Peer-to-peer productie en de komst van de ‘commons’

Peer-to-peer productie en de komst van de ‘commons’

dinsdag 24 juli 2012 16:28

Michel Bauwens schreef onlangs voor het Britse progressieve magazine ‘Red Pepper‘ een baanbrekend artikel over de opkomende peer-to-peer economie. Als oprichter van de P2P Foundation werd hij dit jaar als enige Belg verkozen in de top honderd van de “En”Rich list, samengesteld door het tijdschrift Forbes, die ‘s werelds meest inspirerende persoonlijkheden op het vlak van duurzaamheid in kaart brengt. Hij vertoeft er in het illustere gezelschap van mensen zoals E.F. Shumacher, Mahatma Ghandi, de Daila Lama, John Kenneth Galbraith, Martin Luther King JR., Naomi Klein, Evo Morales, Amartya Sen, John Stewart Mill… Op de 82ste plaats doet hij het beter dan presidentsvrouw Eleanor Rooseveld of voormalig Iers premier Mary Robinson.

Michel Bauwens gaat na hoe de opkomst van productie die gebaseerd is op vrijwillige samenwerking en de ‘commons’ een uitdaging vormt voor het kapitalisme. Hij gebruikt hierbij vaak termen die nog lang niet zijn doorgedrongen in het normale taalgebruik en schuwt ook geen woorden die hij zelf heeft bedacht. Omdat er in het Nederlands geen equivalenten voor zijn, heb ik de Engelstalige termen behouden. Ook heb ik de tekst hier en daar aangepast om ze beter verstaanbaar te maken voor een publiek dat niet vertrouwd is met de materie. Aangebrachte links geven meer achtergrondinformatie, al dan niet in het Engels. Helaas zijn de links niet zeer goed zichtbaar (ze zijn iets grijzer en vetter dan de lopende tekst), maar je kan ze ‘ontdekken’ door met je cursor over vaktermen of eigennamen te glijden). 

Michel Bauwens heeft onderstaande vertaling gelezen, waar nodig aangepast en goedgekeurd. Hij heeft speciaal voor deze Nederlandse versie de tekst aangevuld met extra en geactualiseerde voorbeelden. 

“Op een bepaalde trap van hun ontwikkeling komen de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met de voorhanden zijnde productieverhoudingen of, wat niets anders dan een juridische uitdrukking ervoor is, met de eigendomsverhoudingen, waarbinnen zij zich tot dusverre hadden bewogen. Van vormen van ontwikkeling der productiekrachten veranderen deze verhoudingen in kluisters ervan. Er begint dan een tijdperk van sociale revoluties. Met de verandering van de economische grondslag ondergaat de gehele reusachtige bovenbouw een in mindere of meerdere mate snelle ingrijpende verandering.”
Karl Marx, (Voorwoord tot ‘Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie’)

We leven tijden van beroering, waarin we nieuwe woorden moeten gebruiken om nieuwe concepten te kunnen uitdrukken. Als we dus lezen over wijdverspreide “peer-to-peer”-activiteit (onderling communiceren, samenwerken en delen zonder tussenkomst van een centrale autoriteit) en de verspreiding van ‘open source’ (het automatisch delen van innovatie zonder copyright of patentbescherming), of botsen op schijnbaar paradoxale concepten zoals “prosumenten” (consumenten die waarde creëren naarmate ze verbruiken), of volledig nieuwe concepten zoals ‘phyles’ (transnationale netwerken van kleine ondernemingen die steunen op waardecreatie in een gedeelde commons), dan moeten we nader kennis maken met innovaties die de oude taal niet kan uitdrukken.

We zijn vandaag getuige van de opkomst van een nieuwe ‘proto’-productiewijze die gebaseerd is op genetwerkte organisatievormen in samenwerkingsverband. Deze nieuwe productiewijze ontwikkelt zich binnen het kapitalisme op min of meer dezelfde wijze als de vroege vormen van handels- en industrieel kapitalisme zich ontwikkelden binnen de feodale maatschappij.  Anders gezegd: verandering staat opnieuw op de dagorde, zij het in een onverwachte vorm: niet als een socialistisch alternatief, maar als een die gebaseerd is op de commons.    

Het kapitalisme in zijn huidige vorm botst op zijn grenzen, in het bijzonder wat betreft het gebruik van natuurlijke grondstoffen en het voortbestaan van een gezonde biosfeer, en ondanks de fikse groei van de economieën van de BRICS -landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) is het een systeem in ontbinding. De centrale vraag is vandaag of de nieuwe productiewijze in wording  over het institutionele vermogen beschikt en de bondgenootschappen kan ontwikkelen om de politieke macht van de oude orde te breken. 

Een manier om de veranderingen die zich momenteel volstrekken te omschrijven, is dat er een einde komt aan de technologische en economische schaalvoordelen en de daarbij horende massaproductie omdat die afhankelijk zijn van goedkoop wereldwijd transport, en bijgevolg de voortdurende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen. Er is een verschuiving aan de gang van ‘economies of scale’ naar ‘economies of scope’ omdat de kost van een gemeenschappelijke infrastructuur van bedrijven die opereren in een netwerk competitieve voordelen biedt. De bewerkstelliging van deze ‘economies of scope’ maakt de gedistribueerde P2P-productiewijze, aangevoerd door nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, mogelijk. 

(Mijn opmerking: we evolueren van’ schaalvoordelen’ naar ‘integraalvoordelen’ omdat technologie het mogelijk maakt om ook in kleinschalige geïntegreerde werkplaatsen de productiekosten te drukken, zonder de sociale en ecologische kosten die verbonden zijn aan massaproductie af te wentelen op de gemeenschap).

Wie controleert de gedistribueerde productie?

De ecologische crisis en de problemen die verbonden zijn aan grondstoffenschaarste maken de verschuiving naar ‘economies of scope’ zo goed als onafwendbaar. Een dergelijke verschuiving neemt twee belangrijke vormen aan: het onderling delen van kennis –het ‘open source model’- en het onderling delen van fysische hulpbronnen zoals bijvoorbeeld in de vorm van collaboratieve consumptie, waardoor ook ongebruikte middelen worden ingezet (‘idlesourcing’).  Dankzij collaboratieve consumptie kan individuele schaarste (‘ik heb geen drilboor’) omgezet worden in collectieve overvloed (‘mijn overbuurman heeft er een die ik gemakkelijk kan lenen’), door het idee van individuele eigendom te vervangen door ‘toegang’. Beide fenomenen vinden plaats in het kader van een horizontalisering van menselijke communicatie en de gemeenschappelijk waardeschepping mogelijk gemaakt door het internet. Ze worden gekenmerkt door vormen van onderlinge aanpassingen tussen gecentraliseerde instellingen (zoals bedrijven en staten) en gedecentraliseerde, onderling verbonden  gemeenschappen (zoals producenten van open software en gebruikers van sociale netwerken).  Bij dergelijke aanpassingen is er een duidelijk onderscheid tussen situaties waarin de controle stevig verankerd zit in de bedrijven en die nadelig zijn voor de arbeiders/producenten, en vormen waarin de gemeenschapsdynamiek overheerst en waarbij de instellingen zich moeten aanpassen aan de regels en normen van de gemeenschap.

Op het vlak van immateriële productie zijn Facebook en Google voorbeelden van een model waarin individuen hun individuele expressie delen zonder evenwel met elkaar samen te werken rond gemeenschappelijke projecten. Dergelijke platformen gebruiken typische ondernemingsmodellen die de waarde niet teruggeven aan de gebruikers die ze hebben gecreëerd. Zo is het mogelijk dat de stichter van Ariana Huffington, een website die wordt samengesteld door vrijwillige bijdragen van burgerjournalisten, zijn website kan verkopen voor enkele honderden miljoen dollar zonder dit bedrag te delen met degenen die de waarde ervan hebben gecreëerd!

Peerproductie die steunt op de commons ontwikkelt zich daarentegen als een proto-productiewijze waarin productieve gebruikers of “prod-users” waarde scheppen in  gemeenschappelijke, innovatieve commons op het vlak van kennis, code of ontwerp. Dit gebeurt overal waar mensen zich horizontaal met elkaar kunnen verbinden en zonder toestemming gemeenschappelijke waarde kunnen creëren. Het potentieel schuilt vooral in het vermogen om uit te groeien van een prototype tot een echte productiewijze die zowel in het voordeel speelt van de arbeiders als de “commoners”. Maar om dat te bewerkstelligen, zijn strategische en tactische breuken met het kapitalisme noodzakelijk, doch niet noodzakelijk met de markt.

