Foto: Willy Dee
Opinie, Nieuws, Opinie - Jan Deduytsche

Verkleurt en verarmt Gent?

Het volstaat dat je door de stadswijken van Gent wandelt en om je heen kijkt om deze vragen te beantwoorden. Beleidsrapporten en cijferboeken bevestigen dat wat we elke dag zien.

maandag 16 juli 2012 11:58

Wat zijn de persoonlijke gevolgen van een beperkt inkomen? Hoe is het verder gesteld met de sociaal-ruimtelijke ontwikkeling van Gent? En wat kan sociale promotie betekenen voor bewoners van achtergestelde buurten? Mensen bouwen samen aan de stad. Dit is geen puntenkaart voor het stadsbestuur, maar wel een uitnodiging om met de stadsbewoners en het middenveld na te denken over een andere aanpak.

Verkleurt Gent?

Cijfers liegen niet; het aantal Gentenaars neemt toe (Agentschap voor Binnenlands Bestuur 2012). Onderzoekers telden 224.180 inwoners in het jaar 2000. Tien jaar later zijn er bijna 20.000 Gentenaars meer: in 2010 registreerde men 243.366 inwoners. Twee evoluties verklaren die groei. Enerzijds worden er meer kinderen geboren. De natuurlijke bevolkingsaangroei evolueerde van 198 geboorten in 2000 tot 1.152 in 2009. Anderzijds verhuizen er meer mensen naar Gent. Wie zijn die nieuwe Gentenaars?

Men maakt een onderscheid tussen autochtonen en allochtonen. Het aantal mensen dat de stad verlieten evolueerde van 507 in 2000 tot 1.535 in 2009. Het aantal mensen dat naar Gent verhuisde steeg van 941 in 2000 tot 3.710 in 2009. Steeds meer Belgen verlaten Gent dus, niet-Belgen trekken naar de stad. Het aantal mensen dat tot een etnisch-culturele minderheid behoort, stijgt dus (Stad Gent 2012). In 2001 ging het om 12 procent van de bevolking, in 2010 is dat 17,5 procent. Bovendien houdt dit cijfer geen rekening me de tweede of derde generatie van migranten. De cijfers spreken voor zich: de stad verkleurt. Dit is een onomkeerbaar gegeven.

Verarmt Gent?

Armoede is lastiger om in cijfers te vatten. We kunnen armoede zowel objectief als subjectief definiëren. De objectieve component verwijst o.m. naar het inkomen en de woonsituatie van mensen. De subjectieve component heeft betrekking op hoe mensen armoede ervaren. Wanneer voelt men zich arm? En wanneer noemen we iemand arm?

De Stad Gent verzamelde eerder dit jaar cijfers over het aantal rechthebbenden op leefloon, over het aantal dossiers schuldhulpverlening en over het aantal uithuiszettingen. Het aantal rechthebbenden op leefloon nam toe van 12,5 per duizend inwoners in 2000 tot 19,2 in 2010. Het stadsbestuur telde in 2010 zelfs 24 rechthebbenden op leefloon en levensminimum per duizend inwoners. Ook het aantal dossiers schuldhulpverlening steeg van 12,6 per duizend inwoners in 2008 tot 16 per duizend in 2010. We zien eenzelfde stijging bij het aantal uithuiszettingen. Dat aantal nam toe van 5,8 per duizend huishoudens in 2006 tot 7,7 in 2010.

Deze cijfers geven echter geen volledig beeld. Mensen weten vaak niet op welke bescherming ze een beroep kunnen doen. Zo doet meer dan 60 procent van de mensen die recht hebben op leefloon er geen beroep op (Steenssens e.a. 2007).

We nemen er de cijfers over kinderarmoede bij. De Studiedienst van de Vlaamse Regering rapporteert dat 8,3 procent van de kinderen die in 2009 het leven zagen, werd geboren in kansarme gezinnen. In 2000 was dat nog maar 4,7 procent. Jammer genoeg publiceert Kind en Gezin geen precieze cijfers meer voor de verschillende steden en gemeenten.

Werkloosheid in Gent

De cijfers van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur (2012) over de Gentse economie ogen iets beter. De werkloosheidsgraad schommelde tussen 13 procent in 2003 en 11 procent in 2009. Het aandeel werkende mensen binnen de bevolking op arbeidsleeftijd bleef nagenoeg stabiel: 66 procent in 2003 tegenover 68 procent in 2009. Ook het aantal jobs ten opzichte van de bevolking op beroepsactieve leeftijd wijzigde nauwelijks: Gent had een jobratio van 111 in 2006 en 112 in 2009.

Een aantal kanttekeningen zijn noodzakelijk: de werkloosheidscijfers van 2009 tonen nog niet ten volle de effecten van de huidige crisis. In combinatie met de stijging van het aantal dossiers schuldhulpverlening rijst de vraag in welke mate het aantal werkende armen in Gent toeneemt.

Armoede bij allochtonen

Het verkleuren en het verarmen van de stad staan niet helemaal los van elkaar. Het risico om met armoede te worden geconfronteerd is niet voor alle Gentenaars gelijk. Werklozen, alleenstaanden en ouderen lopen meer risico dan anderen. Ook herkomst is een belangrijke factor. Mensen van Marokkaanse of Turkse herkomst kennen een zeer groot armoederisico. Ongeveer de helft van alle Marokkaanse en Turkse Gentenaars is inkomensarm (Van Robaeys e.a. 2007). De Cel Armoedebestrijding van de Stad Gent stelde vast dat we de toename van het aantal rechthebbenden op leefloon in Gent in grote mate kunnen toeschrijven aan mensen van niet-Belgische nationaliteit. We kunnen het verband tussen het verkleuren en het verarmen van de stad dus niet negeren.

Welke gevolgen heeft inkomensarmoede voor een gezin?

We weten dat de armoede toeneemt. Maar wat betekent het voor een gezin om rond te moeten komen met een vervangingsinkomen? Onderzoekers van de Katholieke Hogeschool Kempen ontwikkelden een budgetstandaard (Van den Bosch, Van Mechelen & Storms 2009). Het onderzoek stelt dat een koppel met twee tieners minimaal 2.152 euro nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen leven en participeren aan de samenleving. Die budgetstandaard komt bijna overeen met de armoede-risicodrempel die op 60 procent ligt van het mediaan equivalente huishoudinkomen. De EU-SILC-survey legt die drempel in 2010 op 2.043 euro per maand voor een koppel met twee kinderen. Het leefloon voor een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin ten laste bedraagt vandaag 1.047 euro per maand.

Het is duidelijk dat het leefloon een flink stuk lager ligt dan de armoederisicodrempel  en de budgetstandaard. Gezinnen die een beroep moeten doen op een vervangingsinkomen worden geconfronteerd met zeer veel stress bij een poging te overleven. Hun mogelijkheden om gebruik te maken van goederen en diensten staan in schril contrast met het consumptiepatroon van de suburbane middenklassers. We kijken bij wijze van voorbeeld naar de huisvestingskosten.

De huisvestingskosten in de budgetstandaard voor verschillende gezinstypen – alleenstaanden, eenoudergezinnen met een kind en koppels met oudere kinderen – bedragen gemiddeld 44 procent van alle gezinskosten (Heylen & Storms 2009). In 2008 bedroeg de mediaan maandelijkse huurprijs op de private markt voor een gezonde woning met drie slaapkamers in stedelijk gebied 553 euro. Dit betekent dat een gezin dat afhankelijk is van het leefloon minstens de helft van het totale gezinsbudget aan huisvesting moet besteden. Als we de energiekosten in rekening brengen, is dit in totaal ruim de helft van het maandbudget. De huurprijzen zijn ten opzichte van 2008 inmiddels gestegen.

Zoeken naar hefbomen

Inkomensongelijkhied ligt aan de basis van armoede. Die ongelijkheid probeert de overheid bij te sturen via een inkomensherverdeling op basis van de personenbelasting en de sociale zekerheid. Dit is vandaag vooral een federale materie, in de toekomst wellicht steeds meer een Vlaamse zaak. Het is maar de vraag of dat een goede zaak is. Herverdelen is gemakkelijker als je met een groter aantal bent. De aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing verstoren deels het effect van die herverdeling.

De aanvullende personenbelasting bedraagt 6,9 procent in Gent ten opzichte van 5,5 procent in Sint-Martens-Latem (Studiedienst van de Vlaamse Regering, 2012). Een Gentenaar moet rekening houden met 1.450 opcentiemen, een inwoner van Sint-Martens-Latem met 750 opcentiemen. Niet Gent maar Sint-Marten-Latem wijkt af van de cijfers voor het Vlaams Gewest. De residentiële randgemeenten met hoge inkomens kunnen hun inwoners minder belasten dan de grote en regionale steden. Daartegenover staat het gemiddeld inkomen per aangifte in de personenbelasting. Dat bedraagt 26.696 euro in Gent, in Sint-Martens-Latem is dat 40.386 euro. Gent is armer maar moet zijn inwoners meer belasten om voldoende middelen bij elkaar te schrapen.

