Palestijnse school in de Jordaanvallei (foto Ma'an Development Centre)
Nieuws, Wereld, Samenleving, Politiek, Palestina, Israël, Discriminatie, Apartheid, Westelijke Jordaanoever, Bezetting Palestina, Jordaanvallei, Conventies van Genève, Electronic Intifada -

Apartheid in 2012: welkom in de bezette Jordaanvallei

Een recent rapport van het Palestijnse 'Ma'an Development Center' legt het scherpe contrast bloot tussen de leefomstandigheden van de Palestijnen en de illegale kolonisten in de Jordaanvallei. Toegang tot water, onderwijs, gezondheidszorg: openlijke discriminatie van een bezet volk.

donderdag 19 april 2012 18:10

Luxe en armoe op een boogscheut van elkaar

Het beleid van de staat Israël vergemakkelijkt de extravagante levensstijl van de Joodse kolonisten ten koste van de elementaire rechten van de Palestijnen. Palestijnen worden de toegang ontzegd tot hun natuurlijke hulpbronnen, terwijl Israëlische kolonisten volop genieten van de rijke landbouwgronden en de overvloedige waterreserves van de vallei. Water, onderwijs en gezondheidszorg zijn volledig gescheiden.

Het gebied van de Jordaanvallei en de Dode Zee omvat bijna één derde van de bezette gebieden en is één van de meest geïsoleerde en ontoegankelijke zones van de westelijke Jordaanoever. Israël heeft volledige controle over 95 procent van de Jordaanvallei  -het gebied dat Area C wordt genoemd-, waar het Palestijnen verboden is vrij hun eigen landbouwgronden te gebruiken.

Er leven ongeveer 56.000 Palestijnen in de Jordaanvallei en 9.500 Israëlische kolonisten hebben er 37 koloniale nederzettingen opgericht. 

(Het bezette gebied ten oosten van de staat Israël wordt ‘westelijke Jordaanoever’ genoemd. Met de ‘Jordaanvallei’ wordt het deel van dit gebied langsheen de rivier Jordaan bedoeld. Deze vallei naast de stroom is veel waterrijker en vruchtbaarder dan de rest van de ‘westelijke Jordaanoever’. De Jordaan is tevens de grens met Jordanië. De benaming ‘westelijke Jordaanoever’ voor het geheel van dit bezette gebied is dus een beetje verwarrend, omdat enkel het deel dat ‘Jordaanvallei’ wordt genoemd in feite aan de ‘oever’ van de Jordaan ligt, nvdr.)

Uitbreiding nederzettingen met subsidies

De oorlog van 1967 verdreef duizenden Palestijnen uit de Jordaanvallei. Onmiddellijk na die oorlog begon Israël zwaar te investeren in nederzettingen om burgers naar dit gebied te kunnen overzetten. Artikel 49 van de ‘Vierde Conventie van Genève’ verbiedt nochtans expliciet aan Israël -de bezettende macht- om delen van zijn eigen burgerbevolking te deporteren of over te zetten naar gebieden die het bezet houdt.

Israël verbiedt eender welke vorm van ontwikkeling voor de Palestijnen in dit gebied. De nederzettingen in het noorden van de Jordaanvallei richten zich vooral op landbouw. In het zuiden daarentegen -dichter bij de Dode Zee- gaat het vooral om toerisme.

Nationale Prioriteitsgebieden

Alle nederzettingen in de Jordaanvallei genieten van het Israëlisch beleid van ‘Nationale Prioriteitsgebieden’. Dit beleid heeft de bedoeling migratie naar de nederzettingen aan te moedigen door subsidies te voorzien voor woningen, onderwijs, landbouw, industrie en door preferentiële belastingsvoeten. Tussen 2000 en 2006 betaalden bijvoorbeeld de kolonisten op de westelijke Jordaanoever 60 procent minder belastingen dan de Israëlische burgers in Israël zelf.

Bovendien krijgen de nederzettingen ook directe financiële steun op initiatief van individuele ministers. De lokale koloniale gemeentes spelen daarbij een sleutelrol als bemiddelaar tussen de nationale regering en de uiteindelijke begunstigden, de kolonisten. “Wij belasten ons daarmee of we verzekeren ons ervan dat we de diensten krijgen waar we recht op hebben,” zegt een lid van de regionale raad in een interview.

De kolonisten krijgen ook omvangrijke financiële steun van zionistische organisