(foto Koen Broos)
Opinie, Nieuws, Samenleving, België - Gita Deneckere

Is heropflakkering van protest fata morgana van vervlogen sociale strijd?

"De vakbonden vervullen als machtige organisaties een belangrijke maatschappelijke bufferfunctie in de mondiale transitie die nu bezig is. Het vakbondbashen is precies daarop gericht. In die zin hoeven de labels ‘conservatief’ en ‘defensief’ niet eens als iets negatiefs te worden beschouwd", schrijft historica Gita Deneckere als inleiding op het Gentse Feesten-debat 'De oorlog tegen de vakbonden'.

dinsdag 24 juli 2012 17:30

Op 22 februari 2012 verklaarde Mario Draghi, de voorzitter van de Europese Centrale Bank in een vaak geciteerd interview met de Wall Street Journal dat het Europese sociale model verleden tijd is. Hij zei letterlijk ‘the European social model has already gone’ en verwees daarbij naar de extreem hoge jeugdwerkloosheid in bepaalde Europese landen. De flexibilisering van de arbeidsmarkten heeft in zijn ogen tot dualiteit en onrechtvaardigheid geleid in die zin dat van jongeren uiterste flexibiliteit wordt verwacht, terwijl het sociaal beschermde en verzekerde deel van de bevolking eerder op anciënniteit dan op productiviteit wordt afgerekend. Draghi zweeg nog over hun pensioenen, net als over de vakbonden.

Zijn uitspraak werd in diverse media als een doodverklaring van het naoorlogse sociaal model geïnterpreteerd, en was zeker geen banale dooddoener. Geheel toevallig verscheen in de Groene Amsterdammer diezelfde week een special over de ‘flexmens’, wiens bestaansonzekerheid niets minder dan de inzet van de arbeidersstrijd in de 21ste eeuw werd genoemd. Flexwerkers hebben niet alleen geen uitzicht op een vaste job voor het leven, maar ook minder rechten en rechtszekerheid en geen of onvoldoende pensioenopbouw. Voor werkgevers is het niet de bedoeling dat daar verandering in komt, het onrecht wordt in hun discours integendeel doorgeschoven naar het systeem dat sociale zekerheid biedt aan de werknemers uit een vroeger tijdperk die de toekomst van jongeren hypothekeren.

Generatieconflict?

Het zijn duidelijke indicaties van het feit dat de betaalbaarheid van de sociale welvaartsstaat in de huidige crisis meer en meer ter discussie gesteld wordt in termen van een generatieconflict.  De basistegenstelling tussen werkgevers en werknemers verdwijnt daarmee uit het zicht. Werknemers met een precair statuut op de arbeidsmarkt worden opgezet tegen werknemers met vast werk en uitzicht op een goed (vervroegd) pensioen. Als de vakbonden die ongelijkheid willen rechttrekken door te ijveren voor meer sociale zekerheid voor flexwerkers, worden ze teruggefloten met het argument dat elke job beter is dan geen job. De hoge(re) loonkost die sociale zekerheid met zich brengt past niet meer in de flexibele arbeidsmarkt van de toekomst.

Een ‘Europees’ sociaal model dat zou voorbijgestreefd zijn in de ogen van Draghi heeft nog nooit bestaan – in de betekenis van een institutioneel sociaal overlegmodel toch niet. Eric Corijn heeft daar in een vorig Gentse Feesten-debat ook al op gewezen. Het zijn nationale sociale modellen die vandaag zwaar onder druk staan, zoniet afgebroken worden: de socialezekerheidsstelsels die in het kader van de Europese natiestaten zijn opgebouwd, eerst en vooral door de vakbonden. De ‘uitvinding van het sociale’ betekende een openbreken door de arbeidersbeweging van de klassieke liberale burgerlijke rechten en vrijheden van de moderne soevereine natiestaten in de 19de eeuw. Lokale conflicten rond arbeid en sociale rechten werden meer en meer ingeschreven in dat nationale kader. Op die manier kwam een ‘civil society’ tot ontwikkeling tussen staat en markt.

De wetgevende macht van de soevereine staat dwong de arbeidersbewegingen binnen nationale grenzen te opereren, ondanks het internationalistisch revolutionair discours van het socialisme. De sociale strijd richtte zich in belangrijke mate op de staat als bemiddelaar tussen kapitaal en arbeid. De linkerzijde heeft vandaag de neiging in de achteruitkijkspiegel van de geschiedenis de sociale strijd in het verleden te heroïseren en de sociale ‘verworvenheden’ te koesteren als resultaat van die strijd. Terecht.

