Publiek debat: de staat van de Gentse burgermaatschappij
Opinie, Nieuws, Politiek, België, Gent, Gent, Burgermaatschappij -

Publiek debat: de staat van de Gentse burgermaatschappij

GENT - Deze tekst is bedoeld om het publiek debat in Gent te voeden. Hoe is het gesteld met de Gentse burgermaatschappij?

vrijdag 20 juli 2012 20:45

Een dynamische en innovatieve burgermaatschappij is voor de opbouw van een democratische, open en duurzame stad essentieel. In deze tekst schetsen we een kader om daarover te discussiëren. Is de burgermaatschappij in Gent nog dynamisch, innovatief? Is het publiek debat open? De tekst is niet het resultaat van wetenschappelijke studie; het gaat om voer voor debat, gebaseerd op fragmenten van onderzoek en op het inschatten van bepaalde maatschappelijke evoluties.

We schetsen (I) eerst een kader; vervolgens (II) formuleren we enkele observaties die we waar mogelijk stofferen met enkele voorzetten voor actie en debat naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen.

I – Het kader

1. Over termen en omschrijving

We gebruiken in deze tekst het begrip ‘burgermaatschappij’ en niet ‘het maatschappelijk middenveld’, ook al zijn beide termen inwisselbaar, om twee redenen. Voor sommige personen en in sommige contexten refereert het begrip ‘middenveld’ naar de denk- en handelingspatronen uit de hoogdagen van de verzuiling en het neo-corporatisme. Vaak wordt dan verwezen naar het ‘klassieke’ middenveld in de vorm van de grote belangenorganisaties die sterk politiek verankerd zaten (en zitten) in het politiek – bestuurlijke systeem.

In dat courante taalgebruik worden allerlei soorten lokale burgerinitiatieven zelden spontaan bij het begrip middenveld gerekend, terwijl zich ondertussen net op dat vlak belangrijke veranderingen voordoen, trouwens ook deels binnen wat traditioneel het klassieke middenveld werd genoemd.

Er is dus nood aan een minder beladen begrip dat kan helpen met een ruimere blik op de dynamische praktijk in steden te kijken: het begrip ‘burgermaatschappij’ komt daar het dichtst bij.

Binnen deze benadering is een gedetailleerde categorisering nagenoeg onmogelijk. We kunnen indicatief over soorten organisaties spreken, van de socio – culturele verenigingen, die zelf ook weer een koepelterm zijn, die zeer grote landelijke organisaties met een lokale afdelingen en een sterk geprofessionaliseerde werking zijn tot de zeer kleine en amateuristische organisaties zoals majorettenverenigingen, amateurtoneel, muziekverenigingen …

We hebben het ook over de vertrouwde organisaties uit het vormings- en opbouwwerk en over de nieuwere vormen zoals sociaal – artistieke werkingen. De waaier van sport – en recreatieve organisaties is al even breed en bevat eveneens de grote organisaties met een professionele uitbouw en de vissersclub, de aquariumvereniging, de vogelpikclub, het amateurvoetbal in bedrijven en caféploegen.

In de socio-economische sfeer zijn er niet alleen de vakorganisaties en werkgeversorganisaties maar ook de NGO’s die met ontwikkelingssamenwerking bezig zijn, de coöperatieve bewegingen, de zelforganisaties van armen en gehandicapten,…

Ook de categorie van de lokale burgerinitiatieven is dan vaak ruim verweven met de vorige groepen: van organisaties die ingebed zijn in of ontstaan uit landelijke bewegingen of organisaties zoals de oudercomités in de scholen, de lokale afdelingen van Natuurpunt, van de vredesbeweging, van NGO’s… tot en met de kleine en soms tijdelijke actiecomités in de sfeer van milieu, veiligheid, energie,… Een relatief recent fenomeen zijn de lokale burgergroepen actief in de nieuwe media: buurtgebonden websites, weblogs, lokale radio,…

2. Eigenschappen en functies in de stad

De burgermaatschappij heeft volgens ons drie eigenschappen.

(1)  Het gaat om een vrijwillige associatie van mensen in organisaties, netwerken en maatschappelijke verbanden. Daarmee geven we aan dat structuren en vormen van organisaties heel divers kunnen zijn. Ze zijn zeker niet meer alleen te vereenzelvigen met klassieke gelaagde en hiërarchisch opgebouwde organisaties. Allerlei vormen van meer horizontale, genetwerkte, losse en tijdelijke groepsverbanden tussen mensen maken eveneens deel uit van de burgermaatschappij.

