Adriana Zega
Nieuws, Wereld, Samenleving, Palestina, Israël -

‘Sumoud’: het verhaal van een Palestijnse familie in Israëlisch gevangenschap

Sumoud is een Arabisch woord dat vertaald kan worden als vastberadenheid, maar het geldt in Palestina veeleer als een begrip, waarmee men het doorzettingsvermogen en de kracht van de bevolking accentueert. Voorbeelden van ‘sumoud’ zijn legio onder gevangenen of ex-gedetineerden en hun families, zoals het verhaal van de Abu Salah familie in de Gazastrook illustreert.

zaterdag 19 mei 2012 09:41

Begin mei 2012 telde de mensenrechtenorganisatie Addameer  4653 Palestijnse politieke gevangenen in Israël, 453 onder hen zijn afkomstig uit de Gazastrook. In navolging van Hamas’ verkiezingsoverwinning, werd de Gazastrook in juni 2007 tot vijandige entiteit uitgeroepen door Israël. Het werd geografisch geïsoleerd via een verstikkende blokkade die catastrofale gevolgen heeft voor de lokale economie en het welzijn van de bevolking. Palestijnse gevangenen uit Gaza werden niet langer familiebezoek toegestaan en worden zo volledig geïsoleerd van hun families.

Op 17 april 2012 werd een massale hongerstaking op touw gezet in de Israëlische gevangenissen: meer dan 1.500 Palestijnen namen hieraan deel. Ze protesteerden tegen administratieve detentie, tegen het ontzeggen van familiebezoek, tegen mishandeling en intimidatie en voor toegang tot media, studiemateriaal en communicatiemogelijkheden. Op 14 mei werd er een deal bereikt die bepaalt dat de langdurige eenzame isolatie beëindigd zal worden, familieleden in de eerste graad niet langer geweigerd zullen worden omwille van vage ‘veiligheidsredenen’, er wordt een comité in het leven geroepen om de levenscondities in de gevangenissen te bevorderen en de administratieve detentie van 308 gevangenen zal niet verlengd worden. 

De deal lijkt eerder veelbelovend, hoewel Israëls veelvuldig en problematisch gebruik van de administratieve detentie, een procedure waarbij men op basis van geheime informatie wordt vastgehouden zonder aanklacht en zonder proces, nog niet gehekeld lijkt te zijn.

Veertig jaar ouder in vier jaar

Um Fehmi’s  kleine, geblokte gestalte verschijnt met een verraste gezichtsuitdrukking in de deuropening van haar witgekalkte huis op een aardeweg in Beit Hanoun, een dorpje in het noorden van de Gazastrook.  Een hartelijke glimlach en een uitnodigend armgebaar roepen ons naar binnen. “Ahleen!” Letterlijk vertaalt betekent het ‘twee welkoms’, een veelgehoorde uitdrukking om te benadrukken hoe welgekomen een gast is. Drie plastic stoelen maken statig hun opwachting. Het golvend oranje patroon op de muren en de stapel dunne matrassen lijken erop te wijzen dat de gastkamer tevens dienst doet als kinderkamer.

“Ik ben al 25 jaar getrouwd. Ik heb 13 kinderen, 10 jongens en drie meisjes, maar de eerstgeboren dochter stierf drie dagen na haar geboorte, God beware haar ziel.” Zo opent Um Fehmi het gesprek. Voor me zit een 44-jarige vrouw, gekleed in een beigekleurige fluwelen jilbaab met rode stiksels die patronen van bloemen op haar gewaad vormen. Haar bruinzwart gestreepte hoofddoek twinkelt door de glinsteringen die erin geborduurd zijn en de felroze plastic sandalen onder haar outfit geven haar een aandoenlijke aanschijn. Maar haar ogen zijn donker en ietwat weggezonken in hun oogkassen. Ze beaamt de vermoeidheid; “in de afgelopen vier jaren ben ik veertig jaar ouder geworden.”

Naast haar zit haar 48-jarige echtgenoot, Assad, of Abu Fehmi. Zijn grijze haren zijn deels bedekt in een witte gehaakte Tarija, terwijl zijn baard op een helderwitte djellaba rust. Zijn lachende ogen sprankelen en lijken zijn mond steeds opnieuw tot een brede glimlach te commanderen.

