Verkiezingsaffiche van de salafistische Hizb An-Nour, de Partij van het Licht bij de Egyptische parlementsverkiezingen. "De Egyptenaren die dachten dat alleen de Moslimbroeders een hecht blok konden vormen tegen de generaals, komen bedrogen uit: ook de Moslimbroeders kunnen dat niet alleen. Politiek is kortom een heel eind complexer dan verkiezingen winnen – iets waar ook de zogenaamde gematigd islamistische Moslimbroeders nu mee moeten leven", zegt Jorn De Cock.
Midden-oosten, Nieuws, Wereld, Politiek, Democratie, Libië, Verkiezingen, Egypte, Tmd, Syrië, De Standaard, Jorn De Cock, Saoedi-arabie, Jemen, Ali Abdullah Saleh, Tunesië, Bloggers, Tahrirplein, Moslimbroeders, President Ben Ali, Kolonel Muammar Khaddafi, Bahrein, Arabische revolutie, Arabische lente, Qatar, Hosni Moebarak, Opstand Syrië, Rol van het leger, Islamisten, President Bashar al-Assad, Analyse, Salafisten, Mohammed Bouazizi, Seculieren, Bloedige repressie, Burgersamenleving, Fattoush-salade - Jorn De Cock

De Arabische Lente, anderhalf jaar later

GENT - De Standaard-correspondent Jorn De Cock hield tijdens de Gentse Feesten-debatten 2012 een inleiding over de Arabische Lente, anderhalf jaar later. "Dat ene idee dat ik nergens tijdens de revoluties kon ontkennen: het verlangen naar menselijke waardigheid kan vreselijk schoon zijn", besloot De Cock.

donderdag 19 juli 2012 13:25

Er vloeit bloed in de straten van Syrië, veel bloed. In het Golfstaatje Bahrein gaat de onderdrukking van de sjiietische meerderheid intussen voort – en de burgeracties daartegen, die door het koningsregime nu eens met een stok en dan weer met een wortel worden beantwoord, zolang het regime tenminste niet voelt dat het gaat wankelen.

In Jemen is een ‘vreedzame oplossing’ gevonden voor het beëindigen van het regime van president Ali Abdullah Saleh, die er volgens kritische Jemenietische journalisten op neerkomt dat de Amerikaanse ambassadeur in Sana nu de facto de vicekoning van het land is, de afstandsbediening van zijn drones in de hand.

Tijdens de verkiezingen in Egypte en Tunesië haalden islamistische partijen een indrukwekkende score – alsof de bevolking wou dat de ene eenpartijstaat werd vervangen door de volgende.

Als het palmares van de zogenaamde Arabische Lente, of het Arabische Ontwaken, of de Arabische Revoluties – kies maar – daar zou ophouden, dan lijkt de Tunesische fruitverkoper Mohammed Bouazizi voor niets te zijn gestorven op die mooie ochtend van 17 december 2010.

Samen bijna honderd jaar dictatuur van de kaart geveegd

Maar wat als we het anders bekijken? In anderhalf jaar tijd zijn met Zine al Abiddine Ben Ali, Hosni Moebarak en Muammar Khaddafi samen bijna honderd jaar dictatuur van de kaart geveegd. In hun voormalige vorstendommen – Tunesië, Egypte en Libië – zijn er intussen democratische verkiezingen gehouden.

In Syrië, waar de familie-Assad al 42 jaar aan de macht is, gaat de volkopstand zeventien maanden later onverminderd voort, ondanks de terreur waarmee het regime vanaf dag één elke betoging terug naar huis wilde intimideren. Er zijn in de laatste weken aanwijzingen dat het regime de controle over grote delen van het land kwijt is en dat het gewapende deel van de oppositie in opmars is, terwijl intussen ook elke dag vreedzame betogingen door de straten trekken, ondanks het enorme risico dat die betogers lopen.

Dat palmares dan, of het eerste? Allebei, met nog een derde en een vierde en zelfs een vijfde laag daaronder – het Midden-Oosten is altijd complexer dan het lijkt. Juist dat fascineerde me toen ik drie jaar geleden naar ginds verhuisde, eerst naar Damascus, dan noodgedwongen naar Beiroet.

Het Midden-Oosten is als een ajuin

Het Midden-Oosten is als een ajuin: pel één laag weg en je vindt de volgende. En soms ga je onderweg ervan huilen. Tot je die ajuin terugvindt in een heerlijke fattoush-salade en alles weer in zijn culinaire plooi valt. De ajuin-in-de-fattoush is ook zo’n beetje de levenshouding van vele Arabieren: er is veel miserie, veel geklaag over overheden en regels en onrechtvaardigheden, maar ook veel lekkers en humor en plezier in het leven. Dat laatste blijft bij ons soms een beetje onderbelicht.

Om te vermijden dat er nog meer culinaire vergelijkingen vallen en ik begin te klinken als Jeroen Meus: acht stellingen om het volgende debat te kruiden.

Eén: Dictaturen zijn niet langer veilig in het Midden-Oosten, maar over twintig jaar zullen er waarschijnlijk nog altijd enkele bestaan in de regio.

Twee: De Moslimbroeders staan op het hoogtepunt van hun macht, wat wil zeggen dat de volgende fase de terugweg is. De vraag is wat ze zullen doen als ze dat zelf beseffen.

Drie: We gooien te snel met westerse etiketten: pas op met begrippen als ‘islamitisch’, ‘islamistisch’, ‘seculier’ en ‘liberaal’, want ze kunnen leiden tot het verkeerde recept voor je fattoush-salade.

Vier: Niet de verkiezingen van de laatste maanden zijn politiek de belangrijkste voor het Midden-Oosten, wel die over vier jaar – en het feit of ze plaatsvinden of niet.

Vijf: De komende jaren worden in veel gevallen niet proper in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, ook niet in de revolutielanden. De dictaturen hebben een puinhoop achtergelaten en het is aan de revolutionairen om die op te ruimen. Dat is een gigantische en ondankbare taak, maar het is niet anders. Falen is jammer genoeg een optie.

Zes: De westerse politiek – plus de opinie van het westerse publiek tegenover de Arabische wereld, en vice versa – vertoont tekenen van vooruitgang. Maar er zal nooit een hartelijke relatie ontstaan met het Arabische publiek als drie van de grote struikelblokken – de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, de westerse verslaving aan olie en gas uit de Golfstaten, en het gekissebis rond het Iraanse atoomprogramma – niet rationeel worden aangepakt.

Zeven: Het Midden-Oosten en Noord-Afrika zullen vele problemen niet kunnen oplossen als de fond van de onderliggende mentaliteit niet verandert: die van het patriarchaat, de almachtige vaderfiguren – zowel thuis, in het onderwijs als in de politiek. Ook de positie van de vrouw is achtergesteld in de Arabische wereld, een probleem dat niet valt op te lossen door het te ontkennen. Je kan geen revolutie voeren in naam van waardigheid en rechtvaardigheid als die niet van toepassing zijn op de helft van je bevolking.

Acht: Leve de revolutie

Een woordje uitleg bij al die stellingen, aan de hand van voorbeelden uit de revolutielanden.

Eén: Dictaturen zijn niet langer veilig in het Midden-Oosten, maar over twintig jaar zullen er waarschijnlijk nog altijd enkele bestaan in de regio

Er zijn 22 Arabische landen – of landen die zich Arabisch noemen, al zijn er sommige meer Berber dan Arabisch en andere meer Afrikaans dan Arabisch, maar dit terzijde. In vier van die landen is in het voorbije anderhalf jaar een dictator aan de kant geschoven.

In twee landen, Syrië en Bahrein, gaat de revolutie voort. In twee koninkrijken, Jordanië en Marokko, is er een opstoot van protest geweest, maar slagen de koningshuizen er voorlopig in het protest in te dammen, hetzij met verkiezingen die hun machtspositie niet bedreigen, hetzij met rondjes “geef de regering de schuld en stel er alwaar een nieuwe aan”.

