Hebben we nog een interventieleger nodig?
Opinie, Nieuws, België -

Hebben we nog een interventieleger nodig?

Het is crisis, maar toch vindt onze regering voor begrotingsjaar 2012 242 miljoen euro voor de aankoop van militair materieel. Ook de komende jaren wordt er zwaar geïnvesteerd, waarbij het uitkijken is naar het debat over de peperdure vervanging van de F-16's. De investeringen passen binnen het concept van een 'expeditie-' of interventieleger. Vraag is of we dan nog een leger nodig hebben en de 4 miljard euro op defensie niet beter kunnen besteden.

dinsdag 11 september 2012 09:12

Voor volgend jaar voorziet het investeringsplan van minister van Defensie Pieter De Crem een bedrag van 212 miljoen euro. De legertop waarschuwde dit voorjaar al dat nieuwe investeringen in legermaterieel dringend nodig waren om te kunnen antwoorden op de NAVO-kritiek.

Deze zomer, in de kamercommissie Defensie, benadrukte De Crem dat deze investeringen maar ‘klein bier’ zijn in vergelijking met de politieke discussie die er na 2014 moet komen over grote aankoopdossiers, zoals de opvolgers van de F-16-gevechtsvliegtuigen en de aankoop van nieuwe fregatten.

De Crem stelde dat het om investeringen gaat die passen in het concept van de vorming van een ‘expeditieleger’. Dit begrip zorgt voor een wrange bijsmaak. Volgens de Van Daele gaat het om “een krijgsonderneming tegen een vijand in een min of meer ver verwijderde streek”. Leopold II zond in 1892 een expeditieleger naar ‘zijn’ Kongo Vrijstaat om te strijden tegen de handel in ‘negerslaven’ door de Arabieren om de bevolking – o ironie – vervolgens zelf aan dwangarbeid te onderwerpen of te vermoorden.

Voor De Crem en het politieke establishment is de heroriëntering van het Belgisch leger zeer vanzelfsprekend. Nochtans was de centrale opdracht van ons leger tijdens de Koude Oorlog van een heel andere aard. Toen moest het leger vooral in staat zijn om het eigen territorium te verdedigen tegen een mogelijke aanval vanuit communistisch Oost-Europa. Van ‘out-of-area’-operaties was er nog lang geen sprake.

Met de val van het Oostblok viel deze vijand echter weg en daarmee ook de belangrijkste officiële bestaansreden van de NAVO en de aangesloten nationale legers. Plots bleken we dringend nood te hebben aan een ander leger, een dat in staat is om desnoods op verre afstand militaire interventies te ondernemen. Het was veranderen of verdwijnen.

Het militair industrieel complex speelde een grote rol in de omschakeling, die zich zonder veel protest of discussie voltrok. Hogere humanitaire doelen of de strijd tegen het terrorisme leverden de argumenten om critici de mond te snoeren. Een echt maatschappelijk debat over de bestaansreden van ons leger, dat toch een slordige 4 miljard euro per jaar kost, was en is er amper. Zo keurde de NAVO in Lissabon (november 2010) het erg expeditionaire derde Strategische Concept goed zonder dat de parlementen op voorhand de tekst mochten inzien, iets waar ze blijkbaar ook niet erg van wakker lagen. Het prijskaartje is wel voor de Belgische belastingbetaler.

Als we de bilan opmaken van de nieuwe centrale legeropdracht – militair ingrijpen in ver gelegen gebieden – en dus van de afgelopen militaire interventies, dan is die weinig positief. Afghanistan, Irak, Libië, Somalië,… telkens is de politieke, economische en menselijke schade enorm en blijven land en bevolking achter in een staat van instabiliteit die jarenlang aansleept. Instabiliteit die ook onzichtbaar is, want de mediabelangstelling taant na elk zogenaamd militair succes.

De belangrijkste winnaar is de defensie-industrie, die grote winsten puurt uit de interventie-ideologie. Daarenboven staat de humanitaire legitimatie voor die interventies in scherp contrast met onze politieke of economische praktijk. De Europese landen die zich graag op de humanitaire borst kloppen, zien er geen graten in om hun wapens over de hele wereld te slijten, inclusief aan regimes met een zeer twijfelachtige reputatie.

Onze menselijke bekommernis verdwijnt als het land in kwestie een bondgenoot is (Israël), of geworden is na een ‘bevrijdingsoperatie’ (Irak, Afghanistan). Irak is tot een democratie gebombardeerd en dus hoeven we niet meer te horen dat het er slecht gaat en dat er mensenrechten geschonden worden. Dit jaar zijn er in Irak bijvoorbeeld al bijna 100 mensen geëxecuteerd na twijfelachtige processen. Als daarover de alarmbel wordt geluid, blijken we plots behoorlijk doof te zijn.

Het is natuurlijk niet leuk als regering van een interventiemacht om je bevolking achteraf te moeten vertellen dat de bevrijding van pakweg Libië geleidelijk aan verder dreigt te ontaarden in militiegeweld en mensenrechtenschendingen. Zeker niet als we daar miljoenen belastinggeld tegenaan hebben gesmeten. Een eerlijke analyse van de militaire interventies de afgelopen jaren zou op kosten-baten-vlak wel eens heel erg desastreus kunnen uitvallen. Nochtans blijft nagenoeg het hele Belgische politieke establishment – NAVO-getrouw als we zijn – zweren bij dit concept van een expeditieleger.

De hamvraag die we ons in deze crisistijd moeten stellen, is: wordt het niet hoog tijd om eens grondig na te denken of we die 4 miljard euro niet beter kunnen besteden? Als het doel van het leger – zoals men zegt – er vooral uit bestaat om vrede, stabiliteit en humanitaire waarden tot ver over onze grenzen te projecteren, hebben we dan nieuwe straaljagers, pantservoertuigen of moderne nucleaire arsenalen nodig? Deze wereld geeft in totaal 1.700 miljard dollar uit aan zijn militaire apparaten en defensie. Is dat geen hallucinante verkwisting? Stel dat we dit bedrag op duurzame sociaal-economische investeringen inzetten, wat een winst voor de mensheid zou dit niet zijn. Wanneer durven we over deze fundamentele kwesties discussiëren?

Dit opiniestuk kan je ook lezen in ‘Vrede. Tijdschrijft voor Internationale Politiek’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!