Het neoliberalisme bekeken door de ogen van een ingenieur
Neoliberalisme systeemtheorie -

Het neoliberalisme bekeken door de ogen van een ingenieur

vrijdag 6 juli 2012 18:13

Inleiding

Als er kritiek gegeven wordt op het neoliberalisme, dan bekijkt men dit zelden vanuit nuchter, utilitaristisch standpunt. De gegeven argumenten zijn doorgaans eerder humanistisch van aard: “Het neoliberalisme ondergraaft onze menselijkheid, onze menselijke relaties, het reduceert mensen tot consumenten/producenten”.

Dit argument is zeer steekhoudend, maar wat er voor mij ontbreekt aan deze kritiek is de vaststelling dat neoliberalisme simpelweg niet werkt. Volgens bovenstaande kritiek levert het neoliberalisme een wereld op die weliswaar hard, onmenselijk en concurrentieel is, maar een wereld die wel functioneert. Een verstokte neoliberaal zal op de kritiek reageren met een laconiek: “So what ? Dat zijn toch allemaal maar softe en ouderwetse argumenten ? Het neoliberalisme creëert de beste van alle mogelijke werelden.” Zolang deze gedachte impliciet heerst zal er nooit werkelijk verandering komen.

In dit artikel probeer ik kritiek te leveren op het neoliberalisme vanuit mijn achtergrond als ingenieur. Deze kritiek is allerminst volledig, en ik ben er mij van bewust dat er veel meer te zeggen valt. Maar mogelijkerwijze levert het wel nieuwe stof tot nadenken, ook bij degenen die niet overtuigd worden door de humanistische argumenten. Ik wil in ieder geval al aantonen dat de theorie van het neoliberalisme niet als rechtvaardiging kan worden gebruikt voor de besluiten die genomen worden in de politiek.
 

Kritiek op de theorie van het neoliberalisme
 

De theorie van het neoliberalisme is feitelijk een voortzetting van het klassieke liberalisme, een tegenreactie tegen de Keynesiaanse theorie die stelt dat de overheid een belangrijke taak heeft in het bijsturen van de economie. Het neoliberalisme omvat de volgende ideën: De vrije markteconomie, met vrije concurrentie tussen de bedrijven maximalizeert het voordeel voor producenten en consumenten. De vrije markt zorgt dat vraag en aanbod in evenwicht komen, en er dus precies voldoende producten worden aangeboden om de vraag af te dekken, en dit tegen een optimale prijs. Het neoliberalisme maximaliseert hiermee dus het maatschappelijk voordeel, en schept zo de best mogelijke wereld. Elke vorm van overheidsinmenging verstoort dit optimalisatieproces en leidt dus tot een vermindering van de welvaart. Elke organisatie, of het nu om een bedrijf gaat, een overheidsinstelling, of een VZW, moet gerund worden met de efficientie van een bedrijf, dus voor elke organisatievorm moet winstmaximalisatie als doel vooropgesteld worden.  Om de efficiëntie te verhogen moeten overheidsbedrijven in de mate van het mogelijke geprivatiseerd worden.
 

De theorie van het neoliberalisme beschrijft de economie eigenlijk impliciet als een statisch wiskundig optimalisatieprobleem.
Een wiskundig optimalisatieprobleem bestaat uit een vereenvoudigd model van de werkelijkheid, inclusief aantal randvoorwaarden, en uit een optimalisatiedoel. Het optimum kan soms analytisch worden berekend, maar men kan ook beroep doen op een computersimulatie die het optimum vindt via een zelf-optimiserend proces.
De vrije markteconomie is zo’n zelf-optimiserend proces, het maximaliseren van materiële welvaart is het doel, de randvoorwaarden zijn de grenzen van de wereld, onze beperkte hulpbronnen, en niet te vergeten, het juridisch kader gecreëerd door de overheid.