Ook opvallend: alleen in Arabische republieken zijn dictators aan de kant geschoven. Koningshuizen lijken beter bestand tegen volksprotest, misschien met uitzondering van Bahrein. In de andere vorstendommen, zoals in Saoedi-Arabië, is hoogstens sprake van acties op zeer kleine schaal.

Als we over de ‘Arabische revoluties’ spreken, hebben we het dus over zes landen van die 22 Arabische landen. Saoedi-Arabië en Qatar lijken, dankzij hun oliedollars waarmee ze elders invloed kunnen kopen, zelfs goed te gedijen bij de beperkte revolutiegolf.

Ik geloof niet dat de revoluties in die zes landen zonder gevolgen zullen blijven voor de andere Arabische dictaturen, maar het beeld dat de hele complete Arabische straat nu staat te betogen, strookt ook niet volledig met de feiten. Dictaturen zullen nog lang een grote rol spelen in de regio.

Twee: De Moslimbroeders staan op het hoogtepunt van hun macht, wat wil zeggen dat ze eigenlijk al op de terugweg zijn

De vraag is wat ze zullen doen als ze dat zelf beseffen.

Enkele weken voor de Tunesische verkiezingen zat ik ergens in de zuidelijke Tunesische woestijn naast een jonge student, in een gedeelde taxi. “Negentig procent van de Tunesiërs gaat voor Ennahda stemmen!”, voorspelde hij dolenthousiast. Ennahda is de islamistische partij die uiteindelijk de eerste parlementsverkiezingen in oktober vorig jaar inderdaad won, met zo’n 40 procent van de stemmen.

Ik vroeg aan die student waarom hij de ene eenpartijstaat zo enthousiast voor de volgende eenpartijstaat wilde inruilen. Daar moest hij even over nadenken. “Weet je wat”, zei hij toen. “Laten we zeggen dat slechts zeventig procent van de Tunesiërs voor Ennahda zal stemmen!” Probleem opgelost.

Achteraf bekeken was dat voor mij de eerste indicatie van wat electoraal komen ging. Tot dan toe had iedereen de voorspellingen geloofd dat islamistische partijen zo’n twintig tot dertig procent van de stemmen zouden halen. De dag van die Tunesische verkiezingen, eind 2011, zat ik in de hoofdstad Tunis ’s avonds te kijken hoe de resultaten binnenkwamen, en het was niet mijn favoriete moment van de Arabische revolutiegolf.

Niet omdat de Tunesiërs van mij niet mogen stemmen op wie ze willen, maar omdat ik ervan overtuigd was en ben dat een meer evenwichtige score beter zou zijn geweest voor de overgang naar de democratie. Die wordt immers per definitie gekenmerkt – of moet worden gekenmerkt – door pluralisme.

Het beeld van Tunesië vandaag is gemengd. Er zijn nog weinig grote accidenten gebeurd, maar er is zijn individuele incidenten waarin activisten zijn berecht én veroordeeld wegens ‘onislamitische’ praktijken en de minderheid van de salafisten is erg actief in het intimideren van alcoholwinkels, tentoonstellingen van moderne kunst en andere uitingen van het zogenaamde ‘secularisme’ dat vijftig jaar lang officieel werd gepropageerd in Tunesië.

De regering, een coalitie van Ennahda met twee linkse en/of seculiere partijen, lijkt niet hard haar best te doen om op te treden tegen die salafistische hetzemakers.

Ennahda noch de salafisten hadden een groot aandeel in de revolutie van de winter van 2010/2011. Ze zijn wel met een deel van de prijzen gaan lopen. Dat mag onrechtvaardig klinken, maar het overkomt ook andere revoluties wereldwijd: diegenen die de revolutie voeren, zijn niet altijd diegenen die de verkiezingen winnen.

Het goede nieuws is dat het deel van de Tunesische samenleving dat de revolutie voerde en dat secularisme hoog in het vaandel draagt, zich erg actief verzet tegen de intimidatiepogingen. Dat wijst erop dat, ondanks het verkiezingsresultaat, er wel degelijk iets als een ‘burgermaatschappij’ is gegroeid in de Tunesische revolutie.