(2)  Deze vrijwillige associaties dragen bij tot het publieke debat; tot publieke kennis- en meningsvorming over de meest uiteenlopende onderwerpen die deel uitmaken van de stedelijke agenda.

(3)  De burgermaatschappij is een aparte sfeer tussen het privé en het publieke. Ze is niet gebaseerd op affectieve banden (kenmerkend voor de privésfeer); niet gestuurd door de dwang van de overheid (kenmerkend voor de staat) en niet afhankelijk van de marktsturing (winst nastreven). Hier zijn beslissingen alleen bindend voor zij die zich daar vrijwillig aan onderwerpen.

De burgermaatschappij vervult in de stad functies die wezenlijk zijn voor een democratische, open en duurzame samenleving. Het is vanuit die overtuiging dat deze tekst is geschreven.

De burgermaatschappij vervult sociale functies 

Ze vormt en sterkt mensen; ze brengt mensen bijeen; emancipeert mensen om voor zichzelf op te komen en draagt in belangrijke mate bij tot het sociaal kapitaal in de stad: het vertrouwen van mensen in zichzelf, in elkaar en in de samenleving. De burgermaatschappij ondersteunt mensen in hun individuele meningsvorming en in hun houding in de samenleving en ten opzichte van maatschappelijke veranderingen. Het geeft mensen doorheen het contact met anderen een plaats en draagt bij tot het formuleren van belangen. In die betekenis is de burgermaatschappij een mogelijke bron van ‘empowerment’ van mensen maar ook van identiteitsvorming en betrokkenheid.

De burgermaatschappij vervult democratisch – culturele functies 

Ze brengt mensen in en via organisaties democratische vaardigheden bij, stimuleert het publieke debat, voedt democratische conflicten en zorgt mee voor democratische conflicthantering. De burgermaatschappij draagt zo bij tot processen van gemeenschapsvorming en biedt verhalende kaders voor sociale leerprocessen bij mensen over zichzelf, over de relatie met anderen en met de samenleving.

De burgermaatschappij vervult politieke functies

Ze heeft impact op de beleidsvorming en op beleidsevaluatie, draagt bij tot een draagvlak voor nieuw beleid of tot het beëindigen van beleid. De burgermaatschappij ondersteunt mensen om eigen verantwoordelijkheid voor de politieke zaak op te nemen, daardoor zelf aan politiek te doen en zo in de meest fundamentele zin te participeren: rechtstreeks en door praktijken bij te dragen tot de samenlevingsopbouw. Zo vormt de burgermaatschappij nieuwe democratische praktijken die vorm geven aan de stadsgemeenschap: de gemeenschap van mensen die samen in dezelfde ruimte wonen of van die ruimte gebruik maken.

De burgermaatschappij verbindt de representatieve met de participatieve democratie en geeft zo nieuwe inhoud aan de legitimiteit van de representatie; bouwt mee aan het draagvlak voor beslissingen in de representatieve democratie en is onmisbaar voor de gedragen uitvoering van maatschappelijke keuzes door burgers die mee voor complexe problemen hun verantwoordelijkheid willen nemen. Die democratische praktijken en verbindingen zijn essentieel om complexe problematieken in onze samenleving vanuit de steden en in de stedelijke context maatschappelijk vorm te geven.

Daarin zit het belang van de stad, daarop zou het Gentse stadsbeleid en het stedelijk beleid in onze samenleving moeten worden gericht en daarom is een autonome en krachtige burgermaatschappij de basis voor vernieuwing van de democratie, ook in Gent. De methodiek van lokaal denken, praten en doen is gekoppeld aan de acties van de burgermaatschappij op andere niveaus, tot en met het globale niveau, zo verbindt het verschillende niveaus in langdurige acties rond maatschappelijke thema’s gericht op een duurzame en inclusieve samenleving.

Zo opgevat is de burgermaatschappij een kader voor de creatie van vormen van solidariteit,  vanuit het morele besef van de onderlinge verbondenheid. Het vormt een dam tegen en is essentieel voor het keren van het neo – liberale gedachtengoed dat steunt op een doorgedreven individualisme (ieder voor zich). De burgermaatschappij speelt daarin de rol van facilitator en organisator.