Hoe werkt peerproductie die steunt op de commons? 

Als we de praktijk die ontstond in de wereld van de immateriële productie veralgemenen, functioneert het nieuwe systeem als volgt. De deelnemers zijn ofwel vrijwilligers, ofwel betaalde werknemers van bedrijven die met elkaar samenwerken. De infrastructuur om samen te werken wordt vaak beheerd door een nieuw type van batengerichte vereniging (for-benefit association), zoals de Wikimedia Foundation die toezicht houdt op Wikipedia, of de zogenaamde FLOSS-stichtingen (Free/Libre Open Source Software) zoals de Apache Foundation, die organisatorische, legale en financiële steun verleent aan software die een groot deel van het web aanstuurt.

Deze stichtingen faciliteren het productieproces, maar besturen of controleren het niet. Ze laten de geassocieerde producenten toe om de middelen sociaal toe te wijzen. De Wikmedia Foundation bijvoorbeeld is verantwoordelijk voor het werven van fondsen voor de ‘servers’ van Wikipedia, zonder dewelke het project niet mogelijk zou zijn. Rond deze commons zien we de opkomst van ondernemingscoalities, samengesteld door bedrijven die “bovenop de commons” waarde creëren.
Een voorbeeld hiervan is de open source provider Red Hat, die een commerciële versie van het gratis besturingssysteem Linux verdeelt en ondersteunt. In de feedbacklus waarin de waarde wordt gecreëerd, maken dergelijke bedrijven de sociale reproductie mogelijk van de commoners/bijdragers, en ondersteunen daarbij vaak de batengerichte verenigingen die ook een buffer vormen tussen de gemeenschap van peerproducenten en de ondernemers.   De taakverdeling is dus de volgende: de ‘commoners’ creëren de waarde, de for-benefit verenigingen beschermen het collectief, de bedrijven creëren extra marktwaarde en maken het mogelijk dat diegene die bijdragen tot de commons er ook van kunnen leven.

Deze nieuwe opkomende productiemodus heeft de neiging om de klassieke kapitalistische productiewijzen van de markt te verdrijven en weg te concurreren, zoals het voorbeeld van Wikipedia vs. Brittanica aanwijst, maar ook de veralgemening van het model van vrije software voor het maken van softwareproducten. De reden schuilt: 1) in haar groter innovatief potentieel (er is geen privatisering van de innovatie);  2) de mogelijkheid van een gedistribueerde parallelle ontwikkeling op wereldschaal zonder het gebruik van dure bureaucratische controle (zoals het geval is bij Wikipedia: elke module kan apart worden bewerkt door om het even welke bijdrager die over de nodige vaardigheden beschikt); en 3) de veel goedkopere productiekosten aangezien de kost van intellectuele eigendomsrechten (IP) geen deel uitmaken van de prijsstructuur. Overal waar deze nieuwe productievormen opduiken –in de productie van kennis, vrije software en nu ook voor het eerst van fysische goederen- hebben ze de neiging om gepatenteerde productiewijzen te verdringen. Een studie door de Computer and Communications Industry Agency schat dat in de VS de ‘fair use’ economie, die gebaseerd is op gedeelde kennis en evenwichtig auteursrecht, reeds 17,5 miljoen mensen tewerkstelt en in 2007 goed was voor een zesde van het BBP.

Wordt het kapitalisme vervangen door een nieuw systeem?  