Na 3,5 jaar gevangenisstraf werd Assad in oktober 2011 vrijgelaten uit een Israëlische gevangenis. Niet minder dan 1027 Palestijnse politieke gevangenen werden toen geruild voor de Israëlische soldaat Gilad Shalit die sinds 2007 in Gaza gevangen gehouden werd. Zijn twee zonen, zijn broer en twee neven worden nog steeds gevangen gehouden.

Een huis, een tuin, een gezin

Abu Fehmi bijt de spits af; “We waren een normaal gezin, we gaven niet om partijpolitiek, we waren gewoon Palestijns. Ons huis lag in het grensgebied, op ongeveer 300 meter van de Joden, afgelegen van de rest van het dorp. Mijn broer en zijn gezin woonden naast ons, verder was er in een omtrek van een kilometer niemand.

We hadden een simpel huis, dat we met eigen handen bouwden. De olijfbomen en amandelbomen plantten mijn vrouw en ik in het begin van ons huwelijk, toen we dromerig aan onze toekomst bouwden. We noemden de bomen naar onze kinderen die we dra verwachtten.

De ochtenden bracht ik door op het werk en in de vroege namiddag keerde ik naar huis. We kweekten groenten in het veld bij het huis en de avonden spendeerden we samen met argila [waterpijp] en met geklets en plezier. We waren gelukkig met ons simpel leven, met onze simpele dromen.

Onze kinderen koesterden dezelfde simpele dromen als wij. Ik herinner me dat de kinderen samen een verlanglijstje hadden opgesteld. Ik kwam net terug van de bank om mijn loon op te halen. Ik was bang dat het hele loon aan hun kinderlijke verlangens zou gespendeerd worden, maar ze vroegen voor kleine dingen. Ze wilden geen speelgoed, geen fietsen of dergelijke; neen, ze vroegen om een shekel [20 eurocent] om een stuk chocolade te kopen en om nieuwe sandalen om het versleten paar te vervangen. Onze simpele dromen groeide mee met het leven, maar Israël heeft er veel van vernield.”

Familiaal gevangenschap: 11 gearresteerd in twee uur tijd

“17 maart 2008. Die dag en de dag van mijn vrijlating staan in mijn geheugen gegrift.” Assad mijmert een seconde of twee en haalt diep adem om in de herinnering af te dalen. “Het was al nacht, sommige van de kinderen lagen al te slapen, toen plots mijn naam luid weergalmde door het huis. “Assad Abu Salah!” Een stem door een luidspreker beval me het huis te verlaten en me over te geven. Ik was bang. Ik dacht aan de verhalen die circuleerden over mensen die in het niets verdwenen, waarvan sommige later vermoord werden teruggevonden. Die onopgehelderde verdwijningen en moorden. Ik dacht niet onmiddellijk aan het zionistisch leger. Angstig ging ik naar buiten. Er was niemand in de tuin. Enkele seconden later zag ik dat iedere 10cm op de tuinmuur bezet was door een geweersloop. Dezelfde stem doorheen de luidspreker. Ik moest door de poort naar buiten gaan met opgeheven armen.  Daar was het vergeven van soldaten, zo’n 200, schat ik. Met honden. “Roep je kinderen!” “ Roep je broer!” “Iedereen moet het huis uit!” Er arriveerden nu ook tanks. En we werden geboeid.”

Assad kijkt op en zegt zachtjes: “Het duurde twee uur, de hele operatie, maar het zou me meer dan twee dagen nemen om je alles te vertellen, zo lang waren die twee uren.”

“Uiteindelijk arresteerden ze 11 familieleden: mijn twee zonen, ik zelf, mijn broer en zijn zeven zonen. We werden ‘s nachts weggevoerd in de tanks, over de grens, nadat het huis overhoop gehaald werd en allerlei persoonlijke bezittingen vernield werden. Zes neven werden kort erna weer vrijgelaten, maar de rest van ons bleef in gevangenschap, inclusief onze zoon Salah, die amper 17 was.”