II – Observaties

We bundelen onze observaties op volgende lijnen:

1. We kijken eerst naar de veranderende aard van de burgermaatschappij.
2. We kijken vervolgens kritisch naar interne ontwikkelingen binnen de burgermaatschappij zelf.
3. We verruimen onze observaties naar vaststellingen die te maken hebben met de plaats en de rol van de burgermaatschappij in ons politiek – bestuurlijk systeem; het gaat om trends die doorwerken in Gent.

1. De aard en verschijningsvormen van de burgermaatschappij veranderen

Uit onderzoek weten we dat de aard en de verschijningsvormen van de burgermaatschappij veranderen. De burgermaatschappij individualiseert: mensen maken eigen keuzes en nemen zichzelf als uitgangspunt van denken en handelen. Dat betekent dat zij zich niet meer afhankelijk maken van top – down opgevatte organisaties en dat zij ook geen nieuwe lineaire hiërarchie meer aanvaarden.

Binnen die keuze voor individualisering blijft het zoeken naar gemeenschappelijkheid, groepsbewustzijn, gemeenschapsvorming bestaan maar het motief en het keuzetraject start meer vanuit het individu. Dat legt ook druk op de professionalisering van de organisaties in termen van adequate belangenbehartiging, efficiënte werkwijzen, professionele dienstverlening en communicatie. Mensen zijn veeleisend geworden, ook ten aanzien van hun engagement in de burgermaatschappij.

Met informalisering bedoelen we een veranderend gedrag in de aard van het engagement. In de literatuur is sprake van de ‘politieke knutselaar’ die niet meer deductief redeneert, vanuit grootse ontwerpen en planmatige inzet van hulpbronnen, maar die inductief handelt, vanuit hetgeen hij aantreft in zijn omgeving en directe reactie daarop, gekleurd door zijn persoonlijke beleving en met het gebruik van wat mensen op hun levensweg aan inzichten verzamelen. Meerdere auteurs spreken over de ‘every day maker’, de ‘monitorial citizen’, de ‘political consumer’.

In onderzoek heeft Hooghe gewezen op het eerder ‘doe’ gerichte karakter van maatschappelijk inzet bij jongeren en bij vrouwen waardoor deze groepen afhaken ten opzichte van de traditionele formele vormen gebaseerd op verbale representatie en participatie (zoals in adviesraden). Deelname aan verschillende vormen van burgermaatschappij krijgt steeds meer het karakter van een open project, een dynamisch proces waarin men zelf aan de slag gaat en dat vorm krijgt vanuit uiteenlopende identiteiten en voortdurende wisselwerking die het moderne leven met zich mee brengt.

De informatisering legt een toenemende druk op de kwaliteit van communicatie. Het leidt gedeeltelijk tot een virtualisering van de sociale relaties die veel meer op gelijkwaardigheid steunen, op horizontale bottom-up initiatieven. Internet en de sociale media geven veel meer burgers veel sneller veel meer toegang tot veel meer informatie die veel sneller verspreid wordt en steeds meer als een autonome kracht werkt in het aansturen van de politieke agenda en het beïnvloeden van de besluitvorming.

Er ontstaan in de burgermaatschappij netwerken tussen grote en kleine, permanente en tijdelijke organisaties: deze netwerken zijn nieuwe coalities die verbindingen leggen tussen werkvormen, soorten organisaties en mensen in allerlei posities. Deze netwerken functioneren zelf als nieuwe organisaties omdat het netwerk een agenda nastreeft en een eigen dynamiek ontwikkelt.

Is het ondersteuningsapparaat dat de stad Gent ontwikkelt voldoende aangepast aan deze veranderende verschijningsvormen? Dat geldt bijvoorbeeld voor subsidiereglementen.

Zijn de overlegstructuren, zoals adviesraden, nog wel geschikt om de dialoog te organiseren of zijn deze adviesraden zelf eerder gesloten en uitsluitende mechanismen geworden die zich niet genoeg open stellen voor nieuwe werkvormen of werkvormen die niet passen binnen het traditionele concept van organisaties? Hoe gaat de stad om met de kracht van de netwerken die zich in de stad ontwikkelen?

