Ecuadoraanse olie, ruw
Petroleum, Ecuador, Rafael Correa, Inheemse volkeren, Chevron, Yasuní, Amazone -

Ecuadoraanse olie, ruw

donderdag 28 juni 2012 00:22

Op 15 mei verschijnt een ogenschijnlijk opbeurend artikeltje in de Ecuadoraanse krant El Comercio: “Vier waorani zullen de 15 kilometer van Quito lopen”. De vier atleten van de Waorani gemeenschappen Tiwino en Bataboro namen op 3 juni deel aan de stratenrace door het historische centrum van de stad. Op 30 mei verkenden ze het parcours. Petrobell INC dekte hun verblijfskosten. Dit onschuldige fait divers vormt slechts een veruiterlijking van de ruwe oorlog om olie in de Amazone. Na de twijfelachtige beloftes van Rio+20, een overzicht van de harde wereld van niet-groene olieontginning en de verschillen tussen de noordelijke en zuidelijke Ecuadoraanse Amazone.

De piek voorbij

Inheemse volkeren en later de Spanjaarden gebruikten sinds jaar en dag op kleine schaal olie die aan de oppervlakte pruttelde op het schiereiland Santa Elena. Vanaf het begin van vorige eeuw werden enkele bronnen aangeboord, de productie bleef klein. Olie werd door Shell in Ecuadoraanse Amazone in de eerste helft van vorige eeuw ontdekt, in de noordelijke Amazoneprovincies. Shell gaf een deel van haar concessie terug, ervan uitgaande dat er commercieel gezien niet voldoende petroleum in de grond zat.
In 1972 startte Texaco-Gulf de eerste commerciële ontginning in de Ecuadoraanse Amazone. De Ecuadoraanse overheid, gezien haar hoge schuldenlast, kende het oliebedrijf een bijzonder voordelige concessie toe. Het staatsbedrijf, destijds CEPE, kreeg een 25% van de aandelen in handen. De velden in het noordoosten, nabij Shushufindi en Lago Agrio, brachten de eerste petrodollars op. Economen voorspelden het einde van de armoede in het land en wezen op de talrijke voordelen van de exploitatie. Als een van de kleinste olieproducenten stapte Ecuador de OPEC binnen. Door het vaststellen van ongeregeldheden verwierf CEPE beetje bij beetje de meerderheid van de aandelen, om de activiteiten helemaal over te nemen in het begin van de jaren 1990, onder de naam Petroecuador.

Tussen 1985 en 2002 vonden negen onderhandelingsrondes plaats. Tijdens de eerste acht rondes werden er 4,2 miljoen hectaren verdeeld onder petroleumbedrijven, waarvan 3,6 miljoen hectaren in de Amazone-regio. De tiende ronde werd in 2011 afgewerkt en nieuwe onderhandelingen voor nummer elf staan op de agenda. De olie wordt getransporteerd door een oleoduct dat over de Andes kruipt en de olie naar de kust brengt. Het raffineren van de olie gebeurt in de kustprovincies of nabij Lago Agrio. Tegenwoordig is petroleum een van Ecuador’s belangrijkste inkomsten. Tussen 43% en 66% van ‘s lands export is petroleum gerelateerd. Het staatsbudget steunt de laatste jaren voor 43% à 59% op petroleum. Teken aan de wand, Ecuador lijkt haar piek voorbij te zijn. In 2011 produceerde het 30.000 vaten per dag minder dan in 2008, al zouden de nieuwe investeringen het tij kunnen doen keren.