“Het goede nieuws is dat het deel van de Tunesische samenleving dat de revolutie voerde en dat secularisme hoog in het vaandel draagt, zich erg actief verzet tegen de intimidatiepogingen”

Ze weten nu hoe ze moeten betogen, hoe ze mediacampagnes moeten lanceren of acties van burgerlijke ongehoorzaamheid organiseren. Ze beseffen nu hopelijk ook dat, als je verkiezingen wil winnen, je niet in verdeelde slagorde moet optrekken: zeventien gematigde seculiere en/of liberale partijen wegen nooit op tegen één of twee strak georganiseerde religieus geïnspireerde partijen.

Het tegenvoorbeeld speelt zich op dit moment af in Libië, dat nochtans een eind conservatiever is dan Tunesië of zelfs Egypte. Daar zocht een liberale alliantie van zeventig partijen naar hun grootste gemene deler en het lijkt erop, volgens voorlopige resultaten, dat ze twee weken geleden in de eerste democratische verkiezingen in Libië een monsterzege hebben behaald.

De Moslimbroeders daar staan beteuterd te kijken. De reden voor het succes van de alliantie is dat ze de vijand niet ging bezoeken op eigen terrein – namelijk in een debat over religie en staat – maar de bevolking oplossingen beschreef voor de economische en sociale puinhoop in Libië na de val van Khaddafi.

In Egypte deden de Moslimbroeders het daarentegen in mei nog beter dan in Tunesië: ze wonnen overtuigend de parlementsverkiezingen en onlangs ook de presidentsverkiezingen. Ze staan op hun hoogtepunt, denk je dan, maar in de praktijk is de stemming veeleer dat ze al op hun retour zijn.

In de presidentsverkiezingen scoorde hun kandidaat (Mohamed Morsi) al een heel eind minder dan in de parlementsverkiezingen en in het parlement kunnen ze weinig aanvangen, want dat is op last van de almachtige legertop alweer ontbonden. De Egyptenaren die dachten dat alleen de Moslimbroeders een hecht blok konden vormen tegen de generaals, komen bedrogen uit: ook de Moslimbroeders kunnen dat niet alleen.

Politiek is kortom een heel eind complexer dan verkiezingen winnen – iets waar ook de zogenaamde gematigd islamistische Moslimbroeders nu mee moeten leven. Wie politiek bedrijft, zal ook fouten maken. Nu het debat opener wordt gevoerd dan ooit tevoren, kunnen die fouten ook niet zomaar meer onder de mat worden geveegd.

Voor diegenen die zich intussen afvragen – ook in Egypte – hoe gematigd de gematigde Moslimbroeders intussen zijn, luidt het antwoord: dat weten we eigenlijk nog niet, en het wordt erg interessant om te zien wat ze, na zeventig jaar in de oppositie, in wezen zullen uitvoeren.

Maar ook in de regering zullen ze rekening moeten houden met een groeiende burgermaatschappij: het is misschien voor sommige islamisten leuk om te dromen van een alcoholverbod of een bikiniverbod op de stranden, maar dan jaag je die vervelende Facebook-jongens weer tegen jou in het harnas, en de tien miljoen Egyptenaren die leven van het toerisme en die goed weten dat toeristen houden van een biertje en een bikini.

Drie: We gooien te snel met westerse etiketten: pas op met begrippen als ‘islamitisch’, ‘islamistisch’, ‘seculier’ en ‘liberaal’, want ze kunnen leiden tot het verkeerde recept voor je fattoush-salade

Om mezelf meteen tegen te spreken: onze etiketten zijn niet altijd van toepassing op partijen, bewegingen en politici in de Arabische wereld, zeker niet als die een connotatie krijgen van ‘goed’ of ‘slecht’.

Islamisten komen in veel gedaantes. De verslagen Egyptische presidentskandidaat Abol Fottou, een ex-Moslimbroeder en dus een ‘islamist’, is waarschijnlijk een heel eind democratischer en gematigder dan vele kandidaten die zich seculier noemen.

