De 7 plagen van de Egyptenaren

maandag 2 juli 2012 12:25

Bent u ook geschokt door de gelatenheid waarmee Vlaams minister van Werk Philippe Muyters (N-VA) steeds reageert op de vele gevallen van openlijke, schaamteloze discriminatie in de uitzendsector?

Er was het proces tegen Adecco, de reportage van Volt op Eén, de vele verhalen van jongeren verzameld door de KAJ en zelfs het onderzoek van sectorfederatie Federgon zelf dat vorige week in het Vlaams Parlement werd voorgesteld… Stuk voor stuk legden ze de laakbare praktijken bloot die momenteel een dagdagelijkse realiteit vormen in de uitzendsector.

Ministerieel schouderophalen

In die schaarse gevallen dat de minister zich toch liet verleiden tot een reactie, kwam die altijd neer op een gelaten schouderophalen. Of, zo luidde het ook wel, we hebben toch goeie anti-discriminatieregels en er is toch al wel een hele weg afgelegd… Er valt dus, kortom, niet veel aan te veranderen.

Ideologische logica

Deze berustende reactie komt echter niet uit de lucht vallen. Ze vloeit voort uit ideologische logica en is het gevolg van de visie die de minister en zijn partij hanteren ten aanzien van discriminatie.

Door die ideologische bril bekeken is discriminatie iets dat ofwel niet bestaat, ofwel iets waaraan je niets kan veranderen. Het is een brede maatschappelijke kwaal, die nu eenmaal overal voorkomt.

Gebrek aan opleiding?

Het echte probleem, in de visie van de minister, is het opleidingsniveau. Allochtonen zijn nu eenmaal globaal genomen lager geschoold en hebben daardoor een slechtere positie op onze arbeidsmarkt.

Willen we hun positie verbeteren, dan moeten we iets doen aan hun competenties en dan zal men hen wel aanwerven en zal discriminatie verdwijnen als sneeuw voor de zon. Een dappere nieuwe wereld…

Die redenering wringt in het hoofd en het is voor wie zich niet overgeeft aan totale wereldvreemdheid gemakkelijk om vast te stellen dat er iets aan schort. Maar ze weerleggen is nog een ander paar mouwen.

Harde feiten zeggen iets anders

Sta me daarom toe om u een aantal harde feiten aan te reiken, die de fundamenten van deze schijnredenering op eenvoudige wijze aan flarden schieten. Ze komen bovendien uit onverdachte bron en zijn recent voor de zoveelste keer vastgesteld in een rapport van de VDAB, dat vrij te consulteren is op de website van die instelling.

Ik geef ze hieronder weer, samengevat als de zeven plagen waardoor allochtonen op onze arbeidsmarkt worden geteisterd.

1. Werkzaamheidsgraad en nationaliteitskloof

De eerste plaag: allochtonen kennen in Vlaanderen een lagere werkzaamheidsgraad dan in de ons omringende landen en – nog veel belangrijker – ook de nationaliteitskloof (de vergelijking in werkzaamheid met de autochtonen) is bij ons groter. België staat op dat vlak in de EU zelfs op de tweede plaats, na Zweden.

Dat betekent dat allochtonen bij ons niet alleen zeer moeilijk aan de slag geraken, maar dat hun positie tegenover de autochtonen ook veel slechter is dan in de rest van de EU.

En het opleidingsniveau? De kloof tussen de werkzaamheid van allochtonen en autochtonen blijft even groot wanneer we enkel de hoogopgeleiden bekijken.

2. Inkomenskloof / armoederisico

Allochtonen geraken bij ons niet alleen moeilijker aan de bak dan elders in Europa, met hun toegang tot behoorlijk betaalde jobs is het zo mogelijk nog slechter gesteld.

Ook bij de inkomenskloof tussen allochtonen en autochtonen bengelen we helemaal onderaan het klassement. België bekleedt ook de tweede plaats (na Griekenland) op vlak van risico op armoede of sociale uitsluiting bij in het buitenland geboren allochtonen.

3. Werkbaarheidskloof

Plaag 3: allochtonen zijn oververtegenwoordigd in sectoren en beroepen met zwaar en ongezond werk en/of minder gunstige arbeidsvoorwaarden op vlak van statuut, loon en arbeidstijdregelingen.

