Laurent Nkunda, in het wit gekleed als een 'messias', aan het hoofd van zijn Congolese Tutsi-rebellen in Noord-Kivu in 2007 (foto: African Arguments)
Nieuws, Afrika, Politiek, Congo, Noord-Kivu, Rwanda, Tmd, ICC, Joseph Kabila, Hutu, Tutsi, President Paul Kagame, VN-rapport, Zuid-Kivu, Analyse, Gewapende milities, Grote Meren, Rwandees Patriottisch Front (RPF), Illegale exploitatie van Congolese grondstoffen, M23-rebellen, Bosco Ntaganda, Laurent Nkunda, Alliance des Forces Démocratiques pour la Libération du Congo-Zaïre (AFDL), Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD), Congrès National pour la Défense du Peuple (CNDP), Laurent-Désiré Kabila, Rwandese genocide 1994, Rwandan Defence Forces, James Kabarebe, Mouvement pour la Libération du Congo (MLC), Ugandan People's Defence Force, UPDF, Banyamulenge, Tweede Congolese Oorlog, Mai Mai-milities -

Rwanda in Congo: een geschiedenis van 16 jaar interventies

Een recent rapport van de Verenigde Naties over de crisis in het oosten van Congo geeft aan dat hooggeplaatste Rwandese militairen de nieuwste Congolese rebellenbeweging M23 ondersteunen. Dergelijke onthullingen maken deel uit van een vertrouwd patroon. Al sinds 1996 speelt Rwanda een belangrijke en zeer controversiële rol in de turbulente Congolese geschiedenis. William Macpherson analyseert.

maandag 16 juli 2012 21:15

De aanwezigheid van agressieve Hutu-milities in de twee Kivu-provincies in het oosten van Congo moedigde Rwanda de voorbije zestien jaar aan om ‘regulator’ te spelen in de regio in een poging zowel kwetsbare Congolese Tutsi als de eigen grenzen te beschermen.

Dit gezegd zijnde, de opportunistische strategieën van de Rwandese leiders, een combinatie van persoonlijke en nationale ambities, werden vooral duidelijk tijdens de Congolese Oorlog (1998-2003). De machiavellistische kanten van hun agenda in Congo werden zo blootgelegd. Hierdoor is de Rwandese regering onder Paul Kagame vaak beschuldigd de Congolese vrede te verstoren in een poging om zo haar eigen doelen te bereiken.

Hutu-milities, grensbescherming en de Congolese Tutsi

Rwandese militaire activiteiten in Congo worden vaak ter rechtvaardiging aangehaald voor de bedreiging die uitgaat van de Hutu-milities, de beveiliging van de eigen grenzen en de veiligheid en de Congolese Tutsi. Meestal worden de Rwandese interventies vooral gerechtvaardigd door Kinshasa’s onmacht deze gewapende groepen efficiënt te bestrijden in de Kivu-provincies.

De gevolgen van de genocide in 1994

Na de genocide van 1994 vond er in Kigali een radicale regeringswissel plaats dankzij de overwinning van het door Tutsi gedomineerde Rwandees Patriottisch Front (RPF) onder leiding van Paul Kagame. Wat nog overbleef van de vorige Rwandese regering, waarvan velen zich hadden ingelaten met volkerenmoord, vluchtten naar Noord- en Zuid-Kivu, de Congolese provincies grenzend aan het westen van het land. Ze werden bij hun vlucht vergezeld door de beruchte Interhamwe en andere leden van de radicale Hutu-beweging.

Bij aankomst in Congo slaagden deze groeperingen erin zich te hergroeperen dankzij de massale toevloed van humanitaire hulp. Zo konden ze dodelijke grensoverschrijdende invallen in hun vaderland uitvoeren. Deze groeperingen hadden tegen 2000 de Forces Démocratiques de Libération du Rwanda (FDLR) gevormd, een militie die tot op heden actief is in het oosten van Congo.

De Congolese Tutsi

Congolese Tutsi zijn nakomelingen van diverse migratiegolven die teruggaan tot het einde van de 19de eeuw. Zij werden geviseerd door Hutu-rebellen, maar ook door inheemse Congolese milities die traditioneel vijandig stonden tegenover de Tutsi-invloeden in beide Kivu’s.

De Tutsi-bevolking in Congo heeft nog steeds te maken met gewelddadige aanvallen en militante retoriek gericht op hun uitsluiting. De snelle bevolkingstoename heeft kwesties van landschaarste op de voorgrond geschoven waardoor etnische conflicten nog extra worden aangewakkerd.

