Nieuws, Wereld, Cultuur, Boek, Recensie, Discriminatie, Boekrecensie, Debuut, Walter Benjamin, Eenzaamheid, Open stad, Teju Cole - Beatrijs Geudens

‘Open Stad’: een sombere bezinning over discriminatie

Het debuut van Teju Cole is een taaie brok literatuur.

vrijdag 4 mei 2012 11:25

Hij leest niet vlotjes weg, de debuutroman van Teju Cole: een plot is er niet, de hoofdpersonages zijn overwegend onsympathiek, zelfs snobistisch, de uitweidingen over vogels, historische figuren en gebouwen zijn soms tergend langdradig en het geheel is op een merkwaardige manier gespeend van elk vleugje humor. Maar ergens daartussen ontvouwt zich wél een originele meditatie over discriminatie, eenzaamheid en kunst. Het zal van uw leesdiscipline afhangen of u ze ontdekt. Of wil ontdekken.

Een flaneur

Niet toevallig dweept een van de personages uit Open Stad met marxistisch cultuurfilosoof Walter Benjamin. In diens Kleine filosofie van het flaneren, over het Parijs van de jaren 1930, schetst Benjamin aan de hand van schijnbaar kleine details, zoals luxueuze boulevards en toevallige voorbijgangers, een beeld van een veranderend, ‘modern’, Europa.

Zo filosofeerde Benjamin: “Zeker, de voetganger die zich in het gedrang van de menigte stortte was er, maar er was ook nog de flaneur, die speelruimte nodig heeft en zijn private genoegens niet wil missen”. Zo’n flaneur is geen grijze muis in de massa, maar bekritiseert, meandert van de ene hotspot naar de andere en behoudt boven alles zijn ‘anders-zijn’.

Ook Coles hoofdpersonage Julius, een jonge halfbloed Nigeriaan die in New York werkt als psychiater, verheft wandelen tot een kunst: urenlang zwerft hij door de stad, architectuur becommentariërend, gesprekken aanknopend met passanten, dwalend door musea. Met minder verheven gedachten houdt hij zich zelden onledig.

Anders dan sporters, die enkel met hun lichaam bezig zijn, en voetgangers, die in hun tocht naar hun bestemming voornamelijk de afstanden in de omgeving de baas willen zijn, vormt een flaneur zoals Julius de verbinding tussen het ik en de omgeving, het dialectische middelpunt dat voortdurend de geschiedenis registreert. Een geschiedenis vol vreemdelingenhaat, geweld en tristesse, als je Cole moet geloven.

Het droevigste, maar ook boeiendste, deel van de roman speelt zich af in het Brussel van net na de moord op Joe Van Holsbeeck: het beeld van ons troosteloze, xenofobe Brussel, dat nota bene een buitenstaander als Cole ons weet te schetsen, is pijnlijk treffend, maar ook eenzijdig somber.

De reden waarom Julius naar België reist, is niet helemaal geloofwaardig: hij gaat er op zoek naar zijn oma, maar dat lijkt slechts een excuus om nog maar eens een verhaal over discriminatie op te hangen, dit keer in de vorm van het personage Farouq, een verbitterde moslim-intellectueel-internetshopmedewerker waarmee Julius vriendschap sluit.

Kan kunst de wereld redden?

Het lijkt erop dat kunst volgens Cole een van de weinige dingen is die ertoe doen: kunst en de condition humaine. Het is de blik van de kunsthistoricus en fotograaf Cole die overheerst, meer dan de psychiatrische nieuwsgierigheid van Julius. Dat de schrijver niet zijn personage is, wordt duidelijker naarmate het boek vordert en er plots toch iets lijkt te gebeuren: Julius is geen onbeschreven blad, maar zowaar iemand met een (niet zo fraaie) geschiedenis.

Geen anekdote in Open Stad is gratuit, geen naam wordt toevallig vernoemd: Cole is vanzelfsprekend bijzonder intelligent en bovendien intellectueel (wel jammer voor de minder onderlegde lezer, wie het inmiddels duizelt van alle historische verwijzingen), al is het zo oprecht dat je hem niet kan verwijten behaagziek te zijn. In al zijn oprechte integriteit vergeet hij echter één ding: van een vleugje zelfspot is nog nooit een schrijver dood gegaan. Integendeel.

Het boek is verkrijgbaar in onze shop.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!