“Wij kopen van arbeiders een goed dat ‘arbeidskracht’ heet. Arbeidskracht is een heel merkwaardig goed. De waarde ervan verandert naargelang de manier waarop het gebruikt wordt. Er valt geen precieze waarde te kleven op dit goed, behalve misschien het minimale bedrag het goed nodig heeft om in leven te blijven. In onze positie als werkgevers kunnen wij het ons permitteren te zeggen dat we voor dit goed, dat in essentie waarschijnlijk twee munten waard is, maar één munt willen geven. Dan werken de arbeiders het equivalent van twee munten terwijl wij daar maar één munt voor moeten neerleggen. Resultaat: één munt voor ons, verdiend vanuit onze luie stoel. Robin…je leidt een fabriek, geen liefdadigheidsinstelling. Indien je rijk wilt worden…moet je ze [je arbeider] uitbuiten”, uit Graphic Classic “Het Kapitaal” van Karl Marx uitgegeven bij EPO.
Opinie, Nieuws, Economie, Samenleving, België, VDAB, OCMW, RVA, Horeca, Uitzendarbeid, Internationale solidariteit, Sociale uitbuiting -

Uitzendarbeid in de horeca: uitbuiting van goedkope machteloze arbeiders

Uitzendarbeid is en blijft een bron en oorzaak van immense sociale uitbuiting. Onder andere de horecasector blijft berucht voor zijn sociaal onaanvaardbare werkomstandigheden. Dit is het verhaal van een Iraanse migrante op zoek naar werk in België. Zij weet waarover ze het heeft, want in haar land was ze zelf arbeidsinspecteur. Een pakkend verhaal dat ons moet wakker schudden.

woensdag 8 augustus 2012 15:30
Spread the love

Recente ontwikkelingen tonen aan dat de mensheid er met zijn ideologie, technologie en innovatie niet is in geslaagd om de voor vele mensen nog steeds gesloten deuren te openen. Talrijke briljante geesten, die op onze moderne problemen antwoorden kunnen bieden, worden onopgemerkt gefnuikt omdat ze de kans niet krijgen om zich te ontplooien. Ik heb er zelf ervaring mee. Dit is mijn verhaal.

Welkom in de wereld van uitzendarbeid

Na één jaar werk zoeken en na de ontsnapping uit de vruchteloze bezigheidstherapie van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), bood ik me aan bij een uitzendbureau in Oostende.

Tijdens mijn eerste ontmoeting vroeg ik de jonge uitzendconsulente, die mijn dochter kon zijn, om me gepast werk aan te bieden. Als 57-jarige vrouw heb ik noch het energiepeil, noch de verwachtingen van een jonge twintiger. Dat legde ik nauwgezet aan haar uit, maar uit haar reactie kon ik snel opmaken dat ik, zoals ik in de VDAB-cursussen had geleerd, als werknemer niets te verwachten heb. Verwachtingen hebben, is een privilege dat alleen de werkgevers toebehoort.

Deze jonge consulente bood me een baan aan in de keuken van een druk bezocht kustrestaurant in Oostende dat gemakkelijk duizend mensen per dag over de vloer krijgt en tot middernacht op volle toeren draait. Daar mocht ik onmiddellijk voltijds aan de slag. Dit restaurant bleek echter geen gewoon restaurant te zijn, maar een fabriek waar uitbuiting centraal stond.

Het multicultureel paradijs maar dwangarbeid

De dag waarop ik me aan de baas van dit restaurant voorstelde, moest ik – zoals gewoonlijk – de minachtende blikken van de werkgever en enkele werknemers verdragen. Ik schrok hier niet van. Intussen ben ik (met mijn Iraanse naam en uiterlijk) in dit land dit soort niet-verwelkomende lichaamstaal gewoon.

Anderzijds viel me wel op dat de meerderheid van het personeel van buitenlandse herkomst was. Op dat vlak leek het restaurant zelfs op een multicultureel paradijs. Dat beviel me onmiddellijk.

Waar ik vooral van steigerde was het aantal uren dat me op het werkschema werd voorgeschoteld. Zonder enige schroom maakte de personeelschef me bekend dat men van me verwachtte om minstens 12 uren per dag te werken, terwijl ik volgens mijn contract in totaal per twee opeenvolgende dagen 12 uren moest presteren. Was het uitzendbureau op de hoogte van deze eisen van haar opdrachtgever en werd dit (bewust) achtergehouden, vroeg ik mezelf af.