Als dit allemaal klopt, waarom leven we dan nog steeds niet in een ideale wereld ? Voorstanders van het neoliberalisme hebben het idee dat er nog altijd zaken zijn die de volledige “optimalisatie” in de weg staan of vertragen: het feit dat de mens niet altijd reageert zoals een homo economicus, maar allerlei andere oneconomische drijfveren en idealen heeft:   liefdadigheid, geloof,humanisme, nutteloze en verouderde menselijke drijfveren die op sommige plaatsen nog hardnekkig blijven voortbestaan. Of het feit dat we nog steeds een overheid hebben die zich met allerlei zaken bemoeit, belastingen heft, en publieke diensten aanbiedt in plaats van dit over te laten aan de privébedrijven.

Als dus in de praktijk het neoliberalisme niet de welvaart, of het menselijk welzijn oplevert die ons beloofd werd, dan richt men zich vooral op het uit de weg ruimen van die laatste hindernissen: bereid jongeren op school eerder voor op het bedrijfsleven, subsidieer alleen de studierichtingen die nuttig zijn voor de economie, privatiseer de resterende overheidsbedrijven, geef meer macht aan de bedrijven, spoor de mensen aan tot meer consumeren, dan zal de lang beloofde welvaart ons in de schoot vallen.
Er zijn echter andere vragen die we ons beter zouden kunnen stellen. Het uitblijven van de verwachte resultaten, ligt dit nu echt aan die laatste ‘obstakels’ ? Ik geef u 4 andere mogelijke oorzaken

  • een verkeerde formulering van de optimalisatiedoelstellingen
  • een gebrek aan meta-denken
  • negeren van het dynamisch gedrag van het systeem
  • een praktijk van het neoliberalisme die in tegenspraak is met de theorie.

Verkeerd gesteld optimalisatiedoel:

Een gekend fenomeen bij wiskundige optimalisatieproblemen is: als men fouten maakt in de basisveronderstellingen of in de afleidingsregels, of als men zijn doelstellingen niet correct formuleert dan is de gevonden oplossing niet alleen niet optimaal, maar zelfs ronduit slecht. 

Een voorbeeld: als je het aantal verkeersslachtoffers op de Belgische wegen wil terugdringen, zou je kunnen proberen een formule op te stellen die het aantal verkeersslachtoffers berekent in functie van een aantal parameters, onder andere de toegelaten rijsnelheid. Door van deze functie het minimum te berekenen kan je dan wiskundig bewijzen welke omstandigheden tot het minste aantal verkeersslachtoffers zou leiden. Maar dan zou je al snel uitkomen bij het resultaat: maximaal toegelaten rijsnelheid is 0 km/u.  Als alle wagens stilstaan zal er niemand meer overreden worden. Dat is natuurlijk belachelijk. Maar het resultaat is belachelijk omdat er het model bepaalde noodzakelijke randvoorwaarden niet bevat: dat mensen zich tegen een bepaalde minimumsnelheid van punt A naar punt B moeten kunnen verplaatsen.

Mensen die niet wiskundig geschoold zijn hebben de neiging om teveel vertrouwen te hebben in een wiskundig model en de uitkomsten van het model, zonder zich vragen te stellen over de veronderstellingen die aan de basis van het model liggen.
De overheid maakt een dergelijke fout, door optimalisering van het menselijk welzijn gelijk te stellen aan het maximaliseren van de materiële welvaart. Dit is een vereenvoudiging die misschien oorspronkelijk een goede benadering was, maar ze is het al lang niet meer.

In een ontwikkelingsland, waar regelmatig hongersnoden voorkomen, hoge werkloosheid heerst, de gezondheidszorg te wensen overlaat, daar moet de overheid als doel hebben om de materiële welstand te verbeteren, omdat elke verbetering in de levensomstandigheden van die mensen effectief leidt tot meer menselijk welzijn, en meer geluk. Als iemand in het verleden geen idee had hoe hij de volgende dag aan eten kon geraken voor zijn kinderen maar door de groei van de economie weet hij een job te bemachtigen, een vast inkomen, en meer zekerheid in zijn leven,dan zal dat die persoon effectief gelukkiger maken.
 