De wereld op zijn kop?

Dat brengt ons bij het verband tussen armoede en de sociaalruimtelijke structuur van het stadsgewest. Aan de hand van indicatoren voor achterstellingsdimensies zoals huisvesting, arbeidsmarkt, opleiding en gezondheid telt men in Gent 38 achtergestelde buurten (Vandermotten, Kesteloot, Ippersiel e.a. 2006). Die buurten zijn nauw verbonden met de economische ontwikkeling van Gent in de vorige twee eeuwen.

Het gaat vooral om de negentiende-eeuwse arbeidersgordel, die zich uitstrekt van het noorden tot het oosten van de stad, en de sociale woonwijk Nieuw Gent. De stedelijke groei onder impuls van de textielindustrie in de negentiende eeuw verjoeg de burgerij uit de stad. Die week uit naar het miljoenenkwartier en later St.-Martens-Latem in het zuiden, naar Destelbergen en Heusden in het oosten, en naar Mariakerke en Wondelgem in het westen. Naarmate de welvarender Belgische arbeiders de textielindustrie en de arbeidersbuurten verlieten voor de suburbane stadsrand namen nieuwe migranten hun plaatsen in. Eerst arbeidsmigranten uit Turkije en Noord-Afrika. Later economische en politieke vluchtelingen uit Oost-Europa en de hele wereld. Ook die Belgen waren ooit migranten: ten tijde van de industriële revolutie verlieten ze de miserie op het platteland voor werk in de stad – waar ze ook met uitbuiting werden geconfronteerd en moesten strijden voor hun rechten.

Een goed begrip van die sociaal-ruimtelijke mobiliteit kan ons de weg wijzen naar mogelijke hefbomen voor mensen in achtergestelde buurten. De arbeidersbuurten waren een transitiezone voor de Belgen die het platteland ruilden voor de stad. Ze kunnen die zelfde functie vervullen voor de migranten vandaag (Oosterlynck & Schillebeeckx 2012). De achtergestelde buurten zijn transitiezones waar mensen de stad binnenkomen. Deze buurten trekken migranten meer aan dan andere stadsdelen omwille van de goedkope woningen, de sociale netwerken en de publieke dienstverlening. Maar ze willen er ook ontsnappen.

Oosterlynck en Schillebeeckx verwijzen in een bijdrage in het boek Mensen maken de stad. Bouwstenen voor een sociaalecologische toekomst, dat in september verschijnt bij EPO, naar de dubbele functie van deze transitiezones. Omwille van de etnische instituties, de goedkope woningen en de laaggeschoolde jobs kunnen mensen zich gemakkelijker vestigen in deze buurten. Ook kunnen ze hier efficiënter in het levensonderhoud van hun gezin voorzien. Daarnaast kunnen mensen in deze wijken sociale netwerken uitbouwen en vaardigheden leren die ze nodig hebben om op te klimmen op de sociale ladder. Succesvolle transitiezones kennen een groot verloop. Gezinnen die hun levensstandaard verbeteren, trekken weg en worden vervangen door nieuwe armen (Saunders 2010). Die sociale mobiliteit toont zich vaak in negatieve scores op sociaaleconomische indicatoren want degenen die zich weten te heroriënteren laten de anderen achter.

Saunders wijst er op dat het succes van zo’n transitiezone ook afhankelijk is van het stedelijk beleid. Voldoende goedkope woningen, soepele voorwaarden om kleine handelszaken te starten en investeringen in publieke diensten zijn essentieel. Saunders waarschuwt voor het negeren of stigmatiseren van deze buurten en voor een beleid dat mensen kansen ontneemt om hun levensstandaard te verbeteren. In dat geval dreigen die buurten onder te gaan aan geweld en criminaliteit. Hij duidt in zijn boek ‘De trek naar de stad voor de Stad Antwerpen’ onder meer op de mogelijke negatieve effecten op die opwaartse sociale mobiliteit van verkeerde beleidskeuzes. Zoals restricties op gezinsherenigingen, de dubbelzinnige immigratiestatus van vluchtelingen of startvereisten voor kleine handelszaken. Mensen zonder netwerk die in onzekerheid leven, zijn gevoeliger voor criminaliteit. Onder meer de internationale drugshandel speelt op die afhankelijkheid in.