Géén openbaar vervoer heeft consequenties

Aangezien ik volgens het mij opgelegde werkschema, dat drastisch verschilde met het aanbod van het uitzendbureau, tot sluitingstijd moest werken, was het niet mogelijk om met het openbaar vervoer naar mijn werk te gaan. De afstand van mijn huis tot mijn werk, heen en terug, bedroeg 67 kilometer en aangezien ik de laatste trein niet kon nemen, moest ik per wagen naar mijn werk.

Voor een parkeerplaats moest ik bovendien 14 euro per dag betalen (= 1,5 uur arbeid) omdat ik na minstens twaalf uur werk geen kracht meer had om nog eens een lange wandeling te wagen naar de rand van de stad waar het parkeren goedkoper is dan aan de dijk van Oostende.

De keuken waar ik in moest werken, was amper tien vierkante meter groot. In de breedte was de keuken zo nauw dat men amper twee stappen van ene kant naar het andere kon zetten. Daar werkten we met vier mensen als keukenpersoneel en moesten we ook nog de vlotte passage van obers en leveranciers garanderen. De vloer van deze piepkleine keuken was zo glad dat ik versteld stond dat nog niemand haar/zijn nek heeft gebroken. Misschien was dat al gebeurd en mocht ik juist daarom hier beginnen, dacht ik bij mezelf.

Gegijzeld door werkgever en RVA

Vanaf die eerste dag wist ik dat het geen zin heeft om in mijn huidige positie voorwaarden te stellen. Ik aanvaardde het aanbod en ging aan de slag. Ik maakte mezelf wijs: ”Eenmaal de werkgever van mijn werk tevreden zou zijn, zou ik met haar een redelijke deal kunnen sluiten om niet meer dan acht uren per dag te moeten werken”.

De tweede dag liet ik aan de personeelschef weten dat ik niet bereid was om langer te werken dan die zes uur die mijn contract voorschreef. Ik kreeg geen respons. Ik probeerde het opnieuw maar er werd me geantwoord dat dit niet mogelijk was, want iedereen in dit restaurant werkte op die manier. Waarom zouden zij voor mij een uitzondering maken?

Inderdaad, iedereen in dit restaurant begon met een vals contract dat maximum acht uren werk voorschreef, maar in werkelijkheid was iedereen verplicht om ook zwart te werken, want anders kregen ze van de baas geen kans om het ‘wit’ werk te doen.

Is het niet fraai om de helft minder personeel aan te nemen en die dan te dwingen om voor twee te werken? Wie dat niet wil, wordt niet aangenomen of mag vertrekken. Zo simpel klonk het daar. Ik vraag me alleen af hoe het komt dat de arbeidsinspectie en de belastingen dit soort oorden niet op spoor komen.

Ik wilde niet zwart werken. Niet alleen omdat ik dat onwenselijk vind, maar ook omdat mijn lichaam niet meer dan acht uur werk per dag aankan. Bovendien, de drukte van dat restaurant was van dien aard dat ik zelfs geen 15 minuten pauze kon nemen of eens rustig naar het toilet kon gaan. Ik wilde werken, maar de manier waarop we in dit restaurant moesten werken was een pure aanslag op onze gezondheid en onze levenskwaliteit.

Zwartwerk of géén werk is de ‘keuze’

Als ik vertrok, zou de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) me er dan van kunnen beschuldigen dat ik werk had geweigerd? Zouden ze het aannemelijk hebben gevonden dat ik van mijn werk wegliep omdat ik niet zwart wilde werken? De twijfel liet me niet los, maar ik wist toch dat ik deze slavernij niet zou blijven pikken.

In dit land heb ik geleerd dat de werkgever veel macht heeft. Bij het minste meningsverschil, zeker in de horecasector, kan je je baan verliezen. Bovendien, je moet goed oppassen dat je werkgever je een ‘goede’ C4, of tout court een C4 geeft, want als je dat formulier niet hebt, kan je bij de RVA geen werkloosheidsuitkering aanvragen.

Vandaar dat bij een conflict met de werkgever de meeste werknemers zogezegd ziek worden om op een minder riskante manier hun baan te verlaten. Wie zelf ontslag neemt of haar werk verlaat om welke reden ook, wordt immers nog eens door de RVA afgestraft.