De vraag is echter: voor iemand die al een zekere materiële welstand heeft, maakt het hem gelukkiger om nog rijker te worden, indien dat betekent dat hij dagelijks uren onderweg is in de file, dat hij nog nauwelijks de tijd heeft om zijn gezin te zien, dat hij bang moet zijn om op zijn 45ste zijn job te verliezen om door een jongere generatie vervangen te worden, dat hij geen echte vrienden meer heeft en alleen nog bezig is met zijn status- een SUV op de oprit en een jacuzi in de badkamer, omdat dat inderdaad het enige is waar hij zich nog aan kan vastklampen ?
 

Wat men vooral moet inzien is dat op dit punt gekomen een verdere ‘maximalisatie’ van de materiële welvaart niet alleen niet verder bijdraagt tot het menselijk welzijn, maar dat het zelfs contraproductief kan werken: dat het menselijk welzijn VERMINDERT door deze ‘optimalisatie’. Dat is een typische eigenschap van wiskundige optimalisatieproblemen.
 

Het optimaliseren van de winst is een perfect doel voor bedrijven, maar de overheid moet zich andere doelen stellen dan het optimaliseren van de materiële welvaart. In het verleden kon men materiële welvaart nog min of meer gelijk stellen aan menselijk welzijn, maar in de geïndustrialiseerde landen is dat al lang niet meer het geval. Daarom moet de overheid een andere koers kiezen dan die van de bedrijven, en niet klakkeloos de economie achterna hollen.

Een fout van het neoliberalisme is dat de doelstelling van het “optimalisatieprobleem” zelfs niet wordt bediscussieerd. Het maximaliseren van de materiële welvaart is het impliciete en vanzelfsprekende doel.
 

Gebrek aan meta-denken:

Zoals eerder gesteld: er wordt een optimalisatie-mechanisme in gang gezet, zonder dat we ons afvragen WAT er precies geoptimaliseerd moet worden. De neoliberale theorie biedt geen mogelijkheid om te meta-denken, om eerst te formuleren welke het te bereiken doel is, vooraleer dit doel te proberen te bereiken.  We optimaliseren dus het verkeerde, maar ook verliezen we helemaal uit het oog waar het door ons gecreëerde – maar niet door ons gecontroleerde – mechanisme ons op termijn zal brengen. Jongeren worden klaargestoomd om in het bedrijfsleven mee te draaien, maar ze worden niet opgeleid om over het geheel na te denken. Dit maakt het hele systeem stuurloos, een lichaam zonder geest, een machine zonder brein. En juist dat brein zullen we in de komende tijd ten zeerste nodig hebben. Want het is nu wel duidelijk dat onze samenleving niet duurzaam is. Een ‘business as usual’ aanpak kan niet langer worden volgehouden.

We leven in een tijd van moreel relativisme. Betreffende de vraag: “welke doelen moet een mens zich in het leven stellen?”  kan niemand ons een antwoord geven: de rol van de godsdienst is uitgespeeld, en de wetenschap die de rol van de godsdienst als bron van ‘waarheid’ heeft overgenomen houdt zich helaas met dergelijke vragen niet bezig.
Ook een maatschappij kan zich allerlei doelen stellen, en betreffende de te bereiken doelen kan men sterk van mening verschillen alnaargelang iemands politieke overtuiging, maar toch is er een onbetwistbaar doel waar ELKE samenleving naar moet streven: om haar eigen voortbestaan te verzekeren.  Dit is de enige doelstelling die niet relatief, maar absoluut is want een maatschappij die dit niet als doel stelt is gedoemd om ten onder te gaan. Anders geformuleerd luidt deze doelstelling: “onze maatschappij moet duurzaam zijn”.