Fundamenteel conflict

We mogen echter niet vergeten dat het specifieke Belgische (nationale) socialezekerheidsstelsel tot stand gekomen is binnen een neo-corporatistisch sociaal overlegmodel waarin ook de werkgeversorganisaties hun belang zagen, niet het minst omdat het een garantie betekende voor sociale vrede. Zo was de schuchtere invoering van de eerste paritaire comités in België na de Eerste Wereldoorlog het resultaat van een woelige stakingsgolf. Vakbonden werden op aansturen van de overheid node als onderhandelingspartner aanvaard door het patronaat, met als trade-off dat zij hun achterban konden intomen en pacificeren. De invoering van de indexkoppeling en de afschaffing van art. 310 van het strafwetboek dat het stakingsrecht aan banden legde, dateren uit die periode – twee ‘verworvenheden’ die in de economische logica van vandaag als anachronismen worden bestempeld. Stakingsgolven in 1886 en 1936 hebben voor gelijkaardige doorbraken gezorgd.

De geschiedenis van het sociaal overlegmodel na de Tweede Wereldoorlog is een fundamenteel conflictueuze geschiedenis gebleven, dat wordt vaak uit het oog verloren als men het over het Sociaal ‘Pact uit 1944 of de sociale ‘partners’ heeft. De driehoeksverhouding tussen werkgevers, werknemers en overheid is van meet af aan een machtsverhouding  die in historisch perspectief meer niet dan wel in evenwicht was. Naargelang de politieke constellatie sloot de overheid wisselende allianties met vakbonden of patronaat.

Het strikt paritair overleg heeft in feite slechts bestaan tussen 1960 en 1975, niet toevallig een periode van economische expansie en stijgende productiviteit omkaderd door een keynesiaanse politiek. Het zorgde voor een groeiende integratie van de vakbonden in het kapitalistisch bestel, en voor hun groeiende macht in het economisch beleid.

Vanaf de jaren 1980 werden de vakbonden echter meer en meer kop van Jut. De ‘oorlog’ tegen de vakbonden vanuit neoliberale hoek is al minstens dertig jaar bezig, ook op het niveau van het overleg zelf, dat op aansturen van de werkgevers meer en meer geherstructureerd en gedecentraliseerd werd tot op het niveau van de bedrijven. Bijna twee decennia geleden besloot VUB-collega Dirk Luyten zijn geschiedenis van het ‘Sociaal-economisch overleg in België sedert 1918’ (VUBpress, 1995) met de bedenking dat de groeiende internationalisering van de economie belastend was voor de nationale overlegsystemen. Sociale eisen werden immers ondergeschikt gemaakt aan de internationale concurrentie en competitiviteit. ‘Op deze internationale economische machtsstructuren hebben de vakbewegingen weinig vat. Er bestaat geen ‘internationaal overlegsysteem’ en de internationale vakbeweging weegt niet op tegen de internationale kapitaalsgroepen’.

Geen Europees sociaal overlegmodel

Dat is vandaag a fortiori nog steeds niet het geval. Er is geen Europees sociaal overlegmodel waar de vakbonden als gesprekspartner erkend worden en invloed kunnen uitoefenen op het sociaal-economisch beleid. Wat is dan wel de impact  geweest van de Europese monetaire eenmaking en de globalisering op de verhouding tussen vakbonden en nationale staten? Sinds de crisisjaren 1970 staat de capaciteit van de staat om te bemiddelen tussen kapitaal en arbeid als gevolg van de dereguleringen onder druk. De val van het communisme en de globalisering van de markten na 1989 hebben dit proces versterkt. Neoliberalisme en postfordisme tastten met name de capaciteit van de staat om een herverdelingspolitiek te voeren aan.

Tegelijk zien we de verzwakking van de vakbonden als challengers van het systeem in een context van groeiend nationalisme, religieus fundamentalisme en identiteitspolitiek (ook ter linkerzijde). Een en ander heeft tot een versplintering van de  progressieve bewegingen geleid, waarbij de vraag zich opdringt of de vakbonden strikt genomen nog wel ‘progressief’ kunnen genoemd worden als hun voornaamste doel erin bestaat de sociale verworvenheden zoveel mogelijk te behouden en te behoeden. ‘Verandering’ is de slogan van de rechterzijde geworden. Dat is de paradox van de vooruitgangsgedachte vandaag tegenover het linkse ‘conservatisme’.

Het past in de utopie van de vrije markt en het economische groeimodel waar men tegen beter weten in wil blijven in geloven. Het doel van de economische rechterzijde is geen betere en rechtvaardiger wereld, maar een wereld waar alles onrechtvaardiger wordt en de sociale ongelijkheid toeneemt. En waarbij de ‘schuld’ voor de sociale kwalen afgeschoven wordt op het sociale zekerheidssysteem. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop Mario Draghi de duale arbeidsmarkt voorstelde. Kunnen de vakbonden nog dragers van de toekomst zijn? Kunnen we nog ‘vooruit’ met die vermaledijde vakbonden of hypothekeren ze fataal de toekomst van de jonge generatie ‘millennials’, de marktgedicteerde flexwerkers van de kenniseconomie?