De nieuwe first lady van Egypte, mevrouw Morsi, krijgt van de buitenwacht kritiek omdat ze een hoofddoek draagt. Wel, misschien is ze een goed mens, wat niet kon worden gezegd van haar voorgangster, Suzanne Moebarak, die geen hoofddoek droeg, met miljoenen aan belastinggeld ging lopen, zei dat de talloze rapporten over seksuele intimidatie van Egyptische vrouwen ‘buitenlandse verzinsels’ waren, en die haar eigen zoon op de troon van haar echtgenoot probeerde te heffen – misschien moeten we haar voor dat laatste bedanken, want het vormde een uitstekende motivatie voor de Tahrir-revolutionairen.

‘Liberalen’ zijn in het Midden-Oosten ook van een gemengd slag: sommigen noemen zich ‘liberaal’ vanwege hun gedachtegoed van vrijheid, anderen omdat ze op de lijn van Alexander De Croo zitten en de economie willen privatiseren, nog anderen noemen zichzelf ‘liberaal’ omdat ze het woord ‘socialistisch’ te provocerend en uit de mode vinden.

‘Arabisch-nationalisten’ mogen in vele westerse oren klinken als een volkje dat bedreigend overkomt, kromdolken tussen de lippen geklemd, maar Arabisch-nationalisten zijn in de meeste gevallen vandaag een mengvorm van seculieren en sociaaldemocraten, twee begrippen waar we dan weer voor zijn.

Ideologieën lopen in de Arabische wereld dus niet altijd parallel met die bij ons. Wees voorzichtig met etiketten, kijk altijd of het bredere plaatje klopt: namelijk wat een politiek etiket in de praktijk uitsteekt.

Vier: Niet de verkiezingen van de laatste maanden zijn politiek de belangrijkste voor het Midden-Oosten, wel die over vier jaar – en het feit of ze plaatsvinden of niet

Een vriendin zei me onlangs in Beiroet dat ze niet vond dat er al een revolutie was geweest in het Midden-Oosten, omdat er nog geen ‘ideologisch’ alternatief is ingevoerd. “Is democratie dan geen ideologisch alternatief?”, vroeg ik haar. Ze vond van niet. Ik vind van wel. De verzuchtingen waarmee de Tunesiërs, Egyptenaren, Libiërs, Syriërs op straat gaan, gaan naar de kern van de democratie – een begrip dat veel ruimer gaat dan het soms onnozele proces van verkiezingen.

Als je niet wil dat een dictator veertig jaar aan de macht blijft, heb je verkiezingen nodig. Maar als je wil dat die dictator niet de hele samenleving op zijn leest schoeit – kijk naar Muammar Khaddafi – heb je de diepere wezenskenmerken van een democratie nodig.

Wil je met enige kans op succes een klacht indienen tegen een politieagent die je alweer probeert te lichten – een zeer bekend gegegeven in het Midden-Oosten – heb je een onafhankelijke rechter en dus een scheiding der machten nodig.

Wil je geïnformeerd zijn over wat foutloopt in de samenleving, dan kan je beter niet terecht bij de klassieke staatsmedia van de Arabische dictaturen. Wil je je rechten opeisen als arbeider, dan kan je beter niet in een land wonen waar de eigenaar van de fabriek een neef is van de president en dus onaantastbaar.

We weten allemaal dat een perfecte democratie niet bestaat en we kennen allemaal voorbeelden van halfslachtige democratieën, maar de sprong naar iets wat op en democratie gelijkt, is in het Midden-Oosten kolossaal: een ideologische revolutie, niets minder dan dat.

Een revolutie, een omwenteling, is geen eenmalig feit. Een revolutie is een heel proces. Het feit of er over vier jaar opnieuw verkiezingen plaatsvinden in de revolutielanden, of kandidaten gelijke kansen krijgen, of de bevolking vindt dat nu eindelijk naar haar veruzchtingen wordt geluisterd, of de media daarover min of meer objectief berichten, zal ons meer vertellen over de staat van die Arabische omwenteling dan de huidige verkiezingen.