Het sterkst getroffen door de petroleumontginning zijn de inheemse volkeren. Zij die oorspronkelijk in de noordelijke provincies leefden hebben het zwaarst de gevolgen van de boringen moeten voelen. Oliebedrijven proberen de gemeenschappen en autoriteiten aan hun kant te krijgen door gezondheidsprogramma’s en werk te beloven. Omkoperij, intimidatie en het zaaien van tweedracht waren op bepaalde plekken meer de regel dan de uitzondering. De gemeenschap versus haar eigen leiders, de leiders versus het bedrijf, de gemeenschap versus het bedrijf, de gemeenschap versus de autoriteiten: het zijn allemaal bronnen van wrijving en conflict. In het noorden werden de Cofan, Siona, Secoya en Kichwa het hardst geraakt. Met de exploitaties werden ook meer wegen aangelegd, die de komst van colonos of kleine landbouwers vergemakkelijkte. In sommige gevallen maakten missionarissen ook gebruik van de verbeterde toegang tot bepaalde gebieden om zielen te gaan redden, het enige resultaat was het ontnemen van cultuur en leefgewoontes. Arbeiders en boeren brachten de geneugten van het Westerse bestaan met zich mee, wat het voor vele gemeenschappen bijzonder moeilijk maakte om cultureel soeverein te blijven. Nieuwe boringen in de zuidelijke en oostelijke amazone zetten de bestaanswijze van Shuar, Waorani, Kichwa, Tagaeri en Taromenane (de laatste twee leven in vrijwillig isolement) op de helling. In het noorden werden de groepen door ziektes gedecimeerd. En dan was er ook nog de vervuiling van lucht, grond en water.

Chevron’s lesje

Texaco was lange tijd het enige bedrijf dat aan petroleumontginning deed in de Ecuadoraanse Amazone. Het bedrijf schortte haar Ecuadoraanse projecten op in 1993, staatsbedrijf Petroecuador nam de activiteiten over. Het akkoord was dat Texaco de sanering op zich nam; het Texaanse oliebedrijf investeerde 40 miljoen dollar in de regio en claimt dat haar taak daarmee afgerond is. Texaco werd opgekocht door Chevron, het bedrijf trok zich volledig terug uit Ecuador, mede omdat de aanklachten zich opstapelden.

Boeren en inheemse volkeren beschuldigen Chevron van milieuvervuiling. Ze claimen dat de oliegigant 18 miljard vaten formation water in het regenwoud liet stromen, onder meer in afvalputten. Formation water is een mengsel van water en petroleum dat tijdens het proces in bassins wordt gepompt om het natuurlijk aanwezige water van de petroleum te scheiden. Volgens lokale NGO’s werden daarnaast nog verschillende fouten gemaakt: de bassins waren onvoldoende beveiligd en gassen werden verbrand, wat dioxine in de lucht vrijliet. In totaal zou het gaan om 960 van dergelijke afvalputten. Studies wijzen uit dat in sommige gebieden kankers tot 3 maal frequenter zijn dan elders in het land – door Chevron gefinancierde studies tonen aan dat er kanker er lang niet zo vaak voorkomt. Mensenrechtenactivisten rapporteren huidziektes, problemen aan de luchtwegen of spijsvertering en oogaandoeningen als het vaakst voorkomend. Door gebrek aan data is er echter weinig zicht op de gezondheidstoestand van de bevolking in de getroffen regio’s. Inheemse volkeren werden onvoldoende geïnformeerd en blijven het water uit de vervuilde rivieren gebruiken, soms omdat er geen propere waterbronnen beschikbaar zijn.

Een provinciaal gerechtshof in Ecuador veroordeelde Chevron op 15 februari 2011 tot een schadevergoeding van 8,6 miljard dollar voor de opgelopen averij, ongeveer 18,4 miljoen dollar minder dan de aanklagers op tafel hadden gelegd. Het was voor het eerst in de geschiedenis dat inheemse volkeren succesvol een multinational konden vervolgen in het land waar de vervuiling plaatsvond. De omwonenden van de vervuilde regio’s lieten zich lichtjes positief uit, al wisten zij dat de mogelijke 8,6 miljard eigenlijk niet voldoende was, en dat ze die som nooit zouden zien. Chevron wijst alle schuld af, integendeel, het beweert dat het allemaal onderdeel is van een extortion scheme. Op de website van de corporatie duiken beelden op waar advocaten – van de gemeenschappen – grove uitspraken doen over het Ecuadoraanse juridische systeem, die doen vermoeden dat er zeker een portie corruptie aan te pas kwam. De bewijzen zijn echter keihard, het oppervlakkige opknapwerk is zichtbaar in allerlei beeldmateriaal – zoals gezegd, Texaco was het enige bedrijf dat actief was in de regio. Milieuactivisten zien in de zaak een belangrijk precedent voor andere vervuilende bedrijven. Op 3 februari 2012 wenste Chevron na het verdict haar excuses niet aan te bieden aan de slachtoffers in Quito.