(Het C4-formulier is een getuigschrift van werkloosheid dat de voormalige werkgever moet uitreiken, waarop de redenen van ontslag staan. Daarin kan de werkgever een goede evaluatie van de betrokkene geven of niet, wat uiteraard zeer belangrijk is voor de mogelijke nieuwe tewerkstellingskansen, nvdr.)

Je staat er alleen voor

Bij het minste geschil met de werkgever, wordt je dossier onderzocht. Zolang dat onderzoek loopt, moet men maar voldoende financiële reserve hebben of te rade gaan bij het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) om de onderzoeksperiode financieel te kunnen overbruggen. Ik heb geen financiële reserves en het OCMW is geen optie. Ik wikte en woog dus. “Neen, ik neem geen ondoordacht risico”, zei ik tegen mezelf en bleef werken.

Bovendien, bij elke sollicitatie vragen ze je waarom je je vorige baan hebt verlaten. Kan je dan aan je volgende baas zeggen dat je het met je vorige baas oneens was over de werkvoorwaarden? Natuurlijk niet, want dan krijg je de job niet. Men zegt dat de vakbonden je rechten kunnen verdedigen. Ik ben vakbondslid, maar ook zij weten dat de meeste horecazaken zwartwerk afdwingen en hebben daar geen vat op. Wie niet wil zwart werken, mag zelfs vaak niet beginnen.

Natuurlijk weet iedereen dat er een feitelijk gedoogbeleid is tegenover het zwartwerk in de horecasector (hotel-restaurant-café). Moest iedereen in de horeca- en de ontspanningssector ‘wit’ werken, dan zouden de prijzen in deze sectoren niet zo scherp zijn.

‘Gelukkige’ slaven zijn een groot gevaar voor de mensenrechten

De arbeiders die al enkele jaren in dit restaurant werkten, waren in twee kampen verdeeld. Het ene kamp was tevreden, verzorgde de baas feilloos en was van mening dat men in dit restaurant miljonair kon worden. Miljonair? Inderdaad, als je aan dat tempo een volle maand kon werken, kon je iets meer dan een paar duizend euro’s per maand verdienen, die je dan later zeker moet investeren in een rolstoel voor jezelf en/of waarmee je je ziekenhuiskosten moet betalen.

Eén van de kokkinnen met zeven jaar ervaring ter plaatse was één van die ‘tevreden’ slaven die door de restaurantuitbater aan elk nieuw personeelslid als voorbeeld werd voorgesteld. Wat had zij dat die andere ontevreden latina-kokkin niet had? Ze was meer op haar werk dan thuis, zonder enige vorm van protest. Zij leefde om te werken maar wij, de latina-kokkin en co. (inclusief mezelf) wilden werken om te kunnen leven. Juist deze perceptie over leven en arbeid maakte dat de baas de één als voorbeeld aanhaalde terwijl zij de andere straal negeerde.

Het sociale drama herhaalt zich keer op keer

De betrokken latina-kokkin voelde zich bedrogen door haar werkgever en was er niet over te spreken toen ik haar vertelde dat ook ik het onaanvaardbaar vind om langer dan acht uur te werken. Deze ervaren kokkin werkt al vijftien jaar in dat restaurant en zelfs het volledige menu staat op haar naam.

Ze begon haar loopbaan op jonge leeftijd in dit restaurant. Toen was ze nog een jonge dertiger en had een gezin te onderhouden. Als immigrant moest ze alles van nul beginnen en aanvaardde het afgedwongen zwartwerk in ruil voor werkzekerheid.

Ook zij dacht net als ik: “Zodra de baas tevreden zal zijn van mijn werk, mag ik minder werken”. Naïef was die gedachte, want na dertien jaar werken is zij er niet in geslaagd om de baas te overtuigen om minder dan twaalf uren per dag te werken.

Als ze minder wilt werken moet ze maar vertrekken klink het. Ze weende en ik weende met haar mee. Als deze slavendrijver haar oud personeel voor hun bewezen diensten niet eens respecteert en hen op die manier blijft uitbuiten, wat staat mij dan te wachten?

Ik leg me er niet bij neer

Ik wilde in geen geval de fout van het nu ontevreden personeel maken. Hadden ze vanaf het begin aan de werkgever duidelijk gemaakt dat ze niet bereid waren om onvoorwaardelijk twaalf uren per dag arbeid te leveren, dan was het misschien niet zo ver gekomen. Ik besefte echter ook goed dat dit soort uitbuiting kon omdat ons systeem dat toelaat. Ik besloot om nog eens bij de personeelschef aan te dringen dat ik niet op die manier wens te werken.