Net als bij de voorkapitalistische productiemodi onder het feodalisme, ontwikkelen de nieuwe productievormen zich vandaag naast de overheersende productiewijze en kunnen die aanvankelijk zelfs versterken. Vandaag worden de arbeiders in de peerproductie nog altijd tewerkgesteld door het kapitaal, maar tezelfdertijd vormt de rol van de commons en de gemeenschap, en haar uitdrukkelijke coöperatief en niet-kapitalistische logica, het belangrijkste kenmerk van de nieuwe organisatie van de productie. Peerproducenten zijn kenniswerkers en maken integraal deel uit van de arbeidersklasse, terwijl de ondernemerscoalitie vaak wordt gedomineerd door een “netarchische” klasse van kapitalisten – een nieuwe categorie kapitalisten die niet langer afhankelijk is van intellectueel eigendomsrecht, maar veeleer van de ontwikkeling en controle van participatieve platformen zoals Facebook. Deze netarchische klasse weet hoe ze waarde uit sociale productie kan verzilveren ten voordele van het kapitaal.

Peerproductie als nieuwe modus geeft ons een voorproefje van een nieuw productief systeem dat een gelijkaardige logica volgt zoals beschreven door Marx: iedereen kan bijdragen naar vermogen, en iedereen die toegang heeft tot het netwerk kan nemen naar behoeften, althans op gebied van kennis, code of ontwerp. De middelen worden sociaal toegewezen aan de hand van de beslissingen van de bijdragers die hun vaardigheiden en energie besteden aan een welbepaald deel van het project. Hun bijdragen geven ze terug aan de commons die voor iedereen vrij beschikbaar blijft, zelfs wanneer ze werden gecreëerd door ontwikkelaars die werken voor kapitalistische bedrijven.  

De paradox is natuurlijk dat dit reëel bestaande communisme en dit reëel bestaande kapitalisme van de ondernemingscoalitie die werkt met een welbepaalde commons onderling afhankelijk zijn van elkaar. Daardoor creëert deze overgangsmodus van peerproductie een nieuw sociaal spanningsveld, strijdtoneel en uiteindelijk wijziging tussen de verschillende sociale krachten.
Uiteindelijk is het potentieel van de nieuwe productiewijze dezelfde als die van vorige prototypes van productiemodi. De oude productiewijze is in verval, en om zich te bevrijden van haar afhankelijkheid ervan, moet de nieuwe modus op eigen benen kunnen staan en de circulatie van het kapitaal kunnen vervangen door die van de common(s). In een omloop van de common zou de waarde die gecreëerd wordt door de commoners  rechtstreeks worden aangewend voor de verdere versterking van de commons, zonder afhankelijk te zijn van kapitaal.

Hoe kan dat worden bereikt? Ten eerste dringt zich een verbetering op van de huidige deel-licenties  om te vermijden dat het kapitaal zich straffeloos de waarde die gecreëerd wordt in de commons toe-eigent. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het gebruik van de peerproductie -licentie zoals voorgesteld door Dmytri Kleiner, die er de provocatieve naam van ‘copyfarleft’-licentie aan geeft. Ons voorstel is dat de gebruikers van de commons “commonsvriendelijke” ondernemingsstructuren moeten vormen in plaats van winstmaximaliserende bedrijven. De leden van deze ethische bedrijven, georganiseerd als globale open design ondernemingen, zijn de commoners/bijdragers zelf. Die bedrijven zouden verbonden zijn aan netwerken van kleine ondernemingen die produceren op basis van gemeenschappelijke waarden. Ze zouden op natuurlijke wijze een beleid kunnen voeren op het vlak van ‘open’ boekhouding, ‘open’ logistiek  en ‘open’ aanwervingen zodat transparantie verzekerd wordt doorheen het netwerk en maximale wederkerigheid onder de deelnemers. Deze aanpak ligt gewoon in de lijn van sociale praktijken die reeds bestaan in de productie van immateriële commons, die volledige transparantie van alle acties combineren met een onderhandelde coördinatie (‘negotiated coordination’).  Het is typisch voor peerproductie dat de bijdragers zich ‘stigmergisch’ (i.e. zoals de signalentaal van mieren) coördineren via open signalen die transparant zichtbaar zijn, conflicten onderling onderhandelen via online forums,  en zich onderwerpen aan een vrijwillige arbitrage door deskundigen waar iedereen vertrouwen in heeft (de zgn. ‘maintainers’).