De kreten van mijn gefolterde zonen

In 1970 bezocht ik mijn vader in de gevangenis in Nafha, het was de eerste keer dat ik de binnenkant van een gevangenis zag. Dezelfde gevangenis heeft nu al drie generaties Abu Salahs gevangen gehouden.

Ik geloofde mijn vaders verhalen over zijn gevangenschap pas echt toen ik zelf voor de eerste keer gevangen gehouden werd in 1993. Tijdens de ondervragingen werden mijn handen geboeid op mijn rug via een koord waarmee ze me aan het plafond ophingen, terwijl mijn voeten op een 5tal centimeters van de grond bungelden. Later werd ik 10 dagen lang gebonden aan een soort kinderstoel, die naar voor helt en vastgemaakt is aan de vloer.   Een andere keer werd ik vastgebonden aan een gewone stoel terwijl de ondervrager me gewelddadig vastgreep bij de schouders en me wild door elkaar schudde gedurende 10 à 20 seconden. Ik zweer bij God, op dat moment voelde ik mijn ziel mijn lichaam verlaten en dacht ik dat ik mijn dood meemaakte.”

Assad overleefde het, maar anderen waren minder gelukkig: de 30-jarige Abdel Samed Hreizat overleed in 1995 in een Israëlische gevangenis aan een hersenshock nadat hij gewelddadig door elkaar geschud werd door de ondervrager.

“De folteringen die mijn vader onderging waren nog gruwelijker. Zijn vingernagels werden uitgetrokken en hij werd naakt in een vat water met ijs geketend. Min vader stierf kort na zijn vrijlating uit de gevangenis. Ik denk dat er iets in hem was geknapt tijdens zijn gevangenschap. Dàt is de democratie waar Israël zo trots op is.

Hun marteltechnieken waren opnieuw anders in 2008, indirecter, met minder traceerbare fysieke littekens. Ik verloor bijna de helft van mijn lichaamsgewicht. Ik woog voordien 70 à 75 kilogram, maar woog amper 40kg na de eerste twee jaren in de gevangenis. Ik werd uitgehongerd en afgepeigerd: er was geen eten en geen mogelijkheid tot slapen. De eerste 15 dagen moest ik onafgebroken recht blijven staan, zonder de ogen te sluiten. En iedere vier uur kreeg ik een nieuwe ondervrager die me dezelfde vragen stelde. Of ze spuwden fruitsap in mijn gezicht uit terwijl ik vastgeketend was. Ik zweer bij God, dit is allemaal echt”, roept hij plots geagiteerd uit bij het herinneren van de verdrongen vernederingen.

“Hun vragen focusten op het gewapend verzet. Wie vuurde raketten af? Wie?! Ze doen alles om iets van informatie uit mensen te persen en zo worden sommigen door marteling of afpersing gedwongen te collaboreren. Ik vermoed dat wij allemaal in de gevangenis belandden door de ‘bekentenissen’ die andere Palestijnen maakten tijdens hun ondervragingen. Nooit waren wij betrokken bij de activiteiten van de verzetsgroeperingen, maar we werden er wel voor gevangen gehouden.”

Assads ogen worden doffer. Um Fehmi kijkt hem met lede ogen aan terwijl ze de tranen van haar wangen veegt, alsof ze weet wat haar echtgenoot zal zeggen. “Het ergste was het geschreeuw van mijn zonen. Ik wist dat ze dichtbij waren, maar ik kon hen niet zien en nog erger: ik kon niets doen. Vooral de kreten van Salah, die amper 17 was, die waren het afschuwelijkst. ” Assad pauzeert en lijkt de pijn te willen wegslikken. “Ik hoor hun kreten helemaal opnieuw door mijn hoofd echoën.”

Aan het thuisfront: zonder thuis, zonder huis

“Het duurde drie maanden. Drie volledige maanden vooraleer ik de eerste keer nieuws ontving vanuit de gevangenis. Het was een brief. Tot op vandaag is de communicatie extreem schaars. Elke vier à vijf maanden krijg ik een brief. Het Internationale Rode Kruis werkt niet hard genoeg om op te komen voor onze rechten. Het Rode Kruis kan zich niet langer achter Gilad Shalits gevangenschap verschuilen en toch is er niets veranderd. Bezoek is uitgesloten, telefoongesprekken lukken niet en brieven zijn zeldzaam”, vertelt Um Fehmi geagiteerd.