“Een revolutie, een omwenteling, is geen eenmalig feit. Een revolutie is een heel proces. Het feit of er over vier jaar opnieuw verkiezingen plaatsvinden in de revolutielanden, of kandidaten gelijke kansen krijgen, of de bevolking vindt dat nu eindelijk naar haar veruzchtingen wordt geluisterd, of de media daarover min of meer objectief berichten, zal ons meer vertellen over de staat van die Arabische omwenteling dan de huidige verkiezingen”

De tussenperiode zal waarschijnlijk behoorlijk chaotisch verlopen, vandaar stelling vijf.

Vijf: De komende jaren worden in veel gevallen niet proper in het Midden-Oosten en Noord-Afrika

De dictaturen hebben een puinhoop achtergelaten en het is aan de revolutionairen om die op te ruimen. Dat is een gigantische en ondankbare taak, maar het is niet anders. Falen is jammer genoeg een optie.

Los van de oppervlakkige politieke headlines zijn er in de meeste Arabische landen gigantische problemen in de economie – deels veroorzaakt door de torenhoge corruptie. Syrië is officieel nog altijd een ‘socialistisch’ land, maar sinds de zogenaamde hervormingen van de laatste jaren onder president Bashar al-Assad is naar schatting de helft van de economie in handen van zijn neef, Rami Makhlouf. Het is maar een van de vele redenen waarom de Syriërs op straat zijn gekomen.

Overal in de Arabische wereld blijft de jeugdwerkloosheid stijgen, terwijl de bevolking blijft toenemen, en de staat van het onderwijs is erbarmelijk. Dat is allemaal niet de schuld van de revoluties, maar van de dictaturen waartegen de revoluties werden gevoerd.

“Overal in de Arabische wereld blijft de jeugdwerkloosheid stijgen, terwijl de bevolking blijft toenemen, en de staat van het onderwijs is erbarmelijk. Dat is allemaal niet de schuld van de revoluties, maar van de dictaturen waartegen de revoluties werden gevoerd”

De revoluties zullen die problemen wel moeten oplossen – een ondankbare taak van de lange termijn. Het is misschien vreemd om te zeggen, maar de nieuwe regeringen en parlementen zijn niet te benijden, zeker niet met de hete adem van een actievere en mondigere burgerbevolking in hun nek.

Die zal de politieke prestaties beoordelen op basis van de vraag of ze vooruitgang ziet in de samenleving. Als dat niet het geval is, is het niet ondenkbaar dat er her en der postrevolutie revoltes plaatsvinden. En dat alles in een regio die ook een geopolitiek kruitvat vormt.

Zes: De westerse politiek – plus de opinie van het westerse publiek tegenover de Arabische wereld, en vice versa – vertoont tekenen van vooruitgang

Maar er zal nooit een hartelijke relatie ontstaan met het Arabische publiek als drie van de grote struikelblokken – de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, de westerse verslaving aan olie en gas uit de Golfstaten, en het gekissebis rond het Iraanse atoomprogramma – niet rationeel worden aangepakt.

Er is al veel gezegd en er zijn hele boeken volgeschreven over de westerse politiek tegenover het Midden-Oosten, die wordt gekenmerkt door tegenstrijdigheden. We zijn tegen islamisering en vrouwen moeten hun rechten krijgen, maar een van onze beste vrienden in het Midden-Oosten is het ultraconservatieve Saoedi-Arabië.

We zijn voor democratie, maar democratie voor moslims, daar willen we toch even over nadenken. We zijn voor mensenrechten, maar mensenrechten voor Palestijnen is toch een ander paar mouwen, want we willen Israël niet al te zeer voor het hoofd stoten. Het is allemaal niet erg goed voor onze geloofwaardigheid.

“We zijn voor democratie, maar democratie voor moslims, daar willen we toch even over nadenken”

Als we die fundamentele struikelblokken even buiten beschouwing laten, zijn er – althans wat de revoluties betreft – tekenen van vooruitgang. In Tunesië bleef Frankrijk dictator Ben Ali steunen tot hij het vliegtuig werd ingeduwd.

In Egypte waren de Verenigde Staten na enkele dagen dan toch bereid om hun favoriete dictator Hosni Moebarak enkele woorden van kritiek door te spelen. In Libië ging de NAVO de bevolking helpen om zijn dictator te verdrijven.

