Ben je lang werkzoekend en wens je je miserabele uitkering niet te verliezen, dan mag je de uitgestoken hand van de VDAB niet weigeren. Zoals kleuters moesten we in de 'vormingssessies' voor 50-plussers aan de hand van tekeningen en speelkaarten, die we van onze juffrouw kregen, onszelf beschrijven.
Opinie, Nieuws, Economie, Samenleving, België, Vakbonden, Arbeidsmarkt, Werkgelegenheid, Werkloosheid, VDAB, RVA, Iran, Migranten, Arbeiders, Arbeidsmarktbeleid, Vooroordelen, CV, Sollicitatiebrief, 50-plussers, Asiel en migratie, Vormingssessies, Technologische kloof -

Migranten: eenvoudige, goedkope en stille arbeiders

Het arbeidscircuit maakt een zeer angstaanjagende evolutie mee. Twee decennia geleden was ik 30-plus en maakte ik nog kans om als eenvoudige arbeidster aan de slag te gaan. Vandaag ben ik 50-plus en stel ik vast dat er geen plaats is op de arbeidsmarkt voor mensen die vooral als eenvoudige arbeiders – dit zijn de niet-gespecialiseerde en polyvalente arbeiders - hebben gewerkt.

woensdag 4 juli 2012 11:05

Hoewel ik de laatste twintig jaar van mijn leven in België als eenvoudige arbeidster heb gewerkt, heb ik nooit als een eenvoudige arbeidster gedacht. Toen ik besliste Iran te ontvluchten, wist ik van meet af aan wat me als migrant in een ander land te wachten stond. Ik had niet veel te kiezen, want vluchten is geen keuze.

Als eenvoudige arbeidster besefte ik heel goed hoe goedkoop ik mijn arbeid verkocht. Ik wist dat de groei van het kapitaal van de overheden en bedrijven alleen mogelijk is zolang de arbeidster bereid is om tegen ongunstige voorwaarden en goedkoop haar arbeid te verkopen.

De meerwaarde die de werkgever uit mijn arbeidskracht haalt, is alleen mogelijk als hij mij niet geeft waar ik recht op heb, op korte, middellange en lange termijn. De arbeidster die dat inziet, wordt vaak onbewust ongehoorzaam en opstandig. Dat merk ik bij mezelf, maar ik zie dezelfde verontwaardiging en opstandigheid niet bij mijn lotgenoten. Klagen doen ze wel, maar hun eigen lot in eigen handen nemen, is net iets te veel gevraagd.

Een ander angstaanjagend fenomeen dat ik helaas vaststel, is de onderlinge concurrentie tussen de arbeiders. Wat bezielt een autochtone arbeidster om een migrant, die nog zwaarder wordt uitgebuit dan zijzelf, als concurrent te zien? Door het gebrek aan sociaal netwerk en haar kwetsbaardere maatschappelijke positie is een migrant bereid om tegen elke prijs haar arbeid te verkopen, want zij moet alles vanaf nul opbouwen.

Vaak door het gebrek aan financiële middelen en kansen is een (hoog)geschoolde migrant, die niet vanwege haar specialisatie naar hier wordt geïmporteerd, niet in staat om haar pre-migratie expertise en kennis om te zetten naar de standaarden die de Belgische arbeidsmarkt haar oplegt.

Niet alleen zijn haar verworven kwaliteiten onbruikbaar in dit land, zij belandt in een stand-by positie, in een soort diepvries. In deze positie kan ze noch haar pre-migratie vaardigheden verder ontwikkelen, noch zich in iets anders specialiseren. Omdat zij overal als passe-partout wordt ingezet, wordt zij na verloop van tijd iets vormeloos, lelijks en waardeloos voor onze steeds meer discriminerende arbeidsmarkt.

Het migrantengezinshoofd moet, zeker wat betreft de alleenstaande ouders, niet alleen een huishouden in zijn dagelijkse nood voorzien. Op de eerste plaats staat zij voor de aartsmoeilijke opdracht om in een vreemde omgeving een veilig, warm nest voor haar kinderen op te bouwen en haar familie opnieuw emotionele stabiliteit te geven. Daarom behoort het samenhouden van de familie tot haar grootste zorg.