Omdat de toenmalige Zaïrese dictator Mobutu Sese Seko in de vroege jaren negentig aarzelde de nodige maatregelen te nemen om het democratiseringsproces op gang te brengen, werden etnische conflicten en vijandigheid tussen groepen verergerd door het openstellen van de politieke ruimte en de etnische mobilisatie die onvermijdelijk bij de belofte van verkiezingen hoort.

De Congolese Tutsi werden meer en meer als ‘buitenlanders’ in hun eigen land bestempeld. Etnisch geweld barstte los in de Kivu’s in de vroege jaren negentig door de verspreiding van de Mai Mai-milities die vastberaden waren hun eigen belangen en traditionele rechten veilig te stellen. Ze spanden daarbij vaak samen met de radicale Hutu-milities na de genocide in Rwanda. Dergelijk geweld komt tot op heden nog sporadisch voor.

Tijdens de genocide van 1994 reageerde de internationale gemeenschap te onverschillig op de benarde toestand van duizenden Tutsi. Dit bevestigde nog de stelling dat als Rwanda de Congolese Tutsi niet zou beschermen, niemand dit zou doen.

Dergelijke kwesties hebben sinds 1996 Rwandese interventies in het oosten van Congo bezield. Ze vormden al die jaren de officiële rechtvaardiging voor de aanwezigheid van het Rwandese leger in Congo.

Alliance des Forces Démocratiques pour la Libération du Congo-Zaïre (AFDL)

Paul Kagame, nu president van Rwanda, rechtvaardigde Rwanda’s steun aan de rebellenbeweging AFDL van Laurent-Désiré Kabila op grond van bovengenoemde redenen. Zo konden ze gezamenlijk Mobutu van de macht verdrijven in mei 1997. Deze opstand werd formeel omschreven als een opstand van de Banyamulenge (Congolese Tutsi uit Zuid-Kivu), maar werd in werkelijkheid helemaal door het ineenstortende Zaïre voortgedreven door Rwandese wapens, troepen en veel geld.

Tegelijkertijd ontmantelde het Rwandees Patriottisch Leger (RPA, nu RDF, Rwandan Defence Forces) de vluchtelingenkampen van overwegend Hutu op de meest gewelddadige manieren. Hierbij zijn naar verluidt tienduizenden burgers gedood.

Sinds de AFDL-opstand van 1996 is de logica van de beveiliging van de Rwandese grenzen en de bescherming van Tutsi in de buurlanden altijd gebruikt om de Rwandese militaire steun te rechtvaardigen aan diverse Congolese rebellengroepen die overwegend uit Tutsi bestaan. De meest prominente zijn de Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD) en het Congrès National pour la Défense du Peuple (CNDP) van Laurent Nkunda, waarvan de nieuwste rebellengroep M23 afstamt.

Plunderingen en de Tweede Congolese Oorlog (1998-2003)

De Rwandese interventies zijn steeds machiavellistischer gebleken. De Rwandese controle over grote gebieden in het oosten van Congo werd gebruikt voor persoonlijke en nationale verrijking van Rwanda, vooral tijdens de Tweede Congolese oorlog.

Eens goed en wel aan de macht in Kinshasa, verzuurde Laurent-Désiré Kabila’s verhouding met zijn Rwandese weldoeners snel. In de ogen van vele Congolezen was de nieuwe president van Congo een Rwandese marionet die door ‘vreemdelingen’ uit het oosten was geïnstalleerd. De Rwandezen zouden uit zijn op de onderwerping van iedereen aan een algemene Tutsi-overheersing.

Kabila kampte met een gebrek aan legitimering van zijn macht en had dringend behoefte aan een PR-boost. Hij ontsloeg de gehate Rwandese legerleider, James Kabarebe, en verdreef alle buitenlandse troepen van het Congolese grondgebied. Deze handeling versnelde nog het wegzinken van Congo in vijf lange jaren van bloedige conflicten die zouden leiden tot de dood van meer dan 3,8 miljoen Congolezen: de Grote Afrikaanse Oorlog.

Zowel Rwanda als Oeganda steunden ieder een andere rebellenbeweging in het oosten en noorden van Congo uit vrees om invloed over de grondstofrijke regio’s te verliezen. Ze waren op hun hoede door geruchten dat Kabila Hutu- en Mai Mai-milities in Kivu steunde.