Uit noodzaak, omdat ze me in de drukte van dat weekend niet konden missen, deed de personeelschef alsof zij dat zou regelen eens de drukte voorbij zou zijn. Ik vertrouwde haar en vatte mijn werk opnieuw aan.

In de moskee laat men geen wind

Het weekend waarop ik in dit restaurant begon te werken, was een verlengd weekend en het uitzendbureau dat me dit werk gaf, was gesloten. In principe moest ik zondag en maandag, op een feestdag, niet werken, want daarvoor had ik geen contract getekend.

Maar de personeelschef wist een leugentje te verzinnen om me toch nog aan het werk te houden. Volgens haar had het restaurant mij ook voor zondag en maandag bij het uitzendbureau aangevraagd. Die contracten waren zogezegd klaar en ze moesten alleen maar geprint worden. Pas maandagavond stelde ik vast dat er geen contracten waren om te printen.

Dinsdag belde ik boos naar het uitzendbureau. Mijn klacht was tweezijdig en terecht. Het is juist dat ik wil werken, maar niet tegen elke prijs. Met mijn klacht wilde ik hen echt duidelijk maken, zoals men dat in het Perzisch uitdrukt, dat men ‘in een moskee geen wind laat’ (dat zeggen de Perzen wanneer iemand iets ongepast doet).

Ik sta op mijn rechten

Ten eerste moet ik mijn contracten op voorhand ondertekenen, niet nadat ik mijn prestaties al heb geleverd. Ten tweede, in werkelijkheid ben ik aangeworven door het uitzendbureau en is dat mijn werkgever. Met welk lef liet de jonge uitzendconsulente me dan een contract van 6 uur per dag tekenen terwijl ze heel goed wist dat haar opdrachtgever in praktijk minstens 12 uren werk per dag van haar personeel verwacht?

Toen de uitzendconsulente mijn klachten ontving, repliceerde ze arrogant dat ik toch niet verplicht was om meer te werken dan op mijn contract vermeld stond. Bovendien, voor de zondag en maandag waarop ik zonder contract in totaal al 24 uren had gewerkt, kreeg ik ook een ge-antidateerd contract waarop maar de helft van mijn prestaties vermeld stonden, wat ik logischerwijs weigerde te tekenen.

Te biechten gaan bij de duivel werkt averechts

Ik dreigde om naar de RVA te stappen en een klacht in te dienen tegen het uitzendbureau dat met kennis van zaken mensen in een werkcircuit brengt waar men hen zwartwerk afdwingt. Te biechten gaan bij de duivel is echter alles behalve verstandig, heeft een goede kennis me achteraf aangeraden het niet te doen.

Is het niet schandelijk dat de werkgever op papier kan zetten wat haar best uitkomt? Hoe pervers is het niet om mensen twaalf uren per dag te laten werken, ze letterlijk als sinaasappels uit te persen zonder dat ze hun pensioen en andere sociale rechten kunnen opbouwen.

Veel van zulke eenvoudige arbeiders sterven met veel gezondheidsproblemen en een armzalig pensioen. Het is het recht van iedereen om zo’n triest perspectief te weigeren. Ik wil werken maar ook een waardig pensioen opbouwen.

Hoe met watten iemand de keel doorsnijden

De uitbuiting van arbeiders is niet beperkt tot de Vlaams-Belgische arbeidsmarkt, maar is een internationaal fenomeen. In het kader van mijn werk als sociaal inspecteur kwam ik in Iran zowel in contact met zowel werkgevers als arbeiders. Daar trok ik me onvoorwaardelijk het lot van de arbeider aan, want ook in Iran hebben de arbeiders een erg kwetsbare positie.

Na mijn emigratie naar België ben ik zelf arbeider geworden – waar ik trots op ben, want alleen door er zelf één te zijn kan ik beter oordelen over de aard van de uitbuiting en het effect dat dit heeft op de levenskwaliteit van een arbeider.

Het onderscheid tussen de Belgische-Vlaamse en de Iraanse uitbuiting is dat het uitbuitingssysteem hier gemoderniseerd is en daarom ook verfijnder. In het Perzisch hebben we daar een sappige uitdrukking voor: “In Iran snijden ze je keel door met een mes. Hier snijden ze je keel door met watten”.