2. Kritische kijk naar burgermaatschappij wenselijk

We hebben een ideaalbeeld geschetst van de burgermaatschappij. Er zijn evenwel trends waar we ons zorgen over maken en die zelf het object zouden moeten zijn van discussies en interacties binnen de burgermaatschappij.

2.1.  ‘Bridging’ en ‘bonding’: veel Genten in Gent?

Uit onderzoek over de burgermaatschappij blijkt dat alarmsignalen over de tanende aantrekkingskracht van de burgermaatschappij niet juist zijn maar wel dat de aard van de burgermaatschappij verandert, zoals we hierboven al hebben aangegeven. Het komt er dus op aan met de juiste bril naar een veranderende werkelijkheid te kijken en niet met een bril met glazen uit een vorige periode.

Onderzoek geeft wel aan dat de burgermaatschappij meer op ‘bonding’ is gericht dan nog op ‘bridging’. In vele variaties brengt de burgermaatschappij gelijkgezinden samen, mensen die met hetzelfde bezig zijn, in identieke posities zitten (‘bonding’). Minder en minder, zo lijkt het, is de burgermaatschappij nog gericht op ‘bridging’: het bij mekaar brengen van mensen met een grote onderlinge diversiteit naar stand, klasse, afkomst of herkomst.

Zo kan de burgermaatschappij bekeken over de hele stad zeer divers zijn georganiseerd maar te weinig divers zijn in de interne werking. Met name speelt dit zeker in de samenstelling van organisaties met zogenaamde autochtonen en zogenaamde allochtonen. Er is helemaal geen gebrek aan organisaties van allochtonen maar deze organisaties zijn eerder op bevestigen van identiteit gericht dan op identiteitsopbouw door contact met verscheidenheid.

Datzelfde geldt natuurlijk evenzeer en even sterk voor organisaties met autochtonen. Zo krijgen we eerder de stad met de gescheiden circuits van de georganiseerde burgermaatschappij dan dat de stad de verbindingen legt tussen deze circuits. Het kan dat dit beeld te stereotiep is en niet meer klopt met de ondertussen misschien veel meer rijk geschakeerde kleuren in de praktijk van de burgermaatschappij; het zou ook kunnen dat het eerder een momentopname is in de veranderende dynamiek van de burgermaatschappij.

We beschreven het potentieel van de burgermaatschappij als kader voor de opbouw van nieuwe vormen van solidariteit in de stadsgemeenschap. Dat belet evenwel niet dat kritisch moet worden gekeken naar de feiten. Het kan immers, zeker wanneer interne diversiteit niet meer zo sterk zou zijn, dat organisaties in de burgermaatschappij eerder op uitsluiting dan op insluiting zijn gericht; eerder een discours opbouwen van scheiding dan van integratie.

Niet alle organisatie maken deel uit van de beweging naar relationeel burgerschap in een open op te bouwen stadsgemeenschap; sommigen enten zich op een gesloten communautarisch discours dat op wij en zij is gebaseerd.

Tendele moet er op worden gerekend dat dit deel uitmaakt van het maatschappelijk debat in de burgermaatschappij en ook werkt via spontane regulering en kritisch debat. Het geeft evenwel aan dat de overheid in de stad ook minimale regels kan opleggen of voorwaarden kan stellen die te maken hebben met fundamentele democratische rechten en plichten. De stad kan wellicht ook helpen condities te creëren om tot meer ‘bridging’ te komen, ook in de manier waarop ze zelf projecten opzet. Hoe dan ook is dit een moeilijke problematiek die balanceert tussen delicate evenwichten.

Evolueert Gent naar veel Genten? Verbindt de burgermaatschappij of voert ze tot scheiding en segregatie? Wat is hier de rol van de stedelijke overheid?

2.2. Vermarkting van burgerorganisaties

De balans tussen staat, burgermaatschappij, private sfeer en de markt is voortdurend in beweging. Die balans is het voorwerp van ideologische discussies en dus van politiek, al leek dat in de loop van de laatste jaren niet meer het geval te zijn en leek marktwerking een nieuwe natuurwet geworden. Er lijkt zich ondertussen een kentering af te tekenen die de marktwerking weer tot voorwerp maakt van politiek debat en overheidsregulering.

De effecten van marktwerking in een neoliberale context zijn in de stad overal zichtbaar: de dualisering in onze samenleving neemt toe en dat is voor het draagvlak van een democratische stad nefast.

