Gematigd extremistisch
Nieuws, België, Griekenland, Dexia, Jean-Luc Dehaene, Joris Note, Column -

Gematigd extremistisch

Ik zag verleden week op het journaal een verslag over de Dexia-vergadering, en ik zag hoe Baas Dehaene de aandeelhouder met het groene petje bejegende: Wat u zegt is nu niet aan de orde, en u kunt alleen namens anderen spreken als u verkozen bent. Dat is ongeveer wat ik verstond. Ik hoorde dat en dacht (maar niet alleen dáárom) : wat een vreselijke man.

woensdag 16 mei 2012 10:47

Ik dacht ook: mooier kan het niet. Want, aangenomen dat ik Dehaene goed verstond (ik heb het niet exact kunnen controleren), er bestaat geen kernachtiger samenvatting van de haat tegen de democratie waarover Jacques Rancière zo scherpzinnig geschreven heeft. Jij, willekeurige mens, hebt geen récht van spreken; en wát je zegt is niet ter zake, je spreekt op het verkeerde moment. Blijkbaar is het ook zo dat iemand die wél spreekrecht heeft tevens zwijgrecht heeft, hij heeft dus geen plicht om zich te verantwoorden tegenover de gemeenschap. Dehaenes misprijzen voor een vragenstellende pers is hier weer illustratief. ‘Ge kent mij, ge moet er niet aan beginnen’, zei hij vorige week. Ja, we kennen hem.

***

Als Dehaene naar verkiezingen verwijst, moet ik steevast denken aan de manier waarop hij destijds reageerde op de referenda over de ‘Europese grondwet’: de Fransen en de Nederlanders hadden het niet begrepen, ze hadden onjuist gekozen.

Alain Badiou, die ‘democratie’ terecht beschouwt als een ideologische (valse) naam van ons parlementarisme, resumeert de dominante visie van regeerders en media als volgt:

‘1. Er moeten absoluut verkiezingen zijn.
2. De mensen moeten stemmen zoals het moet.
3. Als de mensen niet stemmen zoals het moet, zouden er beter geen verkiezingen zijn.’

Gistermorgen hoorde ik het op de radio nog eens van Karel De Gucht, die over Griekenland oreerde. Uit verkiezingen, zei hij, kan alleen iets goeds voortkomen als de kiezers rationeel zijn; en de Grieken zijn niet rationeel, ze zijn wanhopig. Dus moeten we hun uitleggen hoe ze bij nieuwe verkiezingen moeten stemmen.

In verband met de ‘Europese grondwet’ werd de derde regel van Badiou letterlijk toegepast, er kwamen geen referenda meer. Maar De Gucht zou allicht ontkennen dat hij in Griekenland geen nieuwe verkiezingen wenst; alleen, hij vindt dat de Grieken zo ongeveer zelfmoord plegen als ze verkeerd stemmen, dat komt dus echt wel op hetzelfde neer.

Wie over deze dingen anders denkt, zal door een Dehaene of een De Gucht of een Van Rompuy (of hun ‘socialistische’ evenknieën) direct van ‘populisme’ beschuldigd worden – links of rechts populisme, om het even. Zodra we ons niet herkennen in de politiek van ‘onze’ politici, omdat we bijvoorbeeld menen dat die politiek alleen maar in dienst staat van het kapitalisme, bezondigen we ons aan populisme.

***

‘Hoeveel rechtser is “extreem”?’, vroeg de schrijver Jeroen Mennes, die hier onlangs ter sprake kwam. Hij schreef ook: ‘Extreem rechts is een excuus om gematigd rechts te zijn en je er lekker bij te voelen.’

De benaming ‘extreem rechts’ dient nu hoofdzakelijk om nationalistische, plusminus racistische personen en groepen aan te duiden; we plakken het etiket zelden of nooit op andere radicale verdedigers van het kapitalisme (die vaak, minder openlijk, ook hun racistische kantjes hebben). Dat is vreemd, want tegelijk vinden we het kennelijk normaal om de benaming ‘extreem links’ te gebruiken voor mensen of organisaties die het kapitalisme verwerpen of die pleiten voor fundamentele hervormingen. In de taal van onze media bestaat er dus een absurde symmetrie tussen Mélenchon en Le Pen.

Om kort te gaan: het ligt voor de hand dat we de naam ‘extreem rechts’ kunnen gebruiken voor Thatcher en Reagan, maar ook voor Merkel en Sarkozy – en natuurlijk ook voor de huidige ‘Europese’ politiek zoals die belichaamd wordt door de Commissie-Barroso, en eveneens voor de basistendens van pakweg De Standaard. ‘Gematigd rechts’ zouden we beter reserveren voor sociaaldemocraten als Hollande of de familie Tobback. (Je bent niet links omdat je partij een verre linkse herkomst heeft.) Ik betwijfel of ‘gematigd’ nog opgaat voor Dehaene, al handhaven sommigen de illusie dat we waarde moeten hechten aan zijn banden met het ACW.

Het woordgebruik zal uiteraard niet veranderen omdat ik het graag heb, maar het zou op zijn minst goed zijn af en toe eens na te denken over de betekenis van termen die we zo dikwijls hanteren.

(Maar foei, hoe durf je zoiets lelijks te zeggen over De Standaard? Besteedde die krant vorige maandag niet uitvoerig aandacht aan de Indignados? Twee volle pagina’s met leuke tekeningen en een leuk ‘gedicht’! Zo open, zo sympathiek!)

***

Het bovenstaande citaat van Badiou komt uit zijn recente Sarkozy: pire que prévu – les autres: prévoir le pire (Lignes, 2012), dat verscheen naar aanleiding van de Franse presidentsverkiezingen. Volgens Badiou moeten mensen die een andere maatschappij nastreven niet stemmen wanneer verkiezingen (zoals nu in ‘onze’ landen) georganiseerd worden door de tegenstander, dus door de kapitalistische staat. Partijen die via verkiezingen naar de macht streven, onderwerpen zich aan de consensus van die staat: ze engageren zich om niets essentieels te veranderen. Dat essentiële, waarover alle ‘niet extremistische’ partijen het eens zijn, is het kapitalisme zelf. De propagandistische verschillen tussen ‘centrumlinks’ en ‘centrumrechts’ verhullen hun wezenlijke identiteit.

Dat is niet nieuw, maar Badiou zet enkele belangrijke dingen duidelijk op een rijtje, en hij zegt heus nog wel wat meer. (Zijn vergelijking van onze maatschappij met de grot van Plato is heel geslaagd.). In zijn visie is stemmen in deze maatschappij altijd verkeerd; zelf denk ik dat het wél zinvol kan zijn in bepaalde omstandigheden. Maar dat doet er nu even niet toe: ook op dit punt geldt dat het goed is af en toe na te denken over evidenties, en Badiou levert voor zo’n reflectie bruikbaar materiaal (in glasheldere woorden).

Voor mij en vele anderen gaat het allang niet meer om stemmen voor groenen en sociaaldemocraten; het gaat om de vraag of het zin heeft te stemmen voor een ‘echt’ linkse maar electoraal minuscule partij. Leidt dat niet noodzakelijk tot terugkerende frustratie en onmachtgevoelens, en uiteindelijk misschien tot politieke apathie? Dus toch beter een onthouding? Ik zal er de volgende maanden soms mee bezig zijn.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!