De strijd die hier werd geleverd om levenswaardige arbeidsrechten te behalen, is in historisch perspectief nog maar recent, maar lijkt reeds vergeten. Sommige dochters en zonen, sommige kleindochters en kleinzonen van deze arbeiders, die hun leven en hun werk riskeerden, de fabrieken barricadeerden en staakten voor een menswaardig leven voor de arbeiders van vandaag en voor betaalbaar kwalitatief onderwijs voor hun kinderen en kleinkinderen, durven nu het stakingsrecht in vraag te stellen.

Schande aan de arbeiderszonen en -dochters die alleen de vruchten van de harde strijd van hun voorouders hebben geplukt en nog plukken, maar vandaag verraad plegen tegen de arbeiders en hun kinderen. De vakbonden van weleer zijn tegenwoordig instituten geworden die op de eerste plaats lijken aan zelfbehoud te doen.

Voor wie zijn lidmaatschap kan betalen, verstrekken ze een aantal bureaucratische dienstverleningen terwijl ze steeds maar flexibelere collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO’s) met de werkgevers afsluiten.

De ‘illegalen’ en diegenen die vaak ongewenst in het zwarte arbeidscircuit belanden omdat ze geen werkvergunning hebben of, zoals ik, weinig kans op de arbeidsmarkt hebben, daar hebben onze vakbonden geen antwoord op.

Een hand geven maar een arm kwijt raken

Zijn onze vakbonden soms zelf door dit kapitalistisch systeem geconditioneerd? Ik heb in ieder geval de indruk dat ze niet radicaal genoeg zijn en juist daarom ook geen antwoord hebben op de massale ontslagen, die zeker sinds het begin van de economische crisis in 2008 schering en inslag zijn.

Waarom kunnen onze vakbonden geen tegengewicht bieden tegen de werkgevers en de overheid, die aan de kant van de werkgevers en het grootkapitaal staat?

Volgens mij hebben de vakbonden dezelfde fout begaan als het personeel van het kustrestaurant waar ik begon te werken. Om werkzekerheid veilig te stellen, hebben ze altijd maar toegegeven aan de wensen van de werkgevers uit angst dat ze anders uit België zouden verhuizen. Ze zijn onvoldoende kritisch geweest en ook zij werden nu verrast door de economische crisis.

Het is vijf na twaalf voor de sociale strijd

Nu is het vijf na twaalf. De massale ontslagen komen al een tijdje op ons af, het leger van werkzoekenden zwelt aan en de steunmaatregelen van de overheid voor de werkzoekenden krimpen voortdurend in. De strijd om niet in armoede terecht te komen, drijft iedereen in een ongenadige concurrentie, waarbij de arbeiders tegen om het even welke prijs en arbeidsvoorwaarden aan de slag willen blijven/gaan. In dit troebel water, ontstaan uit paniek en onzekerheid, vissen alleen de onverzadigbare werkgevers.

In december vorig jaar mobiliseerden de vakbonden meer dan 40.000 van hun leden in de straten van Brussel om de regering duidelijk te maken dat ze er nog zijn en dat men met hen rekening moet houden. Wat bracht die massale staking op? Waarom bleven ze niet doorgaan tot ze hun slag thuis haalden?

Sociale strijd is internationale strijd

De strijd voor menswaardige arbeid is altijd een internationale strijd geweest. Toen men hier zijn slag thuis haalde, mocht men niet in zijn zetel achterover gaan leunen en uit eigenbelang de uitbuiting elders ‘ver’ van eigen deur aanvaarden. Het is omdat de arbeidersbeweging nooit internationaal werd, vooral door gebrek aan solidariteit, dat nog talrijke mensen onderworpen zijn aan uitbuiting en armoede. Met de huidige gang van zaken rest ons geen keuze.

We moeten in beweging komen en solidariteit en samenhorigheid heruitvinden, want alleen dan geraken we samen uit deze negatieve spiraal.

Roya’s ervaringen bij het zoeken van een stabiele en waardige broodwinning in België verschijnen als een driedelige reeks op deze site. Binnen dezelfde reeks verscheen eind vorige maand reeds het eerste artikel “Migranten: eenvoudige, goedkope en stille arbeiders”. In Iran werkte ze zeventien jaar als overheidsambtenaar bij de sociale arbeidsinspectie. Deze teksten zijn vanuit het Perzisch naar het Nederlands vertaald door Baharak Bashar.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!