieerde de wederopbouw van een 'beter' Haïti, gezonder dan haar door corruptie en armoede geteisterde dode zusje.

zaterdag 29 september 2012 11:30

De vele gezichten van humanitaire hulp

Nu hulporganisaties langzaamaan afdruipen, hun missie vanuit diverse hoeken failliet wordt verklaard en Haïtianen de straten optrekken om hun ongenoegen te uiten, dringt een prangend vraagstuk zich op: wie draagt de verantwoordelijkheid voor deze blamage? Op zoek naar een antwoord met Linda Polman, journaliste en auteur van ‘De crisiskaravaan’, een vlijmscherpe aanklacht tegen de noodhulpindustrie, en Jan Weuts, Emergency aid coordinator bij Caritas International

Haïti, 12 januari 2010. De aarde beeft met de kracht van 7,0 op de schaal van Richter. Een vernietigende balans wordt opgemaakt: meer dan tweehonderdduizend ontzielden, ruim twee miljoen ontheemden. De eens zo fiere en strijdvaardige eilandstaat smeekt op blote knieën om internationale noodhulp. Maar die komt aanvankelijk tergend traag op gang. De Verenigde Staten, die een grote strategische waarde hecht aan Haïti als oostelijke dam tegen het communistische Cuba, anticipeert op rellen en plunderingen als resultaat van de totale anarchie. Een compassionate invasion van tienduizend man sterk vindt plaats, bovenop de negenduizend reeds aanwezige VN-veiligheidstroepen. 

Mens en beton

De Haïtiaanse bevolking kijkt wantrouwig toe hoe de VS-troepenmacht de controle neemt over de vlieghaven nabij de hoofdstad Port-au-Prince. Vrachtvliegtuigen en helikopters vliegen af en aan, met in hun kielzog tot de tanden gewapende soldaten. Vanaf nu beslist het Pentagon wie het land binnenkomt.Veiligheidsoverwegingen vormden hierbij het belangrijkste criterium. In de eerste dagen na de natuurramp zou niet minder dan vijftig percent van het vliegverkeer van militaire aard zijn, ten koste van zuiver humanitaire hulp. Vijf cargo’s van Médecins Sans Frontières geladen met twaalf ton aan medicijnen, medische apparatuur en personeel  verkregen geen toegang tot Haïti en werden omgeleid naar de Dominicaanse Republiek.

Bij de Haitianen heerst ongeloof en verbijstering bij het aanschouwen van wat volgens Al Jazeera’s plaatselijke correspondent eerder leek op ‘the Green Zone in Bagdad‘ dan een centrum van humanitaire hulp. Ook Jan Weuts (Caritas) veroordeelt de inherente contradictie van militaire noodhulp: “Diegenen die pretenderen humanitaire hulp te bieden, moeten de principes van menselijkheid-onpartijdigheid-neutraliteit en onafhankelijkheid respecteren. Een humanitaire actie opgezet door een leger is dus een ‘contradictio in terminis’.”

Terwijl de VN en de VS zich belasten met de handhaving van de veiligheid, voeren Haïtianen een hopeloze strijd om familieleden en kennissen te bevrijden onder het puin van ingestorte warenhuizen en gezinswoningen. Een duel tussen mens en beton, uitgevochten met de blote hand. Een hamer als men van geluk kon spreken. Tekenend: slechts 132 mensen konden levend bevrijd worden. De nefaste gevolgen van een doorgedreven bezorgdheid over veiligheid uitte zich niet enkel in een problematische aanvoer van voedsel, medicijnen, artsen en reddingswerkers. Zo werd onder andere internationaal hulppersoneel verboden om zich na zonsondergang nog op straat te begeven. Velen hadden het gevoel door de internationale gemeenschap aan hun lot te zijn overgelaten. Het aanvankelijke gelaat van de humanitaire hulp was militair, niet civiel. In getraumatiseerde landen met koloniale verledens wordt dat eerder gepercipieerd als een bedreigend verlies van soevereiniteit dan een reddende hand.