Wat kunnen we concreet doen om treden toe te voegen aan de sociale ladder? Oosterlynck en Schillebeeckx (2012) brengen ons op het spoor van het rapport Stad en stijging. Sociale stijging als leidraad voor stedelijke vernieuwing van de Nederlandse VROM-raad. Daarin pleit men voor het creëren van de ruimtelijke randvoorwaarden zodat de huidige bewoners van de achtergestelde buurten kunnen stijgen op de sociale ladder. Men ziet mogelijkheden op de terreinen  onderwijs, arbeidsmarkt, huisvesting en vrije tijd.

Hoe zit het met Gentse transitiezones?

We investeerden de voorbije jaren stevig in stadsvernieuwingsprojecten in Gentse transitiezones. Voorbeelden hiervan zijn ‘Zuurstof voor de Brugse Poort’, ‘Bruggen naar Rabot’ en ‘Ledeberg Leeft’. Wij hebben ingezet op het opwaarderen van woningen en de omgeving enerzijds en het versterken van sociale cohesie anderzijds. Die inspanningen zijn lovenswaardig maar de hamvraag is wie er mee gediend is. De stadsvlucht is in ieder geval niet gekeerd. We kunnen vaststellen dat nog steeds meer Belgen Gent verlaten en niet-Belgen aankomen. Ook de huidige bewoners zijn er niet echt beter van geworden.

De Studiedienst van de Vlaamse Regering registreerde eerder dit jaar dat de gemiddelde verkoopprijs van gewone woonhuizen evolueerde van 74.624 euro in 2000 tot 199.682 euro in 2010. De verhouding van het aantal sociale woningen ten opzichte van het aantal private huishoudens bleef in de periode van 2002 tot en met 2008 nagenoeg constant. We trekken private investeerders van buiten de stad aan die de huisvestingskosten de lucht injagen maar weinig betekenen voor de noden van de huidige bewoners. Op die manier werken we de sociale verdringing in de hand in de plaats van de sociale stijging te ondersteunen. Moeten we dan niet meer streven naar een sociale mix? Oosterlynck en Schillebeeckx (2012) duiden dat de VROM-raad de sociale mix niet afwijst maar inzet op het binden van de verbeterende migranten aan de achtergestelde buurten. Dit is een sociale mix die groeit binnen de wijk in de plaats van een sociale mix die de overheden of marktkrachten proberen opleggen.

Ook op de arbeidsmarkt lijken de inspanningen geen zoden aan de dijk te zetten. Het aantal laaggeschoolde jobs viel terug door het wegtrekken van de textielindustrie. De resterende jobs waarvoor laaggeschoolden in aanmerking komen zijn vooral precaire jobs op de secundaire arbeidsmarkt. Voorbeelden hiervan zijn interim-arbeid of tijdelijke jobs die sterk afhankelijk zijn van de conjunctuur. Veel jongeren hopen op een vaste job bij een bedrijf zoals Volvo, maar blijven hangen in minder gunstige contracten bij toeleveringsbedrijven. Steeds meer jongeren dreigen zelfs niet meer in aanmerking te komen voor de weinige laaggeschoolde jobs die resten. Bovendien klinkt de roep steeds luider om hen onder het motto “voor wat, hoort wat” of “geen rechten zonder plichten” uit te sluiten van de sociale zekerheid. Je zou als jongere voor minder wanhopig worden.

Doen wij dan niets voor deze groep? Toch wel. Wij investeren in sociale economie. Voorbeelden zijn lokale diensteneconomie-projecten zoals ‘Buurtdiensten Gent Noord’, ‘Wijkresto & Co’ of ‘Buurtsportwerkers in Opleiding’. Door middel van een project als ‘Max Mobiel’ dat inspeelt op stedelijke mobiliteit. Of via tewerkstellingsprojecten bij organisaties zoals ‘Ateljee’. Maar er zijn onvoldoende alternatieven om de toevloed aan mensen op te vangen die uit de primaire arbeidsmarkt worden gestoten.

