Het Brussels Gewest en de zesde staatshervorming

Het Brussels Gewest en de zesde staatshervorming

maandag 13 augustus 2012 11:39
Spread the love

De zesde staatshervorming draagt belangrijke bevoegdheden over aan de gewesten, in het bijzonder op het gebied van de werkgelegenheid. In het  institutioneel akkoord staat bijvoorbeeld dat de budgetten voor RSZ-bijdrageverlagingen voor  doelgroepen (jongeren, oudere werknemers, enz.) en voor  activering van bepaalde uitkeringen zullen worden overgeheveld naar de gewesten. Veel van die maatregelen grijpen in elkaar: een bijdrageverlaging kan worden aangevuld met een activering van de uitkering. Verder vermeldt het  akkoord nog dat de gewesten, na de overdracht, de mogelijkheid hebben om de geldmiddelen “naar believen”, volgens hun eigen prioriteiten, te besteden.

Zo wordt meteen tegemoet gekomen aan de wens om de budgetten zo adequaat mogelijk te besteden. Bedoeling is immers dat elk gewest inspeelt op zijn eigen, specifieke tewerkstellingsproblematiek.

Maar er rijzen vragen bij de praktische toepassing. We hebben te maken met een arbeidsmarkt die traditioneel openstaat voor de andere gewesten. Deze intergewestelijke invalshoek is belangrijk voor Brussel. De helft van de werknemers in Brussel (350 000) woont in een ander gewest.Bijna 60 000 Brusselaars zijn buiten de gewestgrenzen tewerkgesteld. Zij het in mindere mate geldt dit ook voor de andere gewesten. Denk bv. aan de inspanningen om de intergewestelijke mobiliteit van werknemers te bevorderen.

Deze vaststelling heeft belangrijke gevolgen voro de systemen van verlaging van RSZ-bijdragen en de activering van uitkeringen.
Binnen het huidige stelsel worden de bijdrageverlagingen toegekend aan de werkgever en ontvangt de werknemer de uitkering. Na de overdracht van deze bevoegdheid aan de gewesten, zelfs met behoud van het tweeluik, kunnen we vraagtekens plaatsen bij de praktische toepassing van de maatregelen binnen een intergewestelijke context.

In de eerste plaats gaat het erom de nieuwe maatregelen te doen aanknopen bij de federale programma’s. De intergewestelijke uitdagingen van hun kant zijn ons intussen welbekend:

  • Enerzijds is er de ‘overdraagbaarheid’ van de steunmaatregelen tussen de gewesten, met name wanneer de werknemer is tewerkgesteld in een ander gewest dan dat waar hij woont. Met andere woorden: zal een verlaging/activering toegekend in het ene gewest worden erkend in een ander en vooral, wat gebeurt er wanneer de werknemer die de steunmaatregel geniet naar een ander gewest verhuist ? Dit punt is bijzonder aan de orde wanneer het gewest waar de werknemer is tewerkgesteld verschilt van zowel dat van zijn woonplaats als dat van de zetel van de werkgever. Voorbeeld: een bedrijf is gevestigd in Vlaams-Brabant, stelt een werknemer woonachtig in Brussel tewerk voor een activiteit in Wallonië.  In die gevallen zijn dubbele subsidiëring of andere meevallers nooit veraf.
     
  • Anderzijds: hoe kunnen maatregelen die onderling verschillen op elkaar inhaken? Bv. verschillen in de doelgroep ( tot 30 jaar in het ene gewest en tot 25 jaar in een ander) of  in de regeling zelf (2 jaar in het ene gewest en 3 jaar in een ander, enz.).
     
  • En ten slotte is er de grip die de gewesten op elke maatregel willen krijgen. Gewesten hebben elk een eigen, specifieke tewerkstellingsproblematiek. Het is niet ondenkbaar dat ze steunmaatregelen voorbehouden voor de werklozen op hun grondgebied, of het nu gaat om de verlaging voor de werkgever op grond van de plaats van tewerkstelling of om de uitkering voor de werknemer op grond van zijn woonplaats. Een afgeleid gevolg van de maatregelen kan zijn dat de intergewestelijke mobiliteit van werknemers wordt afgeremd, wat op termijn contraproductief kan uitdraaien.

In elk geval is het risico groot dat de werknemers en ook de werkgevers de dupe zijn van de toegenomen complexiteit.

Samenwerking tussen de 3 economische en sociale raden

Waarschijnlijk zal het nodig zijn dat de gewesten samenwerkingsafspraken maken. Hoewel het institutioneel akkoord over de zesde staatshervorming dit niet direct vereist. De sociale partners van hun kant spelen een belangrijke rol bij de uitwerking van normen en bij het paritair beheer van bovenstaande materies.  Zij kunnen zeker helpen bij de inspanningen om alles in elkaar te doen passen.

Daartoe zouden de drie economische en sociale raden en de federale sociale gesprekspartners een akkoord kunnen sluiten, uiteraard volledig conform de autonomie van elk gewest. Een akkoord dat op zoek gaat naar gemeenschappelijke principes,  dat verbanden legt tussen de maatregelen van de drie gewesten en de federale regelingen en duidelijke limieten stelt aan elke regeling waarin sprake is van oneerlijke concurrentie en die uiteindelijk contraproductief is.

Dit akkoord, dat mogelijk ook relevant is voor andere overgedragen materies in het kader van de zesde staatshervorming, zou kunnen worden geconcretiseerd  via de invoering van een interfederale overlegstructuur op basis van dezelfde principes.
De bureaus van de 3 economische en sociale raden ontmoeten elkaar hierover op 17 september in Luik. Te volgen!

Romeo Matsas, adviseur studiedienst ACV

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!