Ik ben het met Eric Corijn eens dat de pijl van de tijd in de richting van een ‘herschaling’ op Europees niveau wijst, niet alleen van de economie, maar ook van de civil society en de sociale bewegingen daarmee verbonden. Het is echter zeer diffuus hoe de sociale bewegingen vandaag opereren, voor of tegen de (nationale) staten, voor of tegen Europa, anti- of andersglobaliserend. Als de sociale geschiedenis nog altijd een richting en een doel heeft, dan is de toekomst van de sociale bewegingen onvermijdelijk gericht op het versterken van de ‘state capacity’  – op Europese en globale schaal – tegen de processen van  deregulering en privatisering en de sociale effecten daarvan.

Onderzoek van sociale protestbewegingen na 1989 is uiterst moeilijk omdat het onderzoek van een ‘moving target’ betreft. Het is allerminst duidelijk of er zich effectief een verschuiving voordoet van de lokale naar de nationale naar de Europese schaal. De Euroscepsis en het democratisch deficit van Europa vertroebelen het beeld – ofschoon we als disclaimer kunnen stellen dat de identificatie van de arbeidersbeweging met de liberale natiestaat ook allerminst van harte was en de strijd voor burgerschap en sociale rechten op een nationale schaal evenzeer een langdurig, ambivalent, conflictueus, bijwijlen gewelddadig proces is geweest. Lokale autoriteiten fungeerden in de 19de eeuw vaak als ‘brokers’ of bemiddelaars tussen woedende burgers en de nationale overheid; als de dynamiek van schaalvergroting zich doorzet zou men kunnen verwachten dat nationale overheden zich als bemiddelaars van hun burgers – lees: drukkingsgroepen – gedragen op  Europees vlak. De machtswissel in Frankrijk lijkt voorzichtig in die richting te wijzen.

De media zijn ‘lokaal’

In het proces van ‘herschaling’ spelen de media natuurlijk een cruciale rol. Helaas is de lokale schaal voor de mainstream-media de standaard geworden. Nieuws, standpunten en duiding op pakweg de website van de European Trade Union Confederation (www.etuc.org) sijpelen niet of nauwelijks door en worden zelfs nauwelijks gecapteerd door vakbondsmilitanten en linkse opiniemakers. De Europese solidariteit van werknemers is dan ook moeilijk te organiseren. Op 11 juli jongstleden arriveerde de Marcha Negra van tweehonderd mijnwerkers vanuit Mieres in Asturië in Madrid  zonder dat de Vlaamse kwaliteitskranten daar noemenswaardige aandacht aan besteedden. De rellen met de robocops van de Guardia Civil trokken de aandacht, maar de achtergronden van het sociaal conflict bleven buiten beeld. Zo ook het feit dat de mijnwerkersbetoging als zogenaamd verloren syndicale strijd uit het verleden voor het behoud van overheidssubsidies de steun en sympathie kreeg van een massaal in Madrid  verzamelde bevolking, een mix van jeugdige indignado’s en gewone gezinnen. Negen naakte konten van ‘bomberos’ of brandweerlui die tegen de besparingen protesteren doen het als fotospecial beter in de media, zonder dat ook hierbij de nodige duiding werd gegeven, bijvoorbeeld dat een politiek regime in gevaar komt zodra de ordediensten – politie, brandweer – hun loyaliteit opschorten. 

De recente gebeurtenissen in Spanje en Griekenland tonen alleszins aan dat het sociaal spanningsveld vandaag veel verder gaat dan een generatieconflict, veel complexer is ook dan een kwestie van het luie potverterende Zuiden van Europa versus het werkzame, nijvere Noorden dat miljarden euro’s toestopt aan nooddruftige banken. Veel explosiever ook.

Als historicus heb je geen glazen bol om in de toekomst te kijken, maar de voortschrijdende processen van privatisering, delokalisering en de-instrialisering kunnen mijns inziens alleen een adequaat antwoord krijgen door de vorming van een daadkrachtige Europese civil society die van zich laat horen door middel van eurostakingen en andere transnationale sociale protestbewegingen. Een van de grote problemen hierbij is de kloof die ontstaan is tussen de goed georganiseerde en syndicaal goed gerepresenteerde groepen van industriearbeiders (mijnwerkers, metaalarbeiders, …) die een – in economische termen – verloren strijd voeren tegen de tijd, versus de kwetsbare, slecht georganiseerde groepen van steuntrekkers, werklozen, ‘workfare workers’ en ja, de flexwerkers tot op zekere hoogte. 