Om peerproductie om te vormen van een overgangsmodus binnen het kapitalisme tot een potentieel nieuwe productiewijze, moeten we de “commonistische” aspecten van immateriële samenwerking verbinden met productiebedrijven die niet de aandeelhouders en kapitaaleigenaars belonen, maar wel degenen die de waarde creëren. Een mogelijke manier om dit te doen, is via een omvorming van de bestaande sociale, coöperatieve  en solidariteitseconomie tot gedeelde “innovation commons”.  De globale coöperatieve economie telt op wereldschaal 100 miljoen arbeiders, waarvan 10 miljoen in de Verenigde Staten! Indien zo’n ethische sociaaleconomische spelers hun  “innovation commons” zouden delen, zouden ze hypercoöperatief worden en zodoende effectief kunnen concurreren met multinationale ondernemingen. Op die manier zouden ze sneller en diepgaander innoveren dan multinationals en dat tegen een goedkopere prijs, aangezien de kosten van intellectueel eigendom wegvallen. De  zgn. “dwergachtige vormen” (‘dwarfish forms’) van Marx zouden uitgroeien tot machtige wereldspelers.

Hoe is dit van toepassing op de industrie?

Er is al geruime tijd een beweging naar gedistribueerde productievormen bezig, aangedreven door bedrijven. Wanneer deze “klassiek” gedistribueerde productie gekoppeld wordt aan het principe van gedeelde “innovation commons” -met andere woorden als de gedistribueerde productie van ‘open hardware’- liggen nog veel drastischere veranderingen in het verschiet. Marcin Jakubowski van het Open Source Ecology Project, een initiatief dat ongeveer vijftig soorten productiemachines ontwikkelt die gebaseerd zijn op open hardware (bijvoorbeeld open source tractoren, baksteenmachines, enzovoort), en Wikispeed, het open source project voor de constructie van auto’s, kondigde onlangs de ontwikkeling aan van een “extreem productieplatform”. 

Wij beschouwen dit voor peerproductie een even grote doorbrak als de assemblagelijn van Henry Ford. Het introduceert snelle productiemethodes die hun nut hebben bewezen in de productie van open software (zoals “extreem programmeren”) in de wereld van machineontwerpen, en legt een directe band naar microfabrieken en gedistribueerde ondernemingen. Het platform van Jakubowski maakt een gedistribueerde productie-infrastructuur mogelijk op wereldvlak, en komt dus volledig tegemoet aan de ‘economies of scope’. Jakubowski legt het als volgt uit: “Extreme productie (XM) is een ontwikkelingsmethodologie gebaseerd op open source die zich richt op open source design en samenwerking; het inkomstenmodel is dat van een gedistribueerde onderneming (d.i. een sociale onderneming die zich richt op een open economische ontwikkeling)  … Het wonderlijke van die methode ligt in de synergetische, levendige, gedistribueerde, parallelle ontwikkeling.”  Hij legt verder uit dat het een lichte organisatievorm betreft die echter “over voldoende structuur beschikt voor schaalbaarheid.”  Het is nu al mogelijk om auto en auto-onderdelen van het Wikispeed project aan te kopen via het gebruik van Bitcoin, een peer-to-peer geldsysteem dat gecreëerd werd zonder bemiddeling van de banken (Bitcoin is een digitale munteenheid die gebaseerd is op cryptografie)!

Dit soort van distributief systeem kan opereren binnen een kapitalistisch kader, maar kan eveneens wanneer het verbonden wordt met gedeelde “innovation commons”, voorzien in een nieuwe vorm van open en gedistribueerde productie die gericht is op sociale in plaats van winstgedreven waardecreatie. De grondvesten van een geïntegreerd distributief productiesysteem zijn momenteel in volle ontwikkeling. Ze omhelzen de gedistribueerde toegang tot machines: 3D-printing en andere vormen van persoonlijke fabricage, zoals die vandaag reeds worden ontwikkeld in FabLabs en hackerspaces, alsook in opkomende modellen van  microfabrieken zoals Wikispeed en Local Motors.

Vereisten zijn gedistribueerde toegang tot fysische plekken voor samenwerking – centra voor co-working, evenals de wijdverspreide mogelijkheid tot peer learning. Gedistribueerde toegang tot financieel kapitaal is een bijkomende voorwaarde, met name via crowd-funding, sociale leningen en gedistribueerde, gedecentraliseerde munteenheden zoals Bitcoin. De verspreiding van deze peer-to-peer financieringsvormen heeft al de aandacht getrokken van Andrew Haldane, uitvoerend bestuurder van de Bank of England, die te kennen gaf dat op peer-to-peer gebaseerde financieringsmodellen wel eens de inefficiënte particuliere banken van de kaart zou kunnen vegen.     