Zij werken meer in seizoensarbeid, in uitzendarbeid en in jobs met onregelmatige uren. Er werken meer allochtonen dan autochtonen in sectoren als de land- en tuinbouw (4,8% versus 0,5%), in de tertiaire sectoren (54% versus 39%), en in de sector van ‘diensten aan ondernemingen, terbeschikkingstelling van personeel en industriële reiniging’ (24% versus 9%).

In de “betere” jobs zien we dan weer slechts 19% van de allochtonen (tegenover 35% van de Belgen).

4. Duurzaamheidskloof

Ook als we kijken naar het soort contract en de werkzekerheid, de vierde plaag, zijn de verschillen pertinent.

Terwijl 6,3% van de Belgen met een tijdelijk contract werkt, is dat bij de EU-migranten 9,3%. Bij de niet-EU migranten loopt op tot 15,7% en zelfs tot één op zes als we enkel de vrouwen bekijken.

Zo’n 62,2% van de niet-EU’ers werkt in het arbeidersstatuut, bij de Belgen is dit iets minder dan de helft (30,9%). Slechts een kwart van de niet-EU’ers heeft een bediendestatuut, amper 13% is ambtenaar.

5. Kans op werk

OK, en hoe zit het dan met de kans om een job te vinden als men werkloos is?

De VDAB ontwikkelde een indicator “kans op werk” om dit te berekenen. En ja hoor, hier vinden we plaag 5.

Ook hier scoren allochtonen minder goed dan autochtonen: bij de allochtonen is na 1 jaar werkloosheid 44,2% aan de slag, bij de autochtonen ligt dat een stuk hoger (58,1%).

6. Impact crisis

Wie heeft meer of minder kans om zijn job te verliezen als er een crisis heerst?

Bij Belgen zien we dat bij laagconjunctuur arbeiders sneller werkloos worden dan bedienden. Bij hoogconjunctuur geldt het omgekeerde: arbeiders worden sneller weer aangeworven dan bedienden.

Bij allochtone arbeiders en bedienden gaat dit verhaal veel minder op: bij hoog- of laagconjunctuur is er nauwelijks een verschil tussen arbeiders en bedienden. En sowieso komen allochtonen in tijden van crisis eerder en sneller in de werkloosheid terecht, ook ongeacht hun statuut.

7. Jonge leeftijd / stedelijke context

De zevende plaag is van een andere orde, maar niet minder belangrijk.

Werkzoekende allochtonen zijn gemiddeld jonger. Ze vertegenwoordigen 70% van de werkzoekenden tussen de 25 en 50 jaar en slechts 12,2% van de oudere werkzoekenden.

Tegelijk concentreert de werkloosheid van deze groep zich in belangrijke mate in de steden. Ongeveer de helft van alle werkzoekende allochtonen woont in de steden Antwerpen, Gent, Mechelen, Genk en Leuven.

Combineer dit gegeven met de zes voorgaande plagen en je hebt de zevende plaag: de vaststelling dat we een hoop talent aan het weggooien zijn. Zelfs in onze groeipolen laten we een grote groep aan de kant staan, zonder veel toekomstperspectief.

Conclusie: nultolerantie voor discriminatie nodig

De bottomline van dit verhaal is: hier is meer aan de hand.

Opleiding, bijscholing, taalachterstand wegwerken… het zijn allemaal belangrijke maatregelen om iets te doen aan de problemen die allochtonen op de arbeidsmarkt ondervinden.

Maar de geciteerde cijfers tonen aan dat dit niet het hele verhaal uitmaakt en dat we absoluut ook ten volle moeten inzetten op het bestrijden van discriminatie.

Of, zoals het Vlaams regeerakkoord trouwens stelt: nultolerantie voor discriminatie moet het uitgangspunt zijn. Niet alleen om morele redenen, maar ook omdat we deze talenten nodig hebben in onze economie.

En de minister beschikt wel degelijk over bevoegdheden en instrumenten om er iets aan te doen: voer het actieplan arbeidsgerelateerde discriminatie uit en versterk het handhavingsbeleid, volg de adviezen van de adviescommissie uitzendarbeid, zet de Vlaamse inspectiediensten gericht en rigoureus in.

Het zou van moedwillige selectieve blindheid getuigen om dit niet te doen en de vele tekenen aan de wand hardnekkig te blijven ontkennen.

Philippe Diepvents, adviseur studiedienst Vlaams ABVV

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!