De globale solidariteitsbetuiging die komen zou, was wel overweldigend. Astronomische bedragen werden opgehaald, al kan niemand met zekerheid een totaalbedrag preciseren. Overheden, internationale instellingen, private initiatieven en NGO’s beloofden naar schatting 10 miljard dollar aan donaties voor noodhulp en reconstructie, waarvan uiteindelijk slechts 4 à 6 miljard daadwerkelijk werd uitbetaald. Een nog kleiner percentage daarvan werd ook daadwerkelijk besteed aan ontwikkelingshulp. Nationale regeringen gaven de voorkeur aan positieve krantenkoppen over een gulle overheid, ter meerdere eer en glorie van het vaderland. Marshallplan-bedragen, desalniettemin. Het kapitaal dat werd vergaard was reusachtig, zo ook de opportuniteit tot het scheppen van dat sterker en duurzaam Haïti waar men de mond van vol had. Een Haïti dat op termijn onafhankelijk zou worden van buitenlandse hulp.

NGO-invasie

Eenmaal goed en wel op gang gekomen, liet de sputterende hulplocomotief zich niet meer afremmen, laat staan coördineren. Bovenop de 10 à 13.000 hulporganisaties die al aanwezig waren alvorens de natuurramp plaatsvond, entte zich nog een onbekend aantal bijkomende nieuwe groeperingen. “Dat zelfs bij benadering niet gezegd kan worden hoeveel NGO’s er actief zijn, laat staan wat ze aan het doen zijn, is op zichzelf al symptomatisch voor de totale anarchie”, stelt Polman. De invasie van hulporganisaties leverde het land alvast de weinig benijdenswaardige titel ‘République des ONG‘ op, met meer NGO’s per capita dan elders ter wereld.

Echter, enkel vele gecoördineerde handen maken licht werk. Ook John Holmes, VN ondersecretaris-generaal voor Humanitaire Zaken, hekelde in een uitgelekte vertrouwelijke e-mail het onvermogen van de VN om “het groot aantal betrokken partners efficiënt te coördineren”.

Het gros van deze NGO’s brengt men best onder in de categorie ‘amateuristische Samaritanen’ met voornamelijk religieuze motieven, van de Scientology-kerk tot Evangelische gemeenschappen. Ze liepen elkaar in de straten van Port-au-Prince eerder voor de voeten, gewapend met videocamera’s en luisterbijbels op zonne-energie die de Haïtianen ervan moesten weerhouden in deze tijden van ontbering af te dwalen van Gods Pad. Hij die den hongerige spijzigt, verkwikt zijn eigen ziel. Ontwikkelingshulp als masturbatie.

Het gebrek aan VN-coördinatie en een functionerende overheid zorgden voor een totaal gebrek aan overzicht. Haïti werd en wordt nog steeds eenzijdig geregeerd door NGO’s. Polman laat er geen twijfel over bestaan dat de Haïtiaanse regering buitenspel wordt gezet: “NGO’s hebben al het geld in handen en omzeilen de vleugellamme overheid die volledig afhankelijk is van wat donoren hen toeschuiven. Een resultaat van 40 jaar ongeremde groei van de NGO-republiek. Als legitimatie voor hun financieel overwicht verwijten ze de regering corruptie en onkunde. Eens je een organisatie of een donor de macht geeft, zullen ze die niet vanuit zichzelf teruggeven”. Geen dezer duizenden hulporganisaties is trouwens bij wet verantwoording verschuldigd. Slechts 561 organisaties stonden officieel geregistreerd bij de inlandse overheid en slechts 150 daarvan legden vorderingsrapporten voor aan deze regering.

Onderdak

Niettegenstaande de successen, lieten de gevolgen van een chaotisch beleid niet op zich wachten. Terwijl UNICEF vier maanden na de ramp volgens berekeningen haar quota aan uit te reiken tentzeilen reeds bereikte, werden duizenden gezinnen gedwongen om deze beschutting aan te kopen op de zwarte markt voor een equivalent van 20 dollar. Onvermogende families sprokkelden tussen het puin hun verre van orkaan–en regenseizoenbestendige huisvesting bij elkaar.

Huisvesting vormt een centraal knelpunt dat als een rode draad door de verre van foutloze hulppogingen heen liep. Ook het Canadese Rode Kruis en het Clinton Global Initiative struikelde op hun eigen manier over deze problematiek. Beide plaatsten een bestelling van orkaanbestendige containers die tevens dienst moesten doen als klaslokalen. Het bedrijf dat het miljoenencontract op zijn conto mocht schrijven was Clayton Homes, in de VS verwikkeld in gerechtelijke procedures omwille van het leveren van containers vervuild met toxische en kankerverwekkende gassen als formaldehyde. Liefdadigheid als nepotisme: Clayton Homes behoort tot een holding beheerd door Warren Buffet, prominent lid van Clintons liefdadigheidsorganisatie en tevens groot fundraiser voor Hillary Clintons presidentscampagne van 2008. Ondanks klachten van Haïtiaanse scholieren en leerkrachten over oogirritaties, hevige hoofdpijnen en ademhalingsproblemen, blijven de containers tot op de dag van vandaag noodgedwongen in gebruik genomen.