Ook toegang tot gedistribueerde energiebronnen en grondstoffen zal doorslaggevend zijn. Maar ook hier zijn al tendensen in die richting. In Duitsland bijvoorbeeld wordt de helft van de zonne-energie geproduceerd door gemeentelijke coöperatieven, en ook in Noord-Nederland zijn die al zeer populair. Het is nodig dat er gepaste juridische vormen komen om ondernemerschap toe te laten in deze nieuwe productievorm.  

Als het juist is dat de kapitalistische productiewijze op haar grenzen botst, en dat deze nieuwe manier om waarde te creëren betekenisvolle kansen biedt voor productie die geënt is op de commons, dan dienen we die gelegenheid met beide handen aan te grijpen, niet alleen op microniveau als een nieuwe sociale praktijk, maar als een maatschappelijk emancipatorisch project. 

Is het mogelijk om peerproductie uit te breiden tot de volledige samenleving?

Het huidige kapitalistische systeem baseert zich op twee volledig foutieve stellingen: ten eerste dat natuurlijke bronnen oneindig zijn en blijvend kunnen worden uitgebaat om eindeloze groei te bewerkstelligen; en ten tweede dat het delen van innovatie, cultuur en wetenschap moet worden verhinderd door het privatiseren van intellectueel eigendom – wat neerkomt op het opleggen van artificiële schaarste. Deze macro-economische principes worden vervolgens ingeschreven in de “grondwet” van winstmaximaliserende bedrijven, die wettelijk verplicht zijn om hun aandeelhouders te verrijken door zoveel mogelijk sociale en ecologische kosten af te wentelen op de samenleving of de natuur.  

Modellen van peerproductie tonen ons een nieuwe mogelijke realiteit waarin de democratische publieke sfeer, productieve commons en een bruisende markt naast elkaar kunnen bestaan tot eenieders voordeel. Dit model heeft drie dimensies. Centraal in de waardecreatie staan de verschillende commons waarin innovaties worden verzameld die voor iedereen beschikbaar is en waarop iedereen kan verder bouwen.

Deze commons worden bevorderd en beschermd door non-profit burgerlijke verenigingen, met de instellingen van de ‘partnerstaat’ als hun territoriaal equivalent dat sociale productie mogelijk maakt en stimuleert. Rond de commons ontstaat een bruisende economie aangestuurd door verschillende soorten van ethische ondernemingen met juridische structuren die hen binden aan de waarden en doelstellingen van de commons-gemeenschappen, en niet aan afwezige en private aandeelhouders die ten allen koste de winst willen maximaliseren. 

De ‘burgers’ zelf bevinden zich in het gebied waar deze drie cirkels (privésector, overheid, commons) elkaar overlappen en bepalen de optimale vorm van hoe ze in hun leven willen voorzien. Dat is wat er gebeurde toen Occupy Wall Street in New York besliste om de gratis voedselverdeling aan te vullen met het Street Vendor Project, dat de bezetters toeliet om eten te kopen van plaatselijke straatverkopers die anders dreigden failliet te gaan. Dat was een bewuste, burgergedreven keuze voor een ethische economie, ondergeschikt aan de burgers en hun politieke commons. Occupy en de indignado’s vertegenwoordigen de geboorte van digitale en lokale sociale bewegingen, en een noodzakelijke politisering rond de nieuwe productieve en sociale mogelijkheden. 

Terwijl de evolutie naar gedistribueerde productie mogelijk onvermijdelijk is, blijft de vorm die ze kan aannemen onzeker. Deze evolutie zal niet alleen worden bepaald door de sociale constructie van alternatieven waarin gemeenschappen, bedrijven en de staat  elkaar kruisen, maar ook door sociale en politieke strijd.  