Nieuwe contracten

Waar president Correa gepassioneerd het Yasuní-ITT initiatief verdedigt, geeft hij elders gemakkelijk mijnbouwconcessies. Andere keren weet hij contracten te onderhandelen in het voordeel van Ecuador. De laatste grote mars van lokale inheemse groepen en nationale organisaties kwam mei laatstleden in Quito aan om open mijnbouw in de Cordillera del Condor, in het zuiden van het land, aan te klagen. Correa beschreef de leiders als een “bende leugenaars, lastpakken en opportunisten”.

Het Yasuní gebied is een nationaal park waar twee ongecontacteerde groepen leven. Dankzij het Yasuní initiatief krijgt Ecuador internationale compensatie (wellicht tussen 600 en 700 miljoen dollar voor de volgende tien jaar) voor de geschatte 846 miljoen vaten olie onder een onaangeraakt stuk Amazonewoud te laten liggen. Het gaat om een biodivers stuk Amazonegebied dat vochtiger is dan andere stukken Amazone en dus een aantal bijzondere en unieke eigenschappen heeft. Er zouden 410 miljoen metrische ton CO2 bespaard kunnen worden. Het initiatief heeft een veel grote impact dan op het Yasuni-gebierd alleen, bedrijven zouden bijzonder veel moeite moeten doen om kleinere ontginningen aan de rand op te starten. Critici wijzen er op dat men niet tot een besparing van CO2-uitstoot zou komen, aangezien bepaalde landen de carbon credits zouden gebruiken om te vervuilen wat men in de grond laat. Ook wijst men er op dat, mits toestemming van het Congres en de President, er eventueel wel boringen zouden kunnen plaatsvinden. Natuurlijk, niets garandeert dat een volgende president het pact zal respecteren, of tot vervelens toe geld uit zou willen putten.

Correa trekt ook nieuwe investeringen aan. De oudste velden, nabij Shushufindi en Libertador produceren 59.000 vaten per dag, met nieuwe contracten zou de productie tot 70.000 en zelfs 100.000 vaten opgedreven worden. Deze velden zullen wellicht een totaal van 83 miljoen vaten produceren, de staat zal aan deze velden naar schatting 5 miljard dollar overhouden. De rentes, winsten zeg maar, voor de staat lopen tot 94,57% van de totale winsten op de ontginningen.

Inheems verzet

De Ecuadoraanse overheid en petroleumbedrijven herinvesteren bijzonder weinig van de winsten in de regio. Door het zien verdampen van de grote sommen geld, groeide de kritiek op lokaal vlak aanzienlijk. Boerenbewegingen wisten meermaals succesvol het oleoduct tijdelijk te blokkeren om hun eisen op tafel te leggen. Oliebedrijven komen op een bijzonder oppervlakkige wijze bepaalde eisen tegemoet, zoals enkele sociale investeringen. Bij lekkage neemt compensatie vaak de vorm aan van schoolboeken, voetbalvelden en snoep voor Kerstmis. Om in bepaalde basisbehoeften te kunnen voorzien hebben enkele gemeenschappen zich dan ook gekeerd naar de petroleumgiganten in plaats van de bij momenten erg afwezige staat.

In 2004 sprak Pablo Tsere, Shuar indiaan, de aandeelhouders van Burlington Resources toe in Houston, Texas. Hij had een hoofddeksel van toekan-veren op, de aandeelhouders donkere pakken. Tsere wilde de aandeelhouders ervan overtuigen om de activiteiten van het bedrijf in blokken 23 en 24 te staken. Burlington gaf toe aan twee van de drie eisen van NGO’s en gemeenschappen. Intussen werd het bedrijf door ConocoPhilips overgenomen en wil het zich terugtrekken uit de hevig gepolitiseerde petroleumontginning in Ecuador. Activisten hebben sinds enkele jaren hun pijlen gericht op de machtscentra buiten het land, bij de aandeelhouders en CEO’s. Het verhaal van Pablo Tsere wijst ook op een diep verschil tussen de noordelijke en de zuidelijke Ecuadoraanse Amazone. Boeren en inheemse groepen weten zich beter te organiseren in het zuiden, NGO’s gebruiken er andere tactieken en luisteren meer naar de lokale noden. De ervaring in het noorden heeft de zuidelijke gemeenschappen een blik gegeven op de impact die olie kan hebben. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!