Eenentwintigste-eeuws onderwijs in negentiende-eeuwse structuren
Opinie, Nieuws, België, Onderwijs - Kjell Bosmans

Eenentwintigste-eeuws onderwijs in negentiende-eeuwse structuren

De budgetten voor het onderwijs worden maar voor 60 procent geïndexeerd, zo besliste de ministerraad vorige week. Dat zou een besparing opleveren van 9,5 miljoen euro. Er zijn echter alternatieven. Door het onderwijs grondig te hervormen kan men een veelvoud van dit bedrag bezuinigen. Beter nog: met hetzelfde bedrag kan Vlaanderen ervoor zorgen dat het op wereldvlak de rol niet moet lossen.

zondag 6 mei 2012 21:12

De afgelopen jaren is het Vlaamse onderwijs ingrijpend veranderd. Deze veranderingen situeren zich voornamelijk op het vlak van pedagogie en didactiek. De Vlaamse leerkracht is op 30 jaar tijd geëvolueerd van een frontale lector naar een leerkracht die oog heeft voor de individuele noden van alle leerlingen en hoe die kunnen verholpen worden, bijvoorbeeld via contractwerk, hoekenwerk, remediëring en nog vele andere maatregelen. Ouders zijn tegenwoordig partners en geen lastige klanten. Leerlingen zijn geen problemen meer maar hebben een probleem dat we allemaal samen trachten op te lossen.

We ervaren dat alles als evident maar haast niemand staat stil bij het feit dat de structuren waarbinnen het hedendaagse onderwijs functioneert, in het beste geval uit de jaren 1960 dateert, maar dikwijls zelfs uit de negentiende eeuw stamt.

Neem nu ons vakantiesysteem. Dat is gebaseerd op de landbouwkalender en de katholieke feestdagen. In het negentiende-eeuwse Vlaanderen was de landbouw met stip de grootste werkgever. Boerenjongens moesten dus thuis zijn tijdens de oogstmaanden juli en augustus. Op dit ogenblik werkt nog amper twee procent van de bevolking in de primaire sector en is Vlaanderen volledig ontkerkelijkt. Er is dus geen enkele objectieve reden waarom we ons schools vakantiesysteem zouden aanhouden.

Integendeel: er zijn voldoende redenen om dat vakantiesysteem om te vormen. Ondanks onze hoge PISA-scores, (Vlaanderen en Finland zijn de enige niet-Aziatische of Engelstalige toppresteerders) heeft Vlaanderen een grote ongelijkheidsgraad tussen de leerlingen met de hoogste en de leerlingen met de laagste resultaten. Internationaal wordt België vermeld als enige land dat een hoog gemiddeld prestatieniveau combineert met een zeer sterke samenhang tussen prestatie en socio-economische achtergrond.

Ons vakantiesysteem draagt bij tot die ongelijkheid door het beruchte vakantieverlies. Veel scholen merken een terugval bij leerlingen na de grote vakantie. Deze terugval laat zich het meest voelen bij kansarme kinderen waar weinig schoolse stimulatie is en in nog grotere mate bij allochtone leerlingen die niet zelden meer dan twee maanden in hun thuisland doorbrengen en dan ook meer dan twee maanden geen Nederlands praten.

Een ander voorbeeld van een archaïsche structuur is het jaarklassensysteem met zittenblijvers. Een recent gepubliceerde studie van de KU Leuven toont aan dat overzitten slechts op zeer korte termijn een positief effect heeft. Ook het geboortemaandeffect speelt mee: de maand waarin kinderen geboren zijn heeft een significante invloed op de schoolse resultaten maar laat zich ook gelden in de sport bijvoorbeeld. Dat effect (in het Engels ‘Relative Age Effect’ of RAE genoemd) wordt voornamelijk veroorzaakt door ons systeem van jaarklassen. Een kind moet in het eerste leerjaar zitten tijdens het jaar dat het 6 jaar oud wordt. Dit betekent dat in dezelfde klas een kind kan zitten dat geboren is begin januari en een kind dat geboren is eind december, bijna een vol jaar verschil dus. Op 6 jaar is dat enorm. Dat systeem is nefast, omdat leerkrachten leerlingen nogal gemakkelijk op basis van hun relatieve resultaten ten opzichte van de klasgroep beoordelen, en in veel mindere mate in functie van de evolutie van leerlingen ten opzichte van zichzelf. Een kind dat bijna een jaar jonger is dan sommige klasgenoten wordt op deze manier onvermijdelijk benadeeld. Toch blijven zowat alle basisscholen in Vlaanderen vasthouden aan een jaarklassensysteem met zittenblijven.