De kleine Mona wandelt de kamer binnen, ze moet ongeveer vier jaar zijn. In haar handen houdt ze een fotoalbum geklemd.  “Ze was 40 dagen oud toen haar vader, Fehmi, gearresteerd werd. Ze kent hem enkel van deze foto’s”, zegt haar grootmoeder. “Onlangs hoorde ik haar tegen Fehmi’s foto spreken: ‘Ik zie je graag, papa. Als je ook van mij zou houden, dan zou je hier bij me zijn, maar je blijft maar weg.’ Ik probeerde haar uit te leggen dat haar papa dol is van haar, maar dat hij niet weg kan, want een soldaat met een geweer heeft de sleutel van papa’s deur verstopt. [pauzeert]Enkele dagen later vroeg ze aan haar grootvader om een geweer te tekenen voor haar, zodat ze de soldaat kon neerschieten en haar papa kon bevrijden.”

Um Fehmi bladert met haar kleindochter door het fotoboek. Haar zonen en echtgenoot poseren samen voor de camera vanuit de gevangenis. Ze huilt zachtjes bij het zien van de foto van Fehmi en zijn zus Lin. Het kiekje is vergeeld en versleten; het dateert van 1989 en was één van Assads schaarse bezettingen tijdens zijn gevangenschap in dat jaar. Hij werd toen voor zes maanden vastgehouden in administratieve detentie. De volgende foto is even vergeeld en gescheurd aan de randen: het zijn Fehmi en Salah, de twee zonen die nog steeds gevangen gehouden worden. “Mijn zonen waren in de gevangenis nog voor ze gearresteerd waren”, lacht Assad met zijn jongensachtige aanstekelijke lach en zijn twinkelende ogen.

Um Fehmi zet het gesprek verder: “Ik bleef achter en werd plots gezinshoofd, verantwoordelijk voor 13 mensen. Er waren mijn tien kinderen, Fehmi’s vrouw en hun baby Mona en Assads zieke moeder. En we hadden geen geld. Assad werkte sinds kort in het Ministerie van Onderwijs, waar hij maandelijks 280€ verdiende. Dat was al behoorlijk krap, maar we zijn een simpel leven gewoon. Na zijn arrestatie was er echter niks, we vielen volledig zonder inkomen. Het duurde zes maanden totdat we een uitkering kregen. Het was zwaar.

Tot overmaat van ramp werd ons huis vernield door het Israëlisch leger. Assads moeder stierf kort erna, het was haar in haar zieke toestand allemaal teveel geworden.

We leefden voor drie maanden in een UNWRA school omdat we geen huis vonden. Daarna huurden we. En toen was er de oorlog. De angst en de onzekerheid vermenigvuldigden zich. Erna bleek het volledig uitgesloten om ons huis herop te bouwen; het bevond zich op 300 meter van de grens, aanpalend aan het gebied dat het leger tot no-go-zone uitriep.
We zijn zelfs bang om de plaats te bezoeken, laat staan dat we er zouden leven. De rekening van de bezetting is te zwaar, zeker met onze zonen in de gevangenis. Ik vraag hen om sterk te blijven, terwijl ik droom van het moment om hen te zien en hen in mijn armen te houden. Mijn schoonmoeder stierf terwijl haar zonen en kleinzonen in de gevangenis waren. Dit is mijn grootste vrees, dat me hetzelfde zou overkomen. [pauzeert] Wat hebben ze toch gedaan met ons?”

In gespannen stilte staart Um Fehmi voor haar uit. “Ik dank God voor de kracht die Hij me geeft om me hierdoor te loodsen, maar ik voel me vaak versplinterd: alsof mijn ziel mijn lichaam verlaten heeft.”

Dehumanisering van het zionisme over de generaties

“Tijdens mijn ondervraging dreigden ze met de vernieling van ons huis. ‘We zullen al je herinneringen vernielen en van je huis zal enkel gruis overblijven. We kunnen je wel een brokstuk bezorgen als je wil?’ We hadden geen contact met het thuisfront, zelfs niet met elkaar in de gevangenis, dus ik wist niet wat er met hen gebeurde.