Door de marktwerking wordt overheidsinitiatief en dienstverlening die ontstaat door burgerinitiatief in verschillende sectoren onder druk gezet of vervangen door commerciële initiatieven. Waar de invoering van marktprincipes in de plaats komt van groepsinitiatieven van burgers kan dit het gevoel van solidariteit ondermijnen, kan het collectieve initiatieven marginaliseren en kan het natuurlijk vooral economisch zwakkere burgers nog meer in de problemen brengen.

We moeten ook kritisch kijken naar de doorwerking van marktprincipes binnen de organisaties van de burgermaatschappij zelf. Toegenomen klantgerichtheid in vermarkte relaties rond dienstverlening zorgen voor een meer geïndividualiseerde verhouding tussen organisaties en burgers of klanten. Dat zou ertoe kunnen leiden of leidt volgens sommigen nu al tot het onder druk zetten van de meer groepsgebonden en politieke functies van deze organisaties.

2.3. Professionalisering van de burgermaatschappij

Een derde trend is de toegenomen professionalisering van burgerorganisaties waardoor ook binnen deze organisaties sprake is van top-down sturing; van professionelen die hun eigen agenda opleggen; van druk op de vrijwilligers en de vrijwillige inzet. In de relatie met de overheid kan dit leiden tot een gemeenschappelijke cultuur en manier van denken die de burgermaatschappij steeds meer inbedt in de logica en de ratio’s van bureaucratische systemen.

2.4. Politieke partijen in de stad

Bijzondere aandacht, zeker in het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen, gaat naar de rol van de politieke partijen in de stad die via de verkiezingen de volksvertegenwoordigers leveren. Alle aspecten die hierboven aan bod kwamen, kunnen ook op deze burgerorganisaties worden toegepast.

De vragen komen dus terug: zijn politieke partijen divers en integrerend; wat is de impact van vermarkting zowel op het inhoudelijke profiel van de partijen als op hun eigen werking (waarbij burgers – kiezers als klanten worden bekeken); hoe werkt de professionalisering door op de autonomie van de lokale politieke partijen in hun profilering in het publieke debat in de stad?

Meer in het bijzonder is de vraag aan de orde hoe de politieke partijen zich verhouden tot de burgermaatschappij en hoe zij daarmee samenwerken en via deze samenwerking de politieke agenda samenstellen.

Er zijn spanningen in de pogingen om de stedelijke representatieve democratie te combineren met de participatieve democratie die aansluit bij de autonome burgermaatschappij. Stadsbestuurders zitten in het midden van die koppeling. Ze worden aangeduid door politieke partijen en hun partij is nog steeds de eerste achterban. In hun dagelijks werk moeten ze, op zoek naar legitimiteit en doelmatigheid, interageren met netwerken in de stad die los staan van deze partijen en die vaak ook niet willen geassocieerd worden met het partijpolitieke spel.

Het is tekenend dat in het debat over participatie nauwelijks nog over die partijen gesproken wordt, al zijn ze de meest uitgesproken vorm van burgerparticipatie. Het proces van die lokale partijen is elders al gemaakt: de afkalving van leden; de tanende legitimiteit; het gedrum in het politieke centrum. De voordelen van de representatieve democratie zijn evenwel ook manifest: het georganiseerde debat; de structurering van de besluitvorming; de toewijzing van verantwoordelijkheid voor besluitvorming en de publieke controle op de verkozenen.

Hoe zeer er ook in dat systeem veel misloopt, het blijven kenmerken die te maken hebben met het wezen van democratie en waarvan niet duidelijk is door welk systeem dat zou moeten worden vervangen. Het aanpakken van deze problemen van de representatieve democratie, bijvoorbeeld door de versterking van de verkozen raden, lijkt eveneens zeer verdedigbaar. Hoe een gerenoveerde representatie rond politieke partijen en een opgewaardeerde gemeenteraad zich verhoudt tot de meer autonome sfeer van de burgerparticipatie vormt de kern van het probleem en roept nog veel onopgeloste vragen over de organisatie van het politiek en publieke debat op, die alleen door constant debat hierover kunnen worden aangepakt.