De Haïtiaanse regering is voor vele hulpwerkers en media vaak de meest voor de hand liggende zondebok. Velen zullen met de vinger richting overheid wijzen als oorzaak voor het falen van een duurzame reconstructie van Haïti. Hoewel de overheid zeker niet vrijuit gaat, heeft de praktisch onbestaande administratie bitter weinig in de pap te brokken gehad. Slechts één percent van de fondsen werd uitgereikt aan de inlandse regering, wat niet veel ruimte laat voor beschuldigingen van grootscheepse overheidscorruptie. Voor Polman vooral een smoes om niet in de eigen boezem te kijken. “De Haïtiaanse overheid regeert enkel in naam: wat geïmplementeerd wordt, is hetgeen de donoren willen. Beschuldigingen van corruptie bij deze overheden, zijn voor hulporganisaties een uitstekend excuus voor hun eigen falen.”

Daarmee beschikten hulporganisaties al over een aanzienlijk voordeel ten opzichte van operaties in pakweg Afrika waar corruptie en ontvreemding van hulpgoederen veel meer schering en inslag zijn. Geld bleef in Haïti vooral kleven aan de handen van enkele oligarchische families die het gros van de territoriale en economische macht bezit. Volgens Weuts is “het Haïtiaans maatschappelijk middenveld er niet in geslaagd een antwoord te bieden op het bewind van de twaalf families die het politiek bestel beheersen. Er worden zo weinig mogelijk wetten gestemd die hun zakenbelangen zouden kunnen schaden”. De bevoorrechte klasse, die meer miljardairs per capita telt dan elders in de Caraïben of Latijns-Amerika, heeft duidelijk maar weinig te lijden gehad onder de malaise.

Voor Haïti’s rijksten wordt het stilaan tijd om hun eigendommen terug te vorderen van de ontheemde bevolking die er in de nasleep van de aardbeving reusachtige tentenkampen optrok. Sinds enkele maanden begon men met zachte of harde hand de spontaan uit de kluiten gewassen tentsteden te ontruimen. Tijd om weer op eigen beide benen te staan, ‘autonoom te worden’. Polman schetst een beeld van de NGO-industrie als een bedrijfslandschap met quasi-aandeelhouders: “Nu het geld dat NGO’s eigenhandig inzamelden bij particulieren volledig opgesoupeerd is, zijn ze volledig afhankelijk van grote donoren die de tijd rijp achtten om te stoppen met het aanbieden van humanitaire noodhulp als drinkbaar water, medische zorg en noodhuisvesting. De geldkraan voor tentenkampen werd grotendeels toegedraaid, met als gevolg dat ze langzaam worden uitgehongerd en uitgedorst.” Verhuizen is de niet mis te verstane boodschap die donoren en grootgrondbezitters verkondingen.

Het beloofde land

Haïti’s grootste vluchtelingenkamp, Corail Cesselesse, vormt hét gezicht van een inefficiënte NGO-sector, een inadequate overheid en een profiterende elite. Gesitueerd in een dor landschap zonder water noch stroom en vijftien kilometer verwijderd van de dichtstbijzijnde voedselmarkt werden aanvankelijke 8000 daklozen naar het kamp gerepatrieerd. Hulporganisaties zouden voorzien in basisbehoeften terwijl de Haïtiaanse regering het kamp voorstelde als dé finale oplossing en de belofte uitte om op termijn nabij de site 30.000 banen te creëren door buitenlandse investeringen. Het gespierde taalgebruik bracht een vluchtelingenstroom op gang met als resultaat een uit zijn voegen gebarsten ‘Beloofde Land’ met vandaag naar schatting 100.000 inwoners, maar amper bijkomende sanitaire voorzieningen noch scholen. Tussen regering en de economische toplaag was sprake van belangenvermenging. Prominent lid van de bevoegde commissie die over de locatie van het vluchtelingenkamp een advies formuleerde, was tevens eigenaar van de grond waarop het kamp gebouwd werd én hoofd van Haïti’s grootste bouwbedrijf. Een handig voordeel in een desolate vlakte die vluchtelingen tot afhankelijkheid verdoemd.