Duurzaamheid wordt in de eerste instantie geassocieerd met milieubewust, ecologisch bewust leven. Maar eigenlijk is duurzaamheid veel eenvoudiger dan dat. In essentie betekent duurzaam : een werkwijze, of een levenswijze die ook in de toekomst kan worden voortgezet. Een landbouwer die elk jaar 1 kg graan zaait, die hem 500 kg graan opleveren, waarvan hij weer 1 kg overhoudt om het volgend jaar te zaaien, die werkt op een duurzame manier. Iemand met een maandloon van 2000 euro die gemiddeld 1800 euro per maand uitgeeft, leeft duurzaam (tenminste, duurzaam met betrekking tot het voortbestaan van zijn bankrekening ?). Iemand die elke maand 500 euro meer uitgeeft dan hij verdient, leeft niet duurzaam. En als we het over onze planeet hebben, dan betekent duurzaam leven: een levenswijze die de natuurlijke hulpbronnen van onze planeet niet uitput. Een levenswijze waarbij men niet meer hulpbronnen verbruikt dan de aarde jaarlijks kan voortbrengen. In het algemeen beschouwt men voorstanders van een duurzame levenswijze als idealisten, groene jongens, maar in feite zouden zelfs de grootste egoïsten duurzaamheid moeten verdedigen. Want duurzaam leven gaat niet alleen om het milieu, om het voortbestaan van de ijsberen of de toekomst van de bijenkolonies, maar het gaat over onszelf, over onze eigen toekomst.

Elke ‘optimalisatie’ die duurzaamheid niet als randvoorwaarde stelt stevent af op de ondergang van die samenleving. In praktijk betekent dit dat de overheid randvoorwaarden moet opstellen EN effectief afdwingen die de bedrijven ertoe brengt om duurzaam te produceren.

Negeren van het dynamisch gedrag

Het dynamisch gedrag van de economie is lange tijd beschouwd geweest als een randverschijnsel. De gangbare economische theorieën gaan uit van één of meerdere stabiele evenwichten waarrond hoogstens een tijdelijke oscillatie kan ontstaan die uiteindelijk terug in de evenwichtssituatie moet uitmonden. Oscillaties in de economie worden  toegeschreven aan  “exogene schokken”, een ingewikkeld woord om schokken te beschrijven die simpelweg niet te voorspellen zijn.  Op die manier kan je natuurlijk een theorie altijd doen kloppen (maar maak je de theorie tegelijk nutteloos): alles wat niet overeenstemt met de voorspellingen is te wijten aan een exogene schok.
 

Net zoals statische optimalisatie een doel is moet ook het dynamisch gedrag geoptimaliseerd worden. Deze praktijk komt zeer veel voor in de ingenieurswetenschappen, of het nu gaat over het ontwerp van een automotor, een brug, een elektronisch of een hydraulisch systeem. Dynamische gedrag optimaliseren komt meestal neer op het stabiliseren van een systeem: zorgen dat elke schok in een minimum aan tijd terug tot een evenwichtssituatie leidt.
 

En ook daarvoor moeten de noodzakelijke randvoorwaarden aan het systeem worden opgelegd. De ingenieurswetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van het dynamisch gedrag van een systeem noemt men “systeemtheorie”. De theorie die wordt toegepast om systemen te stabiliseren is de “regeltechniek”.

Dynamisch gedrag kan men enkel vatten door het systeem  te beschrijven als een stelsel van differentiaalvergelijkingen, waarbij verbanden worden gelegd tussen een aantal parameters en de eerste  (en volgende) afgeleiden van die parameters.
De traditionele economische modellen daarentegen zijn belachelijk eenvoudig en vaak flagrant onjuist. De meeste modellen zijn statisch (weinig meer dan een optelsommetje). Afhankelijkheden tussen parameters en hun afgeleiden worden niet gemodelleerd. Zonder enige rechtvaardiging worden allerlei relevante parameters weggelaten – wat leidt tot oversimplificaties, en het gebeurt meermaals dat verbanden tussen afhankelijke  parameters worden weggelaten, wat nog erger is, want juist de onderlinge afhankelijkheden kunnen een serieuze impact hebben op de dynamiek van een systeem.
Als ik naar de economie kijk – en ik kijk met de ogen van een ingenieur, dan krijg ik de sterke indruk dat ik naar een instabiel systeem kijk, waar lukraak en zonder enig inzicht elementen worden toegevoegd en zonder dat iemand zich afvraagt wat het effect is op de stabiliteit van het systeem.