Revaloriseren van de politieke partijen en van het politieke debat in de stad; herwaardering van de gemeenteraad als volksvertegenwoordigend forum

3. Burgermaatschappij en de verwevenheid met het politiek – bestuurlijk systeem

Historisch zijn belangrijke delen van de burgermaatschappij nauw verbonden met de constructie van de moderne democratie en van de verzorgingsstaat. De samenwerking tussen overheid en privé-initiatieven liet toe uit te gaan van het principe dat de overheid niet tussenkomt in de privésfeer tegelijk met het nemen van overheidsmaatregelen voor open toegang en kansengelijkheid.

Zo kwam, geslepen door decennia van discussie en zoeken, een delicaat evenwicht tot stand in netwerkachtige stelsels tussen overheid en private initiatieven op het vlak van onderwijs, gezondheidszorg, welzijnszorg, opbouwwerk,… Dat geldt ook voor de nieuwere vormen bvb op het vlak van sociaal – artistieke werking, jeugdwerk, cultuur,…

In alle gevallen gaat het om verfijnde arrangementen tussen overheid en privaat initiatief, gekaderd in stelsels van erkenning, subsidiëring en controle en vaak verweven met persoonlijke netwerken waarbij de grenzen van overheid en privaat initiatief vervagen en hybride kenmerken krijgen. Over die arrangementen kunnen volgende bedenkingen worden geformuleerd.

3.1. Bezetting van de stedelijke democratische ruimte door centralisering en regulering

Lokale democratie is veel breder dan democratie georganiseerd door en rond het verkozen lokaal bestuur.  Burgerparticipatie gaat in essentie over het creëren van condities waarbij burgers op allerlei aspecten van hun leven impact kunnen uitoefenen: betrokken zijn, zelf verantwoordelijkheid nemen en keuzes kunnen maken. Veel aspecten van dat dagelijkse leven spelen zich in een verruimde lokale actieradius af die zich weinig aantrekt van administratieve grenzen: werk, onderwijs, zorg, wonen, mobiliteit, vrijetijd,… 

In deze lokale sferen spelen stadsbesturen zeker vaak belangrijke rollen en hebben ze bevoegdheden maar evengoed ontwikkelen deze sferen zich voor een belangrijk deel buiten de taken en bevoegdheden van stadsbesturen.

In oktober 2012 verkiezen we dus politici die slechts tendele verantwoordelijk zijn voor delen van leefdomeinen die samen het dagelijkse leven uitmaken.  In die lokale sferen is er al dan niet ruimte voor betrokkenheid van burgers in verschillende en elkaar overlappende rollen: als ouder, werknemer, gebruiker van diensten, als huurder, als cliënt of als patiënt,… Hoe zijn die circuits ingesteld op participatie; welke ruimte is er, welke kansen krijgen burgers of welke ‘beloning’ is er voor wie zich in een of ander aspect van deze dagelijkse werelden inzet?

Deze dagelijkse leefwerelden worden bestuurd door raden van bestuur; ondernemingsraden; directeurs en managers. Zij functioneren, voor wat de publieke sferen betreft, in sterk gecentraliseerde systemen onder sterke regulering van de centrale Vlaamse en/of federale overheden, zodat de ruimte tot en de sfeer voor participatie relatief beperkt is. Neem het onderwijs, neem de sociale huisvesting, neem het functioneren van onze grote zorginstellingen: telkens weer valt de gecentraliseerde en bureaucratische top-down regulering op.

De dagelijkse leefwerelden zijn weinig participatie-vriendelijk. De ruimte tot initiatief is vaak door regulering dichtgetimmerd en de ruimte tot autonoom decentraal handelen is vaak beperkt. De staatshervorming heeft de ruimte voor vrij bottom-up initiatief in het algemeen dichtgesnoerd met centralistische en uniformiserende regelsystemen.  Al te weinig gaat het debat in Vlaanderen daarover: is onze staatshervormde samenleving ingericht op spontaan initiatief, op maatwerk in functie van lokale dynamiek en burgerinitiatief? 

Dit is van ontzettend groot belang voor participatie: als in alle levenssferen openheid aanwezig is en ruimte voor burgerinitiatief, als er interactie mogelijk is tussen burgers en bestuurders, dan zorgt dat voor een brede democratische atmosfeer of cultuur, voor burgerinitiatief, voor tegensprekelijkheid, voor debat onder burgers. Het is in deze cultuur dat middenveld bloeit, dat sociaal kapitaal gespaard wordt, of niet dus. 