Afgezien van deze onderneming weigert de Haïtiaanse regering stelselmatig om land ter beschikking te stellen voor permanente bewoning. De International Organization of Migration (IOM) houdt zich sterk dat Haïti nog slechts 400.000 daklozen telt. Onafhankelijke organisaties contesteren de cijfers. Ze stellen tevens dat mensen worden verdreven uit de tentenkampen en zo gedwongen terug moeten keren naar instabiele huizen die na de aardbeving als sloopwaardig gemarkeerd werden. Bij nieuwe aardschokken vlucht men massaal de straten op uit angst voor verdere instorting. President Michel Martelly startte in samenwerking met het IOM een huisvestingsprogramma dat tot nu toe slechts benut kon worden door 5% van de ontheemden. Slechts 5000 permanente woningen werden opgetrokken. Een deel van de problematiek schuilt er volgens Weuts in dat “in Haïti geen kadaster noch betrouwbaar rechtssysteem bestaat. Voor de aardbeving leefde trouwens al 80% van de bevolking van Port-au-Prince in uiterst penibele omstandigheden”.

 Internationale machtspolitiek

Voor velen klinken voorgaande misstappen mogelijk te incidenteel en anekdotisch om te twijfelen aan de professionaliteit en integriteit van de betrokken civiele of militaire mogendheden. Misschien moet men dan maar eens kijken naar het globale plaatje, het economisch belang van Haïti voor de Verenigde Staten en diens politieke inmenging aldaar, bijvoorbeeld. Haïti heeft sinds ze in 1804 als eerste natie onafhankelijkheid verwierf van een Europese kolonisator niets dan armoede gekend. In ruil voor de succesvolle slavenopstand eiste Frankrijk een schadeloosstelling die heden ten dage zou overeenstemmen met twintig miljard dollar. Een schuld die pas werd vereffend in 1974. Dat Haïti vandaag nog steeds de laagste lonen in de ganse Caraïben herbergt, is hiervan een rechtstreekse erfenis. De Verenigde Staten hebben hier steeds massaal gebruik van gemaakt. De helft van de Haïtiaanse fabrieken die uitsluitend in dienst staan van giganten als Kmart en Wal-Mart, betalen hun arbeiders consequent minder dan het minimum dagloon dat omgerekend rond de 5 dollar schommelt.

Of de Verenigde Staten daadwerkelijk baat hebben bij de opbouw van een sterker en onafhankelijk Haïti lijkt dus onwaarschijnlijk, evenals de louter menslievende aard van de VS-hulpmissie in Haïti. Vrijgegeven WikiLeaks-cables brachten naar boven dat de Obama-administratie zich met hand en tand tegen de laatste loonopslag verzette omdat deze schade zou toebrengen aan de economische activiteiten van Levi Strauss en Hanes. De vrees voor een verlies van goedkope arbeidskrachten en een overwegend Amerikaans bedrijflandschap verklaart meteen ook de systematische ondermijning van de Haïtiaanse economie. Door de VS gesubsidieerde producten als rijst worden in Haïti aan dumpingprijzen verkocht, wat de ruïnering van ganse binnenlandse rijstvlaktes tot gevolg had. Een politiek van afhankelijkheid.

Neoliberale kortzichtigheid

Ook in de VS mengen steeds meer opiniemakers zich in het debat omtrent de bemoeienissen van het Witte Huis in Haïti, en bij uitbreiding elk ontwikkelingsland. Illustratief voor Haïti als 51-ste staat van de VS is een grootscheeps industrieproject dat op poten werd gezet in het noorden van het land, dat hoegenaamd niet werd getroffen door de aardschok. ‘Caracol Industrial Park’ is een publiek-private samenwerking die werd gefinancierd door de Inter-American Development Bank en de regering van de VS, die plannen uittekende voor de aanleg van een olieplatform, een commerciële haven en talrijke sweatshops. De Haïtiaanse regering stelde de grond ter beschikking. Zonder vooraf uitgevoerde milieustudies worden boeren onteigend in wat doorgaat voor één van de meest vruchtbare regio’s van het land. Een zoveelste ondermijning van een zelfvoorzienend Haïti.