Inzake Syrië vallen er grote woorden, maar zijn er weinig concrete acties te bemerken. Dat hoeft op zich niet slecht te zijn: de discussie over een militaire interventie, of het bewapenen van rebellen, is immers uiterst complex. Er is altijd het doembeeld dat met Syrië een brede regionale oorlog kan uitbarsten – ik woon zelf in een buurland van Syrië en kan getuigen dat de bevolking in Libanon niet erg happig is op zo’n groot accident.

Welke beslissing uiteindelijk ook wordt genomen – onder dwang van de omstandigheden of dankzij een plots geniaal inzicht – is het alvast een voordeel dat nu rekening wordt gehouden met sommige complexiteiten van het Midden-Oosten. Nog geen tien jaar geleden was dat even anders, met de faliekante invasie in Irak.

Het behoeft waarschijnlijk weinig uitleg dat ook een Israëlische aanval op Iran desastreus zou zijn voor de regio.

Zeven: Het Midden-Oosten en Noord-Afrika zullen die problemen niet kunnen oplossen als de fond van de onderliggende mentaliteit niet verandert

De fond van het patriarchaat, de almachtige vaderfiguren – zowel thuis, in het onderwijs als in de politiek. Ook de positie van de vrouw is achtergesteld in de Arabische wereld, een probleem dat niet valt op te lossen door het te ontkennen.

Je kan geen revolutie voeren in naam van waardigheid en rechtvaardigheid als die niet van toepassing zijn op de helft van je bevolking. Om daarover kort te zijn: nee, het is niet allemaal de schuld van het westen of Israël.

“Nee, het is niet allemaal de schuld van het westen of Israël”

Acht: leve de revolutie

In november 2009 zat ik in Caïro samen met enkele van de fameuze bloggers, die toen nog niet fameus waren. Egypte hield parlementsverkiezingen en alle bloggers en activisten zaten in een depressie. Ja, Moebarak was de boel weer aan het belazeren. Nee, we hebben nog altijd niets bereikt, en ja, de Egyptenaren zijn gewoon te lui om tegen hun regime echt in opstand te komen.

Twee maanden later stonden de bloggers met honderdduizend anderen op het Tahrir-plein hun vrijheid op te eisen – en kogels, stenen en traangas te ontwijken, maar deze keer waren ze vastbesloten geen millimeter meer te wijken.

Het Midden-Oosten lijdt al vijftig jaar – sommigen zouden zeggen vijfhonderd jaar – aan achterstallig onderhoud. Het was en is een privilege om van nabij te mogen meemaken hoe een bevolking van onderuit daartegen in opstand komt.

Terwijl we hier in Gent zitten te praten, staan er in Syrië alweer duizenden hun levens te riskeren door op straat te gaan. Anderen hebben de wapens opgenomen en lopen te vechten in Hama, Homs of de wijken van Damascus. Vanavond zullen we enkele van hen alweer zien liggen in een YouTube-clip, gehuld in een lijkwade.

Je kan discussiëren over tactiek en strategie, over de diversiteit aan motieven, over de rol die het buitenland al dan niet speelt in de diverse revoluties, over de resultaten die de Arabische Lente anderhalf jaar later heeft afgeworpen, over waar het naartoe gaat. 

Maar in mijn achterhoofd speelde al die tijd, van het Tahrir-plein tot in de Westelijke Bergen (Nafusa) van Libië, ook altijd die andere gedachte op. Dat ene idee dat ik nergens tijdens de revoluties kon ontkennen: het verlangen naar menselijke waardigheid kan vreselijk schoon zijn.

Jorn De Cock

Jorn De Cock (1971) is journalist bij De Standaard en is sinds enkele jaren de vaste Midden-Oosten-correspondent voor die krant. Eerst woonde hij in de Syrische hoofdstad Damascus, nu in Beiroet, in Libanon. De Cock schreef onder meer het boek ‘Arabische Dageraad. Een reis tussen glamour en fatwa’.

Dit boek is ook in onze shop verkrijgbaar: http://shop.dewereldmorgen.be/boek/arabische-dageraad-een-reis-tussen-glamour-en-fatwa

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!