Er heeft zich de afgelopen dertig jaar immers ook een verregaande vervreemding voorgedaan tussen de sociale welvaartsstaat en een groot deel van de gebruikers ervan – het ‘precariaat’ of wat Guy Standing ‘the new dangerous classes’ noemt. Begin augustus vorig jaar sloeg de vlam in de pan in Londen; een ander soort protest dan de indignado’s van de Puerto del Sol, nu waren het plunderende jongeren, die werkloos of niet, met geweld hun aandeel in de consumptiemaatschappij opeisten en diezelfde maatschappij een spiegel voorhielden.

www.‘Reading the Riots’.uk is een fantastische website voor wie dieper dan het oppervlakkige mediaverhaal van molotovcocktails en gedepriveerde jongeren wil graven. Het jaar 2011 is niet alleen door DeWereldMorgen.be maar ook door Time Magazine uitgeroepen tot het jaar van de demonstrant. De steekvlamprotesten van de Occupy- en andere nieuwe, moeilijk te vatten bewegingen werden en worden door velen gezien als een teken van hoop – omdat een betere wereld niet alleen mogelijk is maar ook moet – om de baseline van Eric Goeman te reciteren. 

Hoop of radeloosheid?

Maar is de heropflakkering van protestbewegingen wereldwijd werkelijk een utopische oase in de woestijn van banaliteit en radeloosheid? Of is het een fata morgana van een vervlogen sociale strijd? Er is geen Grote Droom. Er is ook geen Grote Gangmaker. De indignados en de occupy’ers weigeren zelfs uitdrukkelijk met iconen en spokespeople te werken. Betekenisvol genoeg is het een 94-jarige die blijkbaar de verontwaardiging het best verwoordt, ik heb het over de twee dunne boekjes van de Franse oud-verzetsstrijder Stéphane Hessel: Indignez-vous! en vervolgens Engagez-vous!, wereldwijd goed voor meer dan 3,5 miljoen exemplaren (wat de kookboeken van Jeroen Meus op de Vlaamse markt ongeveer evenaart). 

Wat betekent het inderdaad als een bijna-honderdjarige met een boekje van amper dertig bladzijden meer deining veroorzaakt dan andere kritische geesten die over dezelfde kwesties een half oeuvre bij elkaar schreven – sommigen al sinds de jaren zeventig en tachtig. Denk aan de Brits-Amerikaanse historicus Tony Judt, die in zijn laatste werk Ill fares the land, of Het land is moe (2010) een terugkeer naar de oorspronkelijke uitgangspunten van de sociaaldemocratie bepleitte. Ook Hessel blijft naar het erfgoed van de sociale strijd in het verleden verwijzen: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wordt zelfs als bijlage opgenomen, net als het programma van de Nationale Raad van het Verzet, aangenomen op 15 maart 1944. Nu hebben de Verenigde Naties inderdaad nobele doelstellingen die allesbehalve gerealiseerd zijn wereldwijd, en weliswaar in de afgelopen zestig jaar bepaalde zaken in de wereld hebben veranderd, maar ook niet hebben verhinderd dat we aan de rand van een afgrond staan. ?Zo is de stokoude Hessel misschien eerder het bewijs van radeloosheid dan een hoopvol icoon voor een andere en betere toekomst. Het doet aan de verontwaardiging niets af. Maar is de hoop op (sociale) verbetering en (sociale) vooruitgang voor iedereen nog wel gerechtvaardigd? En zijn het de vakbonden die daarvoor gaan zorgen? En over welke  schaal spreken we dan?

De vakbonden vervullen als machtige organisaties een belangrijke maatschappelijke bufferfunctie in de mondiale transitie die nu bezig is. Het vakbond-bashen is precies daarop gericht. In die zin hoeven de labels ‘conservatief’ en ‘defensief’ niet eens als iets negatiefs te worden beschouwd. De pre-industriële gilden en ambachten hielden ook vast aan hun organisatiemodellen toen de vrijemarktideologie hen buiten de wet en buiten de moderne tijd probeerde te plaatsen. Ze hebben zich eerst ondergronds en later in de publieke ruimte steeds offensiever aan het industriële tijdperk aangepast en zo opnieuw greep gekregen op de geschiedenis.  Het postindustriële tijdperk combineert een schaalvergroting van de economie buiten het nationale kader met het afnemende belang van de productiefactor arbeid en een afnemende capaciteit van de (nationale) staten om de rijkdom te herverdelen. De uitdagingen voor de syndicale strijd zijn gigantisch, maar het einde van die strijd is  daarom nog niet gestreden.

take down
the paywall
steun ons nu!