Jaren negentig: VDAB voor 30-plussers

Op 4 mei 1991, begon mijn migrantenleven in een klein toeristisch dorp aan de Belgische kust, Bredene aan Zee. In Iran was ik de kostwinner voor mijn gezin en ook hier begon ik onmiddellijk, zelfs zonder een woord Nederlands te spreken, naar werk te zoeken. Met gebarentaal ben ik erin geslaagd de weg naar de VDAB in Oostende te vinden. Ik kan het me nog levendig voorstellen, de VDAB-medewerker die me toen ontving, wist onmiddellijk waarvoor ik kwam.

Praten konden we niet, maar we wisten allebei waarvoor we samenzaten. Sinds deze eerste ontmoeting met de VDAB-consulent besefte ik goed dat ik in België niet meer zal zijn dan een eenvoudige arbeidster. Hij nam de telefoon en hij begon rond te bellen. Na een goed kwartier, twintig minuten, schreef hij een adres op een stukje papier en hij zei dat ik naar Wenduine, een ander klein dorp aan zee, moest gaan want daar is “work for you” legde hij mij vriendelijk uit.

Ook met gebarentaal stelde ik me voor aan de baas van het bejaardentehuis in Wenduine, waarna hij mij onmiddellijk aannam. Na amper vijf maanden, zonder een CV te hebben en/of een woordje Nederlands te kunnen spreken, heb ik mijn intrede gemaakt in het Belgische arbeidscircuit. Zo simpel ging het toen. Nu, na 22 jaar, moet ik een soort toelatingsexamen afleggen om dezelfde baan in een bejaardentehuis te mogen uitoefenen.

Voor mij was het werken in dit bejaardentehuis de beste integratiecursus. Ik leerde daar niet alleen de Nederlandse taal, maar ik maakte ook onmiddellijk kennis met de trieste realiteit van de maatschappij waarin ik voor mijn familie en mezelf een nieuw leven ging opbouwen.

Ik vond het erg verontwaardigend en mensonterend toen ik zag hoe bejaarden, die evengoed mijn ouders konden zijn, in volledige eenzaamheid op hun dood zaten te wachten. Er waren zelfs redelijk veel bejaarden die maandenlang geen enkel bezoek van hun kinderen kregen en misschien juist door deze ellende volledig hun verstand verloren.

Nieuw millennium: VDAB voor 40-plussers

Als eenvoudige arbeidster loop je niet alleen het risico om uitgebuit te worden, maar ook om ontslagen te worden. Bij elke economische crisis, herstructurering en/of fusie, en besparing kijkt men onmiddellijk in de richting van de passe-partouts. Bovendien moet je niet alleen hard werken voor weinig geld en zekerheid, maar je hebt vooral zelden tijd en middelen om je creativiteit te ontplooien en jezelf te vormen.

Uit ervaring gesproken, het zijn vaak ook de migranten die bij mogelijke afdankingen eerst hun werk verliezen. Op die manier verloor ik een paar keer mijn werk, tot ik in 2002 voor de tweede keer de ontvangstlokalen van de VDAB zocht om nieuw werk te zoeken. In plaats van werk vond ik de vormingssessie van de VDAB. Ik moest plots leren een CV opmaken, leren sollicitatiebrieven te schrijven en leren hoe ik me tijdens een sollicitatiegesprek aan de werkgever moet voorstellen om mijn kansen voor een mogelijke baan te vergroten.

In deze VDAB-opleidingen leerden we hoe belangrijk een werkgever is en hoe een arbeider er alles aan moet doen om zolang mogelijk bij een werkgever aan de slag te blijven. Men legde er voortdurend de nadruk op dat je dagelijks brood gehypothekeerd wordt door de werkgever. De wederzijdse afhankelijkheid van werknemer-werkgever werd in deze ‘lessen’ tot de eenzijdige afhankelijkheid van de werknemer van de werkgever gereduceerd.

Deze opleidingen gaven mij een slavengevoel en ze maakten me ontzettend kwaad. Het was diep slikken toen ik voortdurend aanhoorde hoe ik me moest gedragen om werk te krijgen en dit daarna te behouden. Ik viel helemaal van mijn stoel toen men me adviseerde om bij een sollicitatiegesprek mijn zelfvertrouwen te temperen, want dat zou als arrogant beschouwd kunnen worden.