We zien in de loop van de laatste jaren een duidelijke trend tot grotere aansturing en meer controle op de burgermaatschappij, als gevolg van evoluties binnen de overheid. Het gaat om een veralgemeend denken in termen van efficiëntie en het geeft te maken met een dominant managementdenken als gevolg van de impact van het zogenaamde New Public Management, in het zog van het neo – liberale denken.

De gesubsidieerde vrijheid van vroeger heeft plaatsgemaakt voor een steeds meer aangestuurde beleidsruimte van deze organisaties. Vooral de Vlaamse overheid laat zich daarbij niet onbetuigd. Als ook een stadsbestuur vervolgens dezelfde weg opgaat, dan worden deze burgerorganisaties vanuit twee zijden met dezelfde soort logica’s geconfronteerd. 

Nood aan decentralisatie en deregulering binnen Vlaamse regelsystemen, zodat burgerinitiatief kansen krijgt, zin heeft en zin geeft, mensen tot verantwoordelijkheid aanzet

Nood aan kritische reflectie over een te ver doorschietend managementdenken ten voordele van ‘New Public Service’ – denken, zowel op Vlaams als op stedelijk niveau

3.2. De stad Gent in netwerken

De verwevenheid tussen een stadsbestuur en de burgermaatschappij is intens. Veel burgerinitiatief is ook hybride: het komt soms tot stand als gevolg van publiek initiatief vanuit overheidsdiensten die acties lanceren en steun in het vooruitzicht stellen. Initiatieven vanuit de overheid en/of vanuit de sterk door de overheid gesubsidieerde non – profitorganisaties kunnen na verloop van tijd autonoom worden en hun eigen weg gaan.

Politici en ook ambtenaren zijn zelf vaak actief in burgerorganisaties of hebben daar sterke banden mee. Het gaat in een stad niet om gescheiden sferen en als wetenschappers hebben we te weinig zicht op deze netwerken en op hun effecten, op de deelnemers en op de onderlinge relaties.

De professionalisering binnen de overheid (en in de burgermaatschappij), de druk op politici en op ambtenaren om resultaten te boeken, de evolutie naar meer management en de drang naar meetbaarheid van beleid: het zijn trends die ertoe leiden dat de druk verhoogt om de burgermaatschappij in te schakelen voor de agenda van de bestuurders. Het instrument van een convenant zegt op zich niet veel en het is belangrijk om te kijken hoe zo’n convenant tot stand komt en hoe ze concreet wordt opgevolgd.

Niettemin is er in Gent, zoals ook in andere steden, een trend om via overeenkomsten afspraken te maken over de betrokkenheid van de burgermaatschappij bij de uitvoering van stedelijk beleid die impact hebben op de autonomie van deze organisaties. Ze dreigen steeds meer deel te worden van een overheidslogica en deze organisaties hebben daar niet altijd moeite mee: het gaat om een vorm van erkenning en het gaat natuurlijk om substantiële middelen.

Dit is een punt van grote zorg en een zaak van publiek debat, dat nu te weinig over deze relatie wordt gevoerd. Het is een zaak van interne discussie binnen het overheidsapparaat: welke gevolgen hebben onze acties of regulering op de dynamiek van de burgermaatschappij in onze stad?

Het is ook een zaak van assertiviteit vanwege burgers en van de burgermaatschappij: de soevereiniteit van de burger moet weer meer en krachtiger onderlijnd worden. De delegatie van macht naar politieke organisaties moet veel voorwaardelijker gebeuren dan in voorbije decennia het geval was. Tegelijk impliceert dit dat de burger en hun organisaties veel meer dan in het verleden het politieke moet claimen en zelf invullen.

Kunst, wetenschap en sociaal werk moeten een tegenstem bieden ten opzichte van beleid dat denkt in termen van cijfers in plaats van mensen en dat daardoor ook bijdraagt tot uitsluiting van mensen.

Zoeken naar vormen van productieve spanning die de kwaliteit van de politiek kan versterken; zoeken naar vormen van vitale coalities die de weerbaarheid, veerkracht en innovatie van de burgermaatschappij koppelen aan de verantwoordelijkheid van de overheid voor het algemeen belang.

Filip De Rynck en Rik Pinxten

Filip De Rynck is verbonden aan de Hogeschool Gent en Rik Pinxten is hoogleraar aan de Universiteit Gent.

take down
the paywall
steun ons nu!