De problematiek van de laaggeschoolde jongeren voert ons onvermijdelijk naar het onderwijs. Gent richt 30 basisscholen in op 44 vestigingsplaatsen en vele opleidingen in het secundair onderwijs. Men zet ook in op buitengewoon onderwijs, tweedekansonderwijs en volwassenenonderwijs. We twijfelen niet aan de inzet van directies en leerkrachten. Toch slagen we er niet in om de schoolse achterstand  terug te dringen.

Het aandeel leerlingen met schoolse vertraging in het secundair onderwijs schommelde tussen 36,1 procent in 2003 en 35,4 procent in 2011 (Studiedienst van de Vlaamse Regering 2012). Een belangrijk deel van deze jongeren wordt geconfronteerd met het bekende watervaleffect. Of ze stromen uit het onderwijs zonder diploma, wat hun kansen op de arbeidsmarkt beperkt – wat we hierboven situeerden. Het debat over de hervorming van het secundair onderwijs leidt ons te ver. In het licht van ons vraagstuk over sociale mobiliteit moeten we ons in elk geval afvragen hoe we sterke leerkrachten- die ook kunnen fungeren als ankerfiguren- in die scholen kunnen houden waar ze het meest nodig zijn.

Concrete antwoorden

De VROM-raad vertrekt van de kansen van de huidige bewoners op sociale promotie. Het is ons inziens een sterk vertrekpunt. Van Robaeys (2009) stelde vast dat de mensen van niet-Europese herkomst en van Belgische herkomst armoede op de zelfde manier ervaren. Armoede doet zich voelen als een onoverbrugbare kloof tussen de middelen en de wensen die ze hebben. Die wensen zijn vaak gelijklopend. Bv. financiële zekerheid en hun kinderen kunnen steunen. Wat mensen belangrijk vinden verschilt wel. Maar alle mensen willen vooruit en willen participeren aan de samenleving. Dit streven ondersteunen brengt uiteindelijk voor iedereen meer op dan mensen sanctioneren omwille van structurele tekortkomingen de samenleving of persoonlijke tegenslagen.

Dit vertrekpunt vereist dat we opnieuw de prioriteiten bepalen in functie van de noden en behoeften van de stadsbewoners in de plaats van die van externe  investeerders (Harvey 2008). Dit betekent dat we ook met de huidige bewoners van die transitiezones praten over hun aspiraties, dat we hen mee laten beslissen over de alternatieven en dat we hen de toekomst van de stad mee laten vormgeven. Harvey beschouwt het heroveren van zowel de fysieke als de politieke ruimte van de stad als het belangrijkste strijdpunt voor de tegenbewegingen die zich in steden overal ter wereld manifesteren. Hij verwijst ter zake naar het concept ‘The right to the city’ of ‘Le droit à la ville’ van de Franse filosoof Henri Lefebvre.

We beschouwen het project ‘Ieders Stem Telt’ als een bescheiden bijdrage tot die andere benadering van de achtergestelde buurten. Naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober bevroegen ‘Samenlevingsopbouw Gent’ en dertien partnerorganisaties de voorbije maanden meer dan 1.000 Gentenaars in maatschappelijk kwetsbare situaties over wat zij nodig vinden om menswaardig te kunnen leven (Samenlevingsopbouw Gent en anderen 2012). Het is ons inziens niet toevallig dat die wensen aansluiten bij de aanbevelingen van Saunders om aankomstwijken te ondersteunen (2011) en bij de beleidsterreinen die de VROM-raad naar voren schuift. De resultaten van de bevraging vonden hun weg naar een prioriteitennota. Vijftien beleidsaanbevelingen vormen de basis voor een sociale stemtest, een lijsttrekkersdebat en gesprekken met de politieke partijen. We kunnen echter niet alle prioriteiten onder de aandacht brengen.

We beperken ons tot drie aanbevelingen:
Eigendomsverwering voor lage inkomens. We vragen de stad Gent om de ontwikkeling van een Gentse Wooncoöperatie te ondersteunen. Die wooncoöperatie is eigenaar van de gronden en komt deels tussen bij de aankoop van de woningen, waardoor bewoners gemakkelijker een eigen huis kunnen verwerven. De coöperatie wordt bestuurd door de deelnemers, de buurt en de stad Gent.

Duizend extra jobs in de sociale economie. We roepen de stad Gent op om te investeren in buurtontwikkelingsdiensten in 25 Gentse wijken. Zo brengen we basisdienstverlening dichter bij de mensen en kunnen we zinvolle jobs realiseren voor mensen die uit de primaire arbeidsmarkt worden gestoten.