Ook op een hoger niveau merken we verouderde en inefficiënte structuren op. In het gemeenschapsonderwijs heeft men met de beste bedoelingen een hiërarchische top-downstructuur ontwikkelt met een micro-, een meso- en een macroniveau – respectievelijk de school, de scholengroep en GO!-Centraal. De dotaties die scholen krijgen worden eerst afgeroomd door de hogere niveaus. Dit heeft als gevolg dat een school slechts de helft van het geld krijgt waar het eigenlijk recht op heeft. Met het overige geld zou veel van de ongelijkheid kunnen weggewerkt worden. Vanuit een cartesiaans en rationalistisch wereldbeeld benadert het GO!-scholen en schooldirecties als radertjes in een grote machine. Nochtans toont het PISA-onderzoek eveneens een correlatie aan tussen de autonomie van de schooldirectie en de kwaliteit van het onderwijs.

Ik pleit daarom sterk voor het toepassen van het subsidiariteitsbeginsel en voor decentralisatie in het onderwijs. Leg maximale bevoegdheden (en de daarbij horende fondsen) bij het laagste niveau en laat de hogere niveaus niet iets doen wat door het lagere niveau kan afgehandeld worden. Of in managementstermen gesproken: pas de principes van het ‘integraal management’ toe.

Onderwijs absorbeert zowat de helft van het budget van de Vlaamse regering. Redelijkerwijze zou men dus verwachten dat de onderwijsstructuren modern en efficiënt georganiseerd zijn. Maar wat dan te denken van de onderwijsnetten? In de meeste Vlaamse steden wordt onderwijs georganiseerd door 3 netten: het gemeenschapsonderwijs, het gemeentelijk onderwijs en het katholieke net. Soms liggen er drie scholen van de verschillende netten binnen een straal van 200 meter van elkaar. Elk met hun eigen directeur, hun eigen keuken, hun eigen sportzaal… En het kan nog gekker. In Brussel zijn er vier netten actief (er is ook een provinciaal net), maar je vindt er ook Turkse en Joodse scholen, en dat allemaal nog eens in de twee landstalen. Wat een gargantueske verspilling van middelen!

Het enige argument dat gebruikt wordt om deze enorme absurditeit te verdedigen is de fameuze ‘keuzevrijheid’. Volgens een studie van Guimardstraat zelf kiest amper zeven procent van de ouders een school omdat het tot het katholieke net behoort. Ouders kiezen daarentegen een school omwille van haar nabijheid, haar kwaliteit (of althans voor de perceptie daarvan), of omdat ze er zelf school gelopen hebben.

Is het echt nodig om drie pedagogische begeleidingsdiensten te betalen, drie nascholingsdiensten, drie koepels met alle organigrammen van dien, drie diensten voor gebouwen? Als de Groep T, lid van de associatie rond de katholieke KU Leuven, nu al opleidingen zedenleer organiseert, wat houdt ons dan tegen om die lijn consequent door te trekken? Willen we een geldverslindende onderwijsmachine gebaseerd op negentiende-eeuwse godsdiensttegenstellingen blijven betalen, of willen we een modern en efficiënt onderwijssysteem dat al onze kinderen de kans biedt op maximale ontplooiing? Vragen die tot nadenken stemmen…

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!