Voorbeelden:

  1. Nieuwe technologieën maken het mogelijk om altijd maar sneller  aandelen te verhandelen (internet …). Maar de responsetijden veranderen van een component verandert ook het dynamisch gedrag in een systeem. Dit kan voldoende zijn om van een stabiel systeem een instabiel systeem te maken.
  2. Maar ook het alsmaar meer gebruik maken van derivaten, afgeleide producten zoals futures, hedgefunds, opties hebben invloed op het dynamisch gedrag van het systeem. Het woord zegt het zelf al: derivaat. Het zijn producten die afhankelijk zijn van de stijging van de beurskoers (dus de eerste afgeleide van de beurskoers), in plaats van van de beurskoers zelf, en dit heeft zijn invloed op het dynamisch gedrag en de stabiliteit van het systeem.
  3. Het hele fenomeen van het dereguleren van de financiële sector, en daarbij het ontstaan van een virtuele economie naast de reële economie. Waar geld ter beschikking stellen eerst een dienstverlenende sector was, die als doel had de reële economie te bevorderen, is de reële economie nu het slachtoffer van de grillen in de virtuele economie.
     

De enige manier om deze fenomenen te begrijpen en hun inherente stabiliteit of instabiliteit te kennenis om ze om te zetten in stelsels van differentiaalvergelijkingen, en deze stelsels op te lossen. Economie is natuurlijk complexer dan elektronica, hydraulica of mechanica en kwantitatieve differentiaalvergelijkingen opstellen zal in de meeste gevallen niet mogelijk zijn, maar zelfs kwalitatieve differentiaalvergelijkingen stellen ons in staat om veel te weten te komen over de stabiliteit van een systeem.
Net zoals de samenleving zich doelen moet stellen betreffende het statisch evenwicht waar we naar evolueren moeten we ons ook doelen stellen betreffende het dynamisch gedrag van het systeem.

En net zoals er in de ingenieurswetenschappen de regeltechniek bestaat om een instabiel systeem te stabiliseren moeten er overeenkomstige maatregelen genomen worden voor de economie. Dit zal waarschijnlijk tot gevolg hebben dat de economie minder snel kan ‘groeien’, daartegenover staat dat ze ook minder snel ineen kan stuiken.
 

Praktijk van het neoliberalisme
 

Tot slot, waarschijnlijk het sterkste argument tegen neoliberalisme: Als men de economische praktijk bekijkt, kan men enkel tot de vaststelling komen dat er in het geheel geen voorstanders zijn van het neoliberalisme: je hebt diegenen die openlijk kritiek uiten, en je hebt diegenen die het neoliberalisme met de mond belijden, maar in werkelijkheid iets heel anders nastreven.

Zo blijkt dat neoliberalen wel degelijk overheidsinmenging wensen – als het er bijvoorbeeld op aankomt om de banken te redden tijdens de bankencrisis. Nochtans is het redden van banken die grote risicos hebben genomen met het geld van de spaarders, terwijl banken die voorzichtig en verantwoordelijk zijn geweest niet dergelijke steun hebben gekregen een serieuze verstoring van de marktwerking. Een ‘echte’ neoliberaal – voor zover zo iemand bestaat – zou hebben moeten pleiten voor het failliet laten gaan van banken die door hun risicogedrag in de problemen kwamen. Alleen als keuzes ook verbonden worden met de gevolgen van die keuze, alleen in dat geval krijgt men een automatische optimalisatie.  Wat men ook onvoldoende beseft is dat alle uitzonderingen die men toelaat DEEL gaan uitmaken van de randvoorwaarden. Als je ‘too big to fail’ bent, dan komt de overheid je ter hulp in geval van moeilijkheden. Dat is sinds de bankencrisis in 2008 een nieuwe – en zeer onrechtvaardige – randvoorwaarde, maar een randvoorwaarde waar de banken in de toekomst wel degelijk rekening mee zullen houden.
 