Dit soort onzin is alleen mogelijk omdat de werkgever uit een leger werklozen, waar ik toe behoor, kan kiezen. Wie een beetje eigenwaarde heeft, ervaart dergelijke ‘vormingssessies’ als een regelrechte aanslag op haar persoonlijkheid.

Alsof dat niet erg genoeg is, begreep ik ook dat ik voortaan via computer, een medium waarmee ik absoluut niet vertrouwd was, met mijn toekomstige werkgever contact kon zoeken. Uit zelfrespect heb ik het zekere voor het onzekere genomen en ging ik persoonlijk, zonder een CV noch een sollicitatiebrief, overal langs tot ik nieuw werk vond.

2012: VDAB voor 50-plussers

Binnenkort word ik 57 jaar. Een jaar geleden verloor ik mijn werk omdat een Belgische arbeidster op mijn positie aasde. Nochtans was ik een eenvoudige schoonmaakster met een polyvalent takenpakket en ik genoot het volle vertrouwen van de baas. Voor de tweede keer in twintig jaar tijd werd ik door de blinde jaloezie en hebzucht van een collega, uit mijn werk weggepest en de dader erfde mijn contract.

Bij mijn vakbond kreeg ik te horen dat ze niets kunnen ondernemen tegen pesten op het werk. Het enige dat ze konden doen, was ervoor zorgen dat mijn papieren in orde waren zodat ik mijn recht op werkloosheidsuitkering niet verloor. Zo was ik niet alleen slachtoffer van pesterij op het werk. Neen, eensklaps werd ik ook werkloos en zoals elke werkloze moest ik de vernedering van de RVA ondergaan.

Met de wetenschap dat de arbeidsmarkt vandaag enerzijds nog meer gespecialiseerde, flexibelere en jongere arbeiders zoekt en anderzijds erg vijandig staat tegen ‘vreemde’ arbeiders, heb ik voor een derde keer in twintig jaar de lokalen van de VDAB bezocht. De eerste dag kreeg ik samen met de twintig andere cursisten, allemaal 50-plussers, zeer dure kaften en cursussen. We stelden ons één per één voor en we moesten kort getuigen waarom we werkloos werden.

Bijna alle cursisten maakten op mij een onverschillige indruk. Het was alsof ze enerzijds hun huidige situatie niet konden geloven en anderzijds geen perspectief hadden dat ze ooit zullen terugkeren naar de arbeidsmarkt. Onze leerkracht, die even oud was als wij, probeerde ons hoop te geven en ze schreef de klassieke vooroordelen van de werkgevers over 50-plussers op het bord:

“50-plussers zijn duur
Zij zijn versleten
Zij zijn niet flexibel
Zij worden veel ziek
Zij kunnen niet met een computer werken
Zij kunnen hun werk niet tot het einde doen
Zij werken halftijds
Zij zijn snel moe”

Bij deze opsomming vroeg ik me samen met de andere cursisten af hoe we in godsnaam nog kans maken om met al die negatieve punten aan het werk te geraken. Dit soort dingen is een pure aanslag op je zelfvertrouwen en je motivatie. Bovendien, hoe pervers is het niet om ons de schuld te geven werkzoekend te zijn, terwijl onze werkgevers ons net als afgedankte machines aan de deur hebben gezet?

Generationele apartheid

Dit soort ‘apartheidsregimes’ die onze huidige arbeidsmarkt kenmerken, zijn erg kwaadaardig voor onze samenleving. Oudere mensen hebben doorheen de jaren ervaring opgebouwd en ze hebben levenswijsheid die de kwaliteit van de werksfeer ten goede komt. Jong en oud, vrouw en man, migrant en niet-migrant vullen elkaar aan en het is absoluut misdadig om ze in aparte hokjes te steken.

De laatste twee decennia is de technologische opmars, die voor onze generatie de doos van Pandora betekent, van zulke grootte orde geweest dat een belangrijk deel van de bevolking eensklaps digitaal analfabeet werd. In de beginjaren van deze digitale revolutie verdiende ik als eenvoudige arbeidster zelfs onvoldoende om mijn kinderen en mezelf een computer met een internetconnectie aan te schaffen. Laat staan dat ik de tijd zou hebben gehad om ermee te leren werken.