Vernieling van de huizen van gevangenen of ex-gedetineerden gebeurt echter frequent. In 1970 werd het huis van mijn ouders vernield, na mijn vaders vrijlating. Het huis van mijn vrouw en ik werd in 2001 een eerste keer vernield. Iedere hoek van ons huis, van onze tuin was een plaats bezet met herinneringen, vol van betekenis.” Hij pauzeert en roept giftig uit: “Hoe zit het met onze menselijkheid!? Waar zijn onze mensenrechten!?”

“Wij, als Palestijnen, hebben geen problemen met Joden”, zegt Assad rustiger. “We hebben wèl een probleem met de Joodse bezetting van ons land. In 1948, tijdens de Nakba werd het huis van mijn grootouders vernield en vluchtte de hele familie naar Gaza. We zijn vluchtelingen van Dimra en sinds 1948 zijn we al driemaal gewelddadig verdreven van ons thuisland door het zionisme! Is dat democratie?”

Geïsoleerd gevangenschap

“Gedurende anderhalf jaar had ik totaal geen nieuws van mijn zonen. We bleken allen in andere gevangenissen vastgehouden te zijn. Ik zag mijn zonen de eerste keer in de rechtszaal, geboeid aan de handen en voeten. Salah en ik zagen elkaar eerst en wilden kost wat kost dicht bij elkaar geraken, maar een 20-tal soldaten verhinderden ons. In de rechtszaal word je maar door één soldaat begeleid en dat moment grepen we aan. We wilden elkaar kussen en omarmen, maar we waren nog steeds geboeid.

Dus klopten hij op me en ik op hem, gewoon om elkaar te kunnen voelen. Ik beet mijn tanden vast in zijn overhemd en hij in het mijne. Ieder ogenblik stolen we om elkaar te kussen en aan te kunnen raken. Even later kwam Fehmi binnen en we startten van meet af aan. De rechters vermaanden ons tot stilte en orde, maar ik zag hoe één van hen geëmotioneerd haar tranen van haar gezicht vaagde. Dat moment was onbeschrijfelijk, om mekaar eindelijk te kunnen zien na anderhalf jaar familiale isolatie.
Kort erna werd er eindelijk gevolg gegeven aan ons verzoek om in dezelfde gevangeniscel ondergebracht te worden.

Onvolledig geluk

“Op 18 oktober werd ik vrijgelaten, samen met honderden andere gevangenissen kwamen we toe in Rafah. Het was een intense dag, met tranen van blijdschap, maar ons geluk was onvolledig. We werden met vijf gearresteerd en ik kwam alleen terug. Als ik had kunnen kiezen, dan bleef ik bij mijn zonen in de gevangenis”, zegt Assad met een stem die overslaat terwijl de tranen in zijn ogen opwellen.

Saleh werd veroordeeld tot 15 jaar celstraf. Fehmi wacht nog steeds op een uitspraak. Mijn broer moet nog 3,5 jaren uitzitten en zijn zoon nog 12 jaar.

Ondanks dit alles voel ik een vrede binnenin me. Mijn geloof in God, de wetenschap dat we voor een rechtvaardige zaak vechten en de liefde voor mijn kinderen geven me kracht. Maar mijn belangrijkste kracht is mijn vrouw die bijzonder sterk en geduldig is.”
Um Fehmi kijkt hem liefdevol aan en zegt: “Ik zie je heel graag”, waarop Assad verlegen “dank je” mompelt. “Hij is mijn vader, mijn moeder, mijn broer, mijn zus, mijn toeverlaat”, vertelt ze en hij beaamt haar met een twinkeling in de ogen en een brede lach: “We hebben een uitzonderlijk hechte band”.

Dit artikel verscheen eerder deze maand in het magazine van Vrede vzw.

Inge Neefs verblijft voor vier maanden in de Gazastrook waar ze werkt aan een boek over Gaza dat in het voorjaar van 2012 verschijnt bij Uitgeverij EPO. Een financiële bijdrage voor het boekproject is zeer welgekomen op BE96 9730 4907 9105.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!