Bovendien blijkt – niet verrassend – dat de zelfverklaarde neoliberalen niet bepaald voorvechters van de  vrije concurrentie zijn. In tegendeel, waar mogelijk  proberen ze een monopolie te vestigen en dat vervolgens uit te buiten. Bedrijven proberen oneerlijke voordelen te krijgen ten opzichte van de concurrentie door bij overheden te lobbyen. Grote bedrijven gebruiken alle mogelijke methodes om nieuwkomers van de markt te weren (denk aan de omstreden software patenten).

Nu is het consistent zijn van een theorie geen voldoende voorwaarde om ook waar te zijn, maar anderzijds: een theorie die inconsistent is is wel gegarandeerd onwaar. De theorie van het neoliberalisme is tenminste nog innerlijk consistent. De praktijk van het neoliberalisme is echter innerlijk inconsistent, en daarom gegarandeerd onjuist.

Hoe moet het verder ?

Ik geloof wel degelijk in de kracht van de vrije markt. De vrije markteconomie levert welvaart op, en stelt mensen in staat om initiatief te nemen en hun eigenbelang na te streven. Je kan van niemand hopen en verwachten dat hij dingen zal beslissen die tegen zijn eigenbelang ingaan, je kan enkel de randvoorwaarden zo opstellen dat als iemand zijn eigenbelang nastreeft, dat hij daarmee tevens het belang van de maatschappij dient.

Er moet een nieuwe economische theorie komen, gestoeld op de systeemtheorie, die toelaat om minstens een kwalitatief inzicht te krijgen in het dynamisch gedrag van de economie. Deze theorie zal de overheid, in naam van de burgers in staat stellen om de juiste randvoorwaarden op te leggen om zowel het statisch als het dynamisch gedrag te optimaliseren in de richting van de door ons gekozen doelstellingen. Duurzaamheid is ongetwijfeld een van deze doelstellingen. Het inperken van de macht van de financiële sector zal waarschijnlijk ook als noodzakelijke randvoorwaarde voor stabiliteit uit de bus komen. Deze theorie zou tevens de klassieke neoliberale theorie vervangen als bron van legitimiteit.

Samenvatting:
 

De illusie dat neoliberalisme wel zal werken indien de laatste hinderlijke obstakels – de laatste restjes menselijkheid – verwijderd zijn, kan je nu al definitief opbergen.

En neoliberalisme moet niet alleen bekritiseerd worden omdat het een kille, onmenselijke maatschappij oplevert, maar ook wegens veel nuchterder en objectievere redenen :  omdat ze uitgaat van een verkeerd optimalisatiedoel, omdat ze niet in staat is om zichzelf te bekritiseren, omdat ze dynamisch gedrag van de economie als een randverschijnsel beschouwt in plaats van een inherent en significant kenmerk dat een sterke invloed heeft op onze welvaart en op ons welzijn, en omdat theorie en praktijk van het neoliberalisme innerlijk inconsistent zijn.

Ik maak me geen illusies – Europa wordt door lobbyisten geleid, en de Belgische overheid kan weinig meer doen dan Europa achternahollen. Maar ik hoop dat ik met mijn betoog althans de legitimiteit van de besluitvorming – de theorie van het neoliberalisme als rechtvaardiging voor de beslissingen in Europa – heb onderuitgehaald. Het is tijd voor een nieuwe economische theorie, gebaseerd op de systeemtheorie.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!