Én het hele project is een doorgestoken kaart, weet Weuts: “Nauwelijks anderhalve maand na de aardbeving kwam men op de proppen met een masterplan voor de heropbouw van Haïti, zogezegd in samenspraak met de regering. Later bleek dat dit plan twee jaar voor de ramp werd ontwikkeld door USAID, waarin de economische richtlijnen voornamelijk uitgingen naar het opzetten van vier vrijhandelszones. Midden in het hoogtepunt van de crisis werd dit de Haïtianen de strot ingeramd.”

In de investeerderbrochure samengesteld door de regering van de Verenigde Staten wordt maar weinig aan de verbeelding overgelaten: “Haïti biedt het bedrijfsleven een aantrekkelijke combinatie van nabijheid tot de VS-markt, een competitief en uiterst gemotiveerde werkkracht, gulle handelsvoordelen tot de Amerikaanse en Europese markten en uitzonderlijke aanmoedigingen voor buitenlandse investeerders”. Het leidt geen twijfel dat de enorme Haïtiaanse arbeidsmarkt uiterst competitief is en vooral dat dit ten allen koste in stand zal worden gehouden. Het Zuid-Koreaanse Sae-A Trading Co, grootleverancier van Amerikaanse ketens als Wal-Mart, zal Caracol in bruikleen krijgen. De textielgigant staat te boek als notoir arbeidsrechtenschender en moest onlangs haar vestiging in Guatemala opdoeken nadat vakbondsprotest er met afpersingen, doodsbedreigingen, opsluitingen en verkrachtingen monddood was gemaakt. Het hongerloon van drie dollar per dag zal de 20.000 werkkrachten in Caracol weinig perspectief bieden.

Projecten als deze zijn een aanfluiting voor een duurzame reconstructie van Haïti en reduceren het land tot speelbal van mondiaal neoliberaal winstbejag, op zoek naar de meest flexibele en goedkope arbeidskracht. De facto wordt Caracol zo herschapen tot laboratorium voor neoliberalistische experimenten waarvan reeds bewezen werd dat ze inefficiënt zijn en op lange termijn een beperkte impact teweeg brengen in gebieden die te kampen hebben met structurele armoede. Van een onvoorwaardelijke onderwerping tegenover de natuur, naar een onvoorwaardelijke onderwerping tegenover het kapitaal. “De industrialisatie van Haïti is een heilloze weg. De voedselverbouwing blijft intussen achteruit gaan en steeds meer mensen trekken naar de steden waardoor de sloppenwijken blijven groeien”, fulmineert Polman. Ook humanitaire hulp verliest elke geloofwaardigheid wanneer zij zich laat inschakelen in de economische agenda’s van het Westen.

“De buitenlandse politiek van de VS ten opzichte van Haïti heeft steeds in eerste instantie de eigen belangen gediend. Van oprechte toewijding is nooit sprake geweest en in deze ongeïnteresseerde houding staat het land zeker niet alleen.” Intussen zegeviert het cynisme: “Uiteindelijk interesseert Haïti helemaal niemand. We willen enkel zien hoe dat ene weeshuis een nieuw dak krijgt of hoe onze helden op foto gaan met een Haïtiaans kindje dat dankbaar omhoog kijkt. Zulke beelden zien we graag van onszelf en onze leiders”.
Tekenend is Caracol ook voor de prioriteiten die vandaag in Haïti worden gesteld: industrie en toerisme. Met de uitbouw van industrieparken en vijfsterrenhotels zal men de structurele zwakten van de Haïtiaanse economie niet verhelpen. Winsten vloeien integraal terug naar Westerse multinationals en regeringen, terwijl Haïtianen steeds afhankelijker worden van globale handelsstromen en buitenlandse investeringen, in ruil voor schendingen van arbeidsrechten en gemaakte beloften. Wie dacht dat dergelijke manoeuvres niet plaatsvonden onder het toeziend oog van de internationale gemeenschap, is meteen een illusie armer.