Nochtans werd Kabila’s macht ondersteund door een grote alliantie van troepen uit Zimbabwe, Angola en Namibië, en later ook nog door de regeringen van Tsjaad, Soedan en Libië. Tegen september 1998 hadden de gevechten op het terrein een impasse bereikt.

Dit betekende de facto een opdeling van Congo in verschillende invloedszones. Kabila en zijn bondgenoten behielden de controle over het zuiden en het westen van het land. Rwanda en Oeganda controleerden het oosten en noorden via hun respectievelijke lokale bondgenoten, de RCD en de Mouvement pour la Libération du Congo (MLC) van Jean-Pierre Bemba.

De diefstal van Congolese grondstoffen

De Rwandese legertop zou tot de zomer van 2002 de Congolese grondstoffen op grote schaal plunderen om zo voor zichzelf enorme rijkdommen te vergaren en meteen hun vaderland te verrijken. De cijfers die de VN verzamelde, spreken voor zich. De Rwandese diamantuitvoer steeg van 166 karaat in 1998 tot 30.500 karaat twee later jaar!

In 2000 werd de opbrengst van coltan – een zeldzaam samengesteld metaal dat in de productie van elektronische toestellen wordt gebruikt – geschat op 80 tot 100 miljoen dollar, evenveel als de officiële uitgaven voor defensie. Een VN-commissie van experts concludeerde dat in 1999 en 2000 het Rwandese leger 250 miljoen dollar verdiende aan de plundering van Congolese rijkdommen over een periode van achttien maanden.

De Rwandese legertop maakte een fortuin op persoonlijk vlak. In augustus 1999 kwam het in en rond de stad Kisangani zelfs tot een openlijk conflict tussen de vermeende bondgenoten Oeganda (Ugandan People’s Defence Force, UPDF) en Rwanda. De oorzaak lag naar verluidt bij discussies over de controle van rijke diamantvelden. In 2001 veroordeelde de VN-Veiligheidsraad deze handelingen als de onwettige ‘plundering van Congo’s grondstoffen’.

In juli 2002 kwam met de ondertekening van de akkoorden van Pretoria geleidelijk een einde aan de feitelijke opdeling van Congo. Dit verdrag hield in dat 20.000 Rwandese troepen zich terugtrokken. Joseph Kabila, die in januari 2001 zijn vermoorde vader was opgevolgd, moest zich in ruil bereid verklaren om de FDLR-milities in het oosten aan te pakken.

Geheime steun aan generaal Laurent Nkunda

Sinds de ondertekening van het vredesakkoord heeft Rwanda officieel zijn militairen uit Congo teruggetrokken. Nochtans zijn de politieke redenen voor de betrokkenheid van Rwanda niet verdwenen. De FDLR was nog op vrije voeten en militiegroepen bleven Congolese Tutsi-gemeenschappen bedreigen. Het is misschien hierdoor dat Rwanda sinds 2002 bij talrijke gelegenheden is beschuldigd van het financieren en blijven steunen van dissidente rebellengroepen in het turbulente oosten van Congo.

Het is duidelijk dat Rwanda een verdoken aanwezigheid in de Kivu’s handhaafde via zijn lokale bondgenoten van RCD-Goma. Een VN-rapport bevestigde dat in juni 2004 de Rwandese legertop de opstand in Bukavu steunde. Die opstand werd geleid door kolonel Mutebutsi, een Banyamulenge, en generaal Nkunda, een Tutsi uit Noord-Kivu.

Vooral Laurent Nkunda bewees een voortdurende verstoorder van de fragiele vrede te zijn. In december 2004 vielen Nkunda en Tutsi-groeperingen de stad Kanyabayonga aan de Rwandese grens binnen. In 2006 viel hij Rutshuru binnen. Tegen augustus 2007 had Nkunda de controle verworven over een groot deel van Noord-Kivu, waar hij een alternatieve overheid en een nieuwe beweging, de CNDP, opzette.

In 2008 viel Nkunda Goma, de provinciehoofdstad van Noord-Kivu, aan waardoor zowat 250.000 mensen op de vlucht sloegen. Ondertussen bleven er beschuldigingen in de richting van de Rwandese overheid gaan wegens het verlenen van steun aan Nkunda.