Goed ondersteunde leerkrachten garanderen meer kansen voor elke leerling. We nodigen de stad Gent uit om met de begeleidingsdiensten en de relevante welzijnsvoorzieningen scholen praktisch, organisatorische en inhoudelijk te ondersteunen om met de diversiteit op school om te gaan.

Het is tijd om het geweer van schouder te veranderen. Het sociale stijgingsperspectief biedt ons inziens aanknopingspunten voor een andere benadering. Het stadsbestuur zal in dialoog met de stadsbewoners en met de niet-gouvernementele organisaties die hen verenigen, de motor moeten zijn van die andere aanpak.

Stellingen voor het debat

De huidige inspanningen op het vlak van stadsvernieuwing volstaan niet. De stadsvlucht bij de Belgische middenklasse is niet gekeerd. De huidige bewoners worden er onvoldoende beter van.
De huisvestingskosten nemen hand over hand toe. Dit hypothekeert de kansen van mensen in maatschappelijk kwetsbare situaties. Er is nood aan ander woonbeleid.

Het verkleuren van Gent is een onomkeerbaar gegeven. De stad kan er alleen maar wel bij varen als ze ook de nieuwkomers ondersteunt in hun streven naar opwaartse sociale mobiliteit. Het is hoog tijd om voor iedereen meer treden toe te voegen aan de ladder.
Er is nood aan een beleid op mensenmaat. Dat vereist vaker afstappen bij en luisteren naar de mensen die uit de arbeidsmarkt worden gestoten, die uit hun huis worden gezet of die zich buitengesloten voelen uit onze samenleving. Ook hun stem telt mee in het debat over de toekomst van de stad.

Bibliografie
*Agentschap voor Binnenlands Bestuur (2012). Gemeentelijke profielschets Gent. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
*Agentschap voor Binnenlands Bestuur (2012). Gemeentelijke profielschets Sint-Martens-Latem. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
*Harvey, D. (2008). “The right to the city.” In: New Left Review, 53, 23-40.
*Heylen, K. & Storms, B . (2009). “Het budget huisvesting en veiligheid” In: Storms, B. & Van den Bosch, K. (red.), Wat heeft een gezin minimaal nodig? Een budgetstandaard voor Vlaanderen (217-238). Leuven/Den Haag: ACCO.
*Oosterlynck, S. & Schillebeeckx, E. (2012). “Stad en sociale ongelijkheid: naar een sociale stijgingsperspectief?” In: HOLEMANS, D. (red.), Mensen maken de stad. Bouwstenen voor een sociaalecologische toekomst (128-144). Antwerpen: EPO.
*Samenlevingsopbouw Gent e.a. (2012). 15 prioriteiten voor Stad Gent en OCMW Gent. Wonen als topprioriteit voor de volgende lokale legislatuur. Gent: Samenlevingsopbouw Gent.
*Saunders, D. (2010). De trek naar de stad. Amsterdam: De Bezige Bij.
*Saunders, D. (2011). De trek naar ’t Stad. 2060 Antwerpen. Antwerpen: Stad Antwerpen en Doug Saunders.
*Stad Gent (2012). Indicatorenrapport. Met meer cijfers bouwen aan een beleid tegen armoede. Gent: De Cel Armoedebestrijding van de Stad Gent.
*Steenssens, K. e.a. (2007). Leven (z)onder leefloon. Deel 1. Onderbescherming onderzocht. Leuven: HIVA.
*Studiedienst van de Vlaamse Regering. Kinderarmoede in Vlaanderen. Brussel: Vlaamse Overheid.
*Van den Bosch, K., Van Mechelen, N. & Storms, B. (2009). “Besluit” In: Storms, B. & Van den Bosch, K. (red.), Wat heeft een gezin minimaal nodig? Een budgetstandaard voor Vlaanderen (315-327). Leuven/Den Haag: ACCO.
*Vandermotten, C., Kesteloot, C., Ippersiel, B. e.a. (2006). Dynamische analyse van de buurten in moeilijkheden in de Belgische stadsgewesten. Brussel: POD Maatschappelijke Integratie/Groot Stedenbeleid.
*Van Robaeys, B. e.a. (2007). De kleur van armoede. Armoede bij personen van buitenlandse herkomst. Leuven/Voorburg: ACCO.
*VROM-Raad (2006). Stad en stijging. Sociale stijging als leidraad voor stedelijke vernieuwing. Den Haag.

take down
the paywall
steun ons nu!