Een politieke uitdrukking van de commons

Nieuwe sociale bewegingen beginnen altijd als een subcultuur, waarbij mensen nieuwe sociale praktijken bedenken. De “file sharing gemeenschappen” die aan de basis liggen van de Zweedse Piratenpartij bestonden aanvankelijk louter uit muziekliefhebbers die hun muziek en ontdekkingen wilden delen. Maar ze kwamen tot de vaststelling dat wat ze deden illegaal was, omdat het bestaande intellectueel eigendomsrecht de gebruiker geen soevereiniteit verleent over hun verworven materiaal. Delen is verboden omdat de entertainmentbedrijven hun opbrengsten willen gewaarborgd zien.

Aanvankelijk richtten deze gemeenschappen hun pijlen niet meteen op het systeem dat hun vrijheid om te delen onderdrukte. In plaats daarvan begonnen ze een eigen structuur op te zetten, een nieuw type van creatieve commons en andere ‘copyleft’ licenties die hun legaal het recht verleenden om te delen.

Er is echter een stadium in de evolutie van een nieuwe sociale beweging en cultuur waarin politieke macht cruciaal wordt om haar overleven en verdere ontwikkeling te waarborgen. Het is niet genoeg om nieuwe instellingen te creëren in de marge van de samenleving; doeltreffende verdedigingsmechanismen tegen voortdurende aanvallen van de overheersende machthebbers wordt noodzakelijk. Dit betekent het uitbouwen van een politieke coalitie.

De Piratenpartijen (de Duitse Piraten zullen naar verwachting 10 procent halen in de volgende verkiezingen) zijn de eerste politieke uitdrukking van deze vrije cultuur. De Piraten zijn de natuurlijke verdedigers van de digitale commons die centraal staan in de nieuwe productiewijze. Sociologisch trekken ze stemmen aan van de jongere generaties die zich in een precaire toestand bevinden en die het meest betrokken zijn in deze vorm van productie.

De Groenen en ecologische partijen werpen zich eveneens op als de logische verdedigers van de natuurlijke commons. Ze zijn vaak de uitverkoren partijen van oudere, hoogopgeleide kenniswerkers.

Links en de partijen die opkomen voor sociale rechtvaardigheid, waarvan sommigen recent een betekenisvolle electorale vooruitgang hebben geboekt in Europa (Syriza in Griekenland, Melenchon in Frankrijk), zijn uiteraard de partijen van de productieve commons. Zij zouden een machtsfactor kunnen betekenen die begrijpt wat de voordelen zijn van gedistribueerde productie die toegang en eigendom verleent aan de arbeidersproducenten zelf. Vaak behalen ze hun stemmen bij overheidsambtenaren en industriearbeiders die nog altijd trouw blijven aan de oude arbeiderstradities. Wel noodzakelijk is dat zo’n partijen inzien dat vooruitgang niet langer afhankelijk kan zijn van louter loonslavernij, maar dat de autonomie van de arbeid nu haalbaar is.

Een laatste element in een nieuwe politieke coalitie zijn de progressieve liberalen. In Denemarken bijvoorbeeld staat cultuurminister Uffe Elbaek bekend voor zijn commons-vriendelijke benadering. Dergelijke partijen kunnen een link vormen naar sociaal progressieve ondernemers die bedrijven oprichten rond de commons. Heel veel jongeren zijn vandaag geïnteresseerd in deze nieuwe bedrijfsvormen van de  zogenaamde ‘sociale onderneming’. Zij vormen een potentieel voor een groep progressieve, ‘anti-systemische’ entrepreneurs.

Vanuit deze verschillende bronnen kan een nieuwe progressieve meerderheid worden gecreëerd rond vrije cultuur, respect voor de natuur en haar grenzen, de noodzaak voor sociale rechtvaardigheid en ethisch ondernemerschap. Deze ‘Grote Coalitie van de Commons’ kan een nieuwe politieke meerderheid creëren voor sociale verandering. 
Hoewel nog geen enkele van de betrokken partijen er echt klaar voor is, zou een convergentie van commonsvriendelijke krachten de voorwaarden kunnen scheppen voor een nieuwe sociale hegemonie, die de huidige dominante spelers zouden kunnen uitdagen;  en potentieel zowel peerproductie als een rond de commons georganiseerde samenleving zouden kunnen reorganiseren, gedreven door en in het belang van “de commoners”.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!