Een onverwachte verzoening en het ontstaan van M23

In 2009 zocht de regering in Kinshasa toenadering tot Kigali met als doel de integratie van de CNDP in het reguliere Congolese regeringsleger, de FARDC (Forces Armées de la RDC) te bespreken. Als deel van de overeenkomst kreeg zelfs het Rwandese leger (RDF) toegang tot het Congolees grondgebied om de FDLR-militie definitief uit te schakelen.

Het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag vaardigde een arrestatiebevel uit tegen generaal Bosco Ntaganda, die zich aan de controle van Nkunda had weten te onttrekken. Op papier werd de CNDP geïntegreerd in de FARDC. In januari van dat jaar werd Nkunda zelfs gearresteerd in Rwanda.

Ntaganda handhaafde echter een parallelle bevelstructuur in het deel van het Congolese leger dat onder zijn bevel stond en vele vroegere leden van de CNDP genoten vele voorrechten zoals te worden ingezet in de rijke mijnbouwgebieden.

Voor vele waarnemers vertegenwoordigt de recente oprichting van de M23-rebellenbeweging een poging om deze voorrechten te behouden, eerder dan dat ze zou gedreven zijn door daadwerkelijke grieven met betrekking tot de implementatie van de overeenkomst met de Congolese regering over de integratie van de ex-rebellen in het reguliere leger (M23 verwijst naar de datum van de overeenkomst tussen de CNDP en Kinshasa op 23 maart 2009).

Verdeelde meningen

Velen zijn van mening dat de Rwandese overheid consequent de activiteiten van Nkunda en de CNDP is blijven steunen. Filip Reyntjens, een Belgische deskundige op het gebied van de Grote Meren, stelt dat hooggeplaatsten in de Rwandese regering het Congolese vredesproces bewust hebben willen ondermijnen om hun eigen politieke en economische invloed over het oosten van Congo te kunnen behouden.

René Lemarchand, een andere expert van de regio, stelt dat de sterkte van het Rwandese leger volledig afhankelijk is de controle die het uitoefent op de Congolese grondstoffen. Zo blijft de RDF een machtige speler die eist betrokken te worden in Congolese aangelegenheden.

Anderen verschillen van mening. Andrew Mwenda, een vooraanstaande Oegandese journalist, heeft onlangs gesteld dat sommige hooggeplaatsten van het Kagame-regime bereid zouden zijn geweest om een oogje dicht te knijpen voor degenen die in Rwanda steun verlenen aan dissidente groepen binnen Congo.

Mwenda maakt duidelijk dat de bedreiging aan de Rwandese grenzen en aan het adres van Congolese Tutsi in de vorm van de FDLR nog zeer reëel is. Door de afwezigheid van een krachtdadige en operationele Congolese staat die geschikt is om toezicht uit te oefenen over het hele grondgebied, is het nodig dat de Rwandese overheid deze groepen gebruikt als buffer om zijn eigen grensgebieden te beschermen tegen mogelijke aanvallen.

Terugkerende dynamiek

Het recente VN-rapport waarnaar wordt verwezen bij het begin van dit artikel, beschuldigt Rwanda ervan munitie, wapens, gezondheidszorg, opleiding en nieuwe rekruten te leveren aan M23 en andere militiegroepen in het oosten van Congo.

Vooral James Kabarebe, Rwanda’s minister van Defensie, zou een belangrijke rol hebben gespeeld bij de organisatie van deze hulp aan de rebellen. Naar verluidt is Laurent Nkunda, die verondersteld werd gevangen te zitten in het Rwandese Gisenyi, verschillende keren aanwezig geweest bij M23-vergaderingen.

Het bekendmaken van Rwandese steun voor Tutsi-rebellen in Congo is geen nieuws. Het lijkt veeleer waarschijnlijk dat dergelijke patronen van betrokkenheid zullen doorgaan zolang de Congolese staat weinig controle over de dissidente gebieden in Kivu heeft.

Dergelijk machtsvacuüm biedt juist kansen aan degenen die van het gebrek aan veiligheid in de regio profiteren, of zij nu Hutu-rebellen of leden van de Rwandese strijdkrachten zijn. Allen zijn ze in de eerste plaats op zoek naar persoonlijke verrijking door de plundering van de aanwezige grondstoffen.

