Hoe de sociale segregatie in het Vlaams onderwijs beperken?
Opinie, Nieuws, Samenleving, België, Onderwijs, Segregatie, GOK-leerlingen, ASO, TSO, BSO - Tino Delabie

Hoe de sociale segregatie in het Vlaams onderwijs beperken?

In Antwerpen telt het Onze-Lieve-Vrouwecollege 17 procent GOK-leerlingen, het Instituut Maris Stella-Sint Agnes in Borgerhout telt er 94 procent. De sociale segregatie in het Vlaams onderwijs is groter dan die tussen armere en rijkere buurten. Waarom moeten we ons daarbij neerleggen?

vrijdag 29 juni 2012 14:45

Zelfs in de armste volkswijken van Antwerpen wonen op verre na geen 95 procent kansarmen. Waarom aanvaarden dat scholen 90 of 95 procent GOK-leerlingen tellen terwijl andere scholen op 1 of 2 km of een paar metrostations verder er nauwelijks 20 procent hebben?

Deze cijfers, gepubliceerd in het grote scholenrapport van De Morgen (16 juni), leggen een pijnlijke schoolse realiteit bloot. Dit rapport vermeldt het percentage GOK-leerlingen per school en leert ons veel over de sociale achtergrond van de leerlingen. In het huidige onderwijsdebat wordt deze invalshoek al te veel ondergesneeuwd.

Wanneer spreken we van een GOK-leerling? Als die leerling uit een kansarm milieu komt of thuis geen Nederlands spreekt. De criteria zijn vastgelegd: de moeder heeft geen diploma secundair onderwijs, het gezin leeft van een vervangingsinkomen, het kind verblijft buiten het eigen gezin, de ouders behoren tot de rondtrekkende bevolking, de thuistaal is niet het Nederlands.

Een GOK-leerling genereert voor zijn school extra leerkrachturen voor begeleiding. Een hoog percentage allochtone leerlingen zorgt doorgaans voor een hoog GOK-percentage omdat allochtone leerlingen gemiddeld uit kansarmere gezinnen komen (meer werkloosheid, minder opgeleide moeders) en vaak niet het Nederlands als thuistaal gebruiken.

Welke factoren verklaren de grote verschillen tussen de scholen? Drie factoren springen in het oog.

1. Residentiële segregatie

De lijst die De Morgen publiceert, bevestigt een vermoeden: in regio’s of gemeenten die economisch beter boeren ligt het GOK-percentage in de scholen lager. In de Antwerpse scholen is het gemiddeld aantal GOK-leerlingen bijna 56 procent. Het verschil met de naburige onderwijszones Brasschaat (25 procent) en Mortsel (26 procent) is opvallend.

De rijkere gemeenten in de groene gordel rond Antwerpen tellen minder kansarmen en minder kinderen die thuis geen Nederlands spreken. Binnen een onderwijszone treden ook grote verschillen op. Deelgemeenten als Borgerhout en Hoboken of grote volkswijken als Antwerpen-Noord, Kiel en Deurne-Noord scoren hoge percentages GOK-leerlingen.

2. Segregatie volgens onderwijsvormen

Binnen elke onderwijszone tellen de scholen die BSO en TSO aanbieden veel méér GOK-leerlingen dan ASO-scholen. Dat geldt ook voor de eerste graad, die bijna altijd verbonden is met een bovenbouw die geprofileerd is als ASO of als TSO-BSO.

Alle statistieken bevestigen hoe cruciaal de sociaal-economische herkomst van de leerling wel is. De 15-jarige leerlingen waarvan de ouders tot de 10 procent rijksten behoren, zitten voor 90 procent in het ASO en voor 8 procent in het TSO. Maar als hun ouders tot de 10 procent armsten behoren, zitten ze voor 80 procent in het BSO of nog in de eerste graad. De opsplitsing in ASO, TSO, BSO komt grotendeels neer op een opsplitsing volgens sociale klassen.

3. Officieel en vrij onderwijs

Men kan er niet naast kijken dat de scholen met de hoogste percentages GOK-leerlingen in bijna alle onderwijszones tot het officieel onderwijs behoren, meestal GO!. Er zijn nochtans veel meer Vrije Technische Instituten dan KTA’s, MSGO‘s (middenschool GO!) of stedelijke technische scholen.

Hoe kunnen we de sociale segregatie in ons onderwijs terugdringen? Drie voorstellen

1. De vroegtijdige studiekeuze, in feite op 12 jaar, brengt een zeer grote segregatie mee. In het secundair onderwijs, maar onrechtstreeks ook in het lager onderwijs waar men anticipeert op de opsplitsing vanaf 12 jaar. Wij pleiten voor een langere gemeenschappelijke basisvorming, tot 16 jaar, zoals in Finland. Die gemeenschappelijke basisvorming moet voor iedereen veelzijdig zijn: algemeen vormend en technisch, met ook ruimte voor handvaardigheden en lichamelijke en artistieke opvoeding.

2. Het bestaan van concurrerende onderwijsnetten bevordert de sociale segregatie. Wij pleiten voor samenwerking tussen de onderwijsnetten. Het Finse model, waar de gemeenten 99 procent van de scholen inrichten, kan inspirerend werken.

3. De verschillen tussen de leerlingen op het einde van het lager onderwijs zijn vandaag te groot voor een leefbare gemeenschappelijke eerste graad.

Belangrijke investeringen moeten naar de beginjaren gaan: kleinere klassen, sneller problemen verhelpen … Dat kan het zittenblijven fors beperken zonder het niveau te laten zakken. Wij pleiten daarom voor 25.000 bijkomende leerkrachten – voor het Nederlandstalig en Franstalig onderwijs samen – vooral in de kleuterklassen en de beginjaren van het lager onderwijs.

Waar het 1 miljard euro voor deze investering vinden? Wij pleiten voor een vermogensbelasting, die toch ook een maatregel is tegen sociale segregatie.

Het belang van het leerkrachtenteam

Sommigen houden het erop dat structuren niet alles oplossen en dat het leerkrachtenteam een belangrijke rol speelt. Dat is ongetwijfeld zo. Maar ook het meest geëngageerde team kan zelfs met de beste pedagogische aanpak geen mirakels verrichten. De problemen die in een arme concentratieschool samenkomen, beperken fel de mogelijkheden.

Een inschrijvingsbeleid kan elke leerling een plaats garanderen in een dichtbije en sociaal gemengde school. Finland, het beste land in het vergelijkend PISA-onderzoek, zowel op het vlak van resultaten als voor gelijke onderwijskansen, telt 73 procent sociaal gemengde scholen, België slechts 53 procent. (zie: De school van de ongelijkheid, Hirtt, Nicaise, De Zutter)

Tino Delabie

Tino Delabie is leraar secundair onderwijs en onderwijsspecialist van de PVDA.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!