Gemiste kans

Het falen van de internationale gemeenschap heeft in Haïti een algemeen gevoel van wantrouwen in het leven geroepen tegenover NGO’s en organisaties als de VN, USAID en de World Bank. De argwaan wordt gevoed door de opvatting dat Haïti niet herbouwd wordt voor de Haïtianen. In het aanzicht van onteigeningen, een aanhoudende huisvestingscrisis en land –en broodroof worden de Haïtiaanse regering, het Westen en haar machtsinstrumenten er inmiddels van beschuldigd enkel begaan te zijn met het scheppen van een aantrekkelijk investeringsklimaat. Ook NGO’s treffen blaam, ofwel omdat zij vanuit hun ivoren toren niet genoeg druk uitoefenden op de Haïtiaanse regering om land voor huisvesting en landbouw te verwerven, ofwel omdat ze door Haïti massaal te overspoelen de overheid monddood maakte. Alle krediet is verloren gegaan. Men voelt zich allerminst betrokken bij de reconstructie van het eigen land. Elke hulpverlener en regering weet nochtans dat eender welk ontwikkelingsproject slechts succesvol kan zijn wanneer het gedragen wordt door de lokale bevolking en wanneer het aan diens behoeften voldoet.

Het is maar al te duidelijk dat een totaal gebrek aan transparantie er dé oorzaak van is dat steeds meer geëngageerde mensen de effectiviteit van humanitaire noodhulp an sich in vraag stellen. Nagaan of een NGO al dan niet de volledige budgetten heeft besteed en vooral waaraan ze hun donaties besteden, is een zo goed als onmogelijke opdracht, hekelt Polman. Iemand moet de vinger op de wonde durven te leggen want hulporganisaties schuilen achter muren en papier. “Jaarverslagen zijn erg oncontroleerbaar, moeilijk opvraagbaar en staan nergens centraal geregistreerd. Ieder gebruikt de eigen boekhoudkundige systemen waardoor prestatievergelijkingen erg moeilijk worden. NGO’s zijn enkel verantwoording verschuldigd aan hun donoren, niet aan diegenen die ze trachten te helpen.”

De inefficiënte werkwijze van vele NGO’s is nog zo’n pijnpunt. “Er wordt voortdurend geld doorgeschoven van organisatie tot organisatie tot eindelijk eens iemand begint een latrine uit te graven. Enorme bedragen worden verspild door dit systeem van onderaanneming”. Hervormingen dringen zich al een decennium up, laat Weuts uitschijnen. “Op dit ogenblik wordt er gedacht aan het onderwerpen van NGO’s aan een certificatieproces, wat de professionalisering van de sector ten goede moet komen. Intussen probeert met de stroom aan hulorganisaties onder controle te krijgen, maar het lijkt wel een niet te stoppen spiraal.”

Op de vraag of de internationale gemeenschap een kans gemist heeft om een beter en sterker Haïti op te bouwen antwoord Polman met een onomwonden ja. “Na de aardbeving was er een enorm momentum, maar het is bij dat momentum gebleven. Als NGO moet je in je handjes knijpen als je project zoveel aandacht krijgt en het geld zo gemakkelijk binnenstroomt. Jammer dat het wederom verzand is in dezelfde oude fouten en klunzig gedrag. Des te schrijnender omdat Haïti verre van onbekend terrein was voor de hulporganisaties. Uiteindelijk is nog maar eens bewezen hoe flinterdun het engagement daadwerkelijk is. Serieuze hervormingen die lang duren en moeilijk zijn, gaat men liever uit de weg.”

Kant-en-klare recepten voor een duurzame en door de bevolking gedragen heropbouw van Haïti liggen nochtans klaar, maar blijven onbenut. De voorkeur wordt gegeven aan top-down operaties waarbij weinig tot geen lokale inspraak wordt voorzien. De vrijheid tot bijdrage wordt gelijkgesteld aan de vrijheid tot arbeid. De Haïtiaanse bevolking laat er nochtans weinig twijfel over bestaan: men wil zich engageren in grootscheepse infrastructuur– en landbouwprojecten waar men op middellange termijn concrete en duurzame voordelen uit schept. Tegelijkertijd zou daardoor een gigantische tewerkstellingspotentieel en een gevoel van betrokkenheid worden gecreëerd, een gezamenlijk doel. Het gebrek aan het bieden van dergelijke perspectieven is dan ook het grootste falen van het internationale hulpprogramma in Haïti.

Joren Janssens

Joren Janssens (1991) is adjunct-hoofdredacteur van De Moeial, het onafhankelijk studententijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel (www.demoeial.be).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!