Militiegroepen actief in het oosten van Congo

Congrès National pour la Défense du Peuple (CNDP)

Dit is een rebellengroep die in 2007 door Laurent Nkunda werd opgericht. Deze beweging controleerde grote delen van Noord-Kivu tot 2009. Door een alternatieve overheidsstructuur op te zetten, maakte CNDP duidelijk gemeenschapsprojecten te willen leveren met als voornaamste intentie de Congolese Tutsi in het gebied te beschermen. In 2009 werd de leiding overgenomen door Bosco Ntaganda en de CNDP-troepen werden geleidelijk geïntegreerd in de FARDC. De meeste huidige M23-militieleden vochten vroeger voor de CNDP.

Rassemblement congolais pour la Démocratie-Goma (RCD-Goma)

De RCD vormde de basis van de opstand die de Tweede Congolese Oorlog deed ontbranden. In 1999 splitste de beweging op in twee facties: de RCD-Goma en de RCD-Bevrijdingsbeweging. Deze werden gesteund door respectievelijk Rwanda en Oeganda tot ongeveer in 2003. RCD-Goma is ook een politieke partij.

Zijn vertegenwoordiger, Azarias Ruberwa, was een van de vier vicepresidenten van Congo in de overgangsregering die het land bestuurde tot de verkiezingen in juli 2006. De partij heeft sindsdien bijzonder weinig electoraal succes gekend.

Forces Démocratiques de Libération du Rwanda (FDLR)

De FDLR is een Hutu-militie die in 2000 is opgericht en telt ook vroegere massamoordenaars van de Rwandese genocide in zijn rangen. De militie omvat de erfgenamen van de Hutu Power-beweging die Rwanda in 1994 is ontvlucht na de overwinning van het RPF.

Hoewel de militaire aanwezigheid van de FDLR in Kivu duidelijk aan het afnemen is, vertegenwoordigt ze nog altijd een militaire kracht in de Kivu’s. De beweging richt zich tegen Congolese Tutsi-gemeenschappen en hoopt, ooit, terug aan de macht te kunnen komen in Rwanda.

Mai Mai-milities

Mai Mai is een verzamelnaam van zeer uiteenlopende milities. Het gaat meestal om inheemse Congolese gewapende groepen die actief zijn in het oosten van Congo. Deze groepen houden zich vooral bezig met lokale conflicten over de toegang tot land. Ze zijn berucht voor hun wispelturige loyaliteit en sluiten wisselende allianties met andere gewapende groepen.

Mensen

Laurent Nkunda

De Congolese Tutsi Nkunda heeft als rebellenleider actief geweest in RPA, AFDL, RCD en CNDP. Na het einde van de Tweede Congolese oorlog had het algemene vredesakkoord de bedoeling om alle rebellengroepen in de Congolese strijdkrachten te integreren.

Nkunda weigerde, omdat hij vreesde voor zijn eigen veiligheid. Hij trok zich met Tutsi-troepen terug in de heuvels in Noord-Kivu. Nkunda had de controle over een groot gebied in Noord-Kivu, en zette er een alternatieve overheid op. Hij werd in 2009 gearresteerd door Rwandese militairen.

James Kabarebe

James Kabarebe is momenteel de Rwandese minister van Defensie en heeft jarenlang een belangrijke rol gespeeld in het Rwandese leger. Kabarebe was de bevelhebber van de AFDL-rebellen van Laurent-Désiré Kabila  van 1996 tot 1997. Hij zou naar verluidt een belangrijke rol hebben gespeeld bij het organiseren van Rwandese steun aan M23. In 1998 werd een moordpoging op de toenmalige president van Congo, Laurent-Désiré Kabila, toegeschreven aan Kabarebe.

Bosco Ntaganda

Bosco Ntaganda, door zijn legendarische wreedheid ook wel de ‘Terminator‘ genoemd, wordt gezocht door het Internatonaal Strafhof (ICC) in Den Haag voor oorlogsmisdaden gepleegd in Ituri tussen 2002 en 2003. Ntaganda nam de macht in 2009 over van de CNDP als onderdeel van een Rwandees-Congolese overeenkomst die de arrestatie van Nkunda inhield. Hij wordt verondersteld de M23-opstandelingen te leiden. Ntaganda is een Congolese Tutsi en was vroeger lid van de RPA.

William Macpherson

William Macpherson heeft al eerder voor Think Africa Press geschreven. Hij heeft ervaring opgedaan als commerciële trainer in Groot-Brittannië en elders. Hij behaalde een masterdiploma in Cambridge en een MBA aan INSEAD.

(vertaling uit het Engels door Zorana Belic)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!