Wie verdiende aan de technologische opmars, die vooral mogelijk was door de goedkope arbeid en energie? Waarom moeten we de tol van deze technologische revolutie betalen? Waarom zijn we te duur voor de werkgever en met welke bedoelingen maakt de regering ons te duur voor de werkgever? In dit land moeten we tot 65 jaar werken en aan de staat belasting betalen. Hoe is het dan mogelijk dat er voor eenvoudige arbeiders zoals ik geen perspectief meer is op de reguliere arbeidsmarkt?

Het gebrek aan perspectief valt nog te verzachten, maar wat nog erger is, is dat men als werkzoekende voortdurend onderworpen is aan de controle, de vernedering en de dreigementen van de RVA. Alsof wij een bende profiteurs zijn die van de staat willen profiteren.

Wat is de betekenis van deze dreigingen? Is een eenvoudige arbeider soms niet het slachtoffer van de belangen van de overheid en de bedrijven? Met welk recht en bedoeling schept men dit soort angstsfeer voor de werkzoekenden? Hoe kunnen we in een dergelijke dreigende en dwingende omgeving een evenwichtig en menswaardig leven leiden?

Niet alle vingers zijn gelijk

Ben je lang werkzoekend en wens je je miserabele uitkering niet te verliezen, dan mag je de uitgestoken hand van de begeleidende VDAB niet weigeren. Zoals kleuters moesten we in de ‘vormingssessies’ voor 50-plussers aan de hand van tekeningen op papier en een soort speelkaarten, die we van onze juffrouw kregen, onszelf beschrijven. Op een dag gaf ze ons de tekening van een hand en stelde de volgende vragen:

“Pink: wanneer voel je je klein?
Ringvinger: met wie ben je intiem verbonden?
Middenvinger: in welke situatie toon je die vinger?
Wijsvinger: naar wie kijk je op?
Duim: voor wie en waarom steek je je duim op?”

Het kostte me veel energie om mijn lach te bedwingen, maar het lukte me net om even ernstig naar de uitleg van de medecursisten te luisteren. Iedereen begon van de duim en eindigde bij de pink terwijl ik de enige was die het andersom deed. Bovendien was mijn beschrijving volledig anders dan die van mijn medecursisten.

Bij de pink vertelden mijn medecursisten dat ze zich schamen omdat ze werkloos zijn, voor mij symboliseert de pink de weerbaarheid. Ik legde uit dat ik me niet laat kleineren omdat ik werkzoekend ben, omdat ik weet waarom de arbeidsmarkt mensen zoals ik uitsluit.

Werkloos-zijn is niet mijn identiteit, noch koos ik daar vrijwillig voor. De werkloosheid is me opgedrongen en een normale reflex bij een dergelijke onrechtvaardige situatie is niet schaamte, maar verzet.

De ringvinger was in tegenstelling tot mijn medecursisten geen symbool van loyaliteit en trouw. Voor mij betekent de ringvinger de menselijke verbondenheid en solidariteit. Wie voor zichzelf, maar ook voor anderen, een menswaardig leven wenst, met die mensen voel ik me verbonden.

Noch in Iran, noch in België heb ik ooit mijn middenvinger opgestoken. Dit soort obscene gebaren maken, maakte geen deel uit van mijn opvoeding.

De wijsvinger staat voor mensen die in dienst staan van de mensheid. Mensen die het leven ook in zijn meest kleine vorm respecteren. Ik heb een aantal Iraanse humanisten als voorbeeld aangehaald. Maar niemand kende ze.

Ten slotte steek ik mijn duim alleen op als mijn kleinkinderen en mijn kinderen goed kunnen eten en als ze iets positief realiseren.

Na dit handaccident ben ik niet meer teruggegaan naar de VDAB-cursussen en ik nam opnieuw mijn eigen lot in handen. Maar tussen mij en de werkgever vond ik deze keer de uitzendkantoren. Als ik dacht dat de VDAB niet deugde, ben ik bij mijn eerste kennismaking met een uitzendbureau snel tot een ander oordeel gekomen.

Roya Raha

‘Migranten: eenvoudige, goedkope en stille arbeiders’ is het eerste artikel uit de driedelige reeks van Roya’s ervaringen bij het zoeken van een stabiele en waardige broodwinning in België. In Iran werkte ze zeventien jaar als ambtenaar bij de sociale arbeidsinspectie. Deze teksten zijn vanuit het Perzisch naar het Nederlands vertaald en ze verschijnen deze maand op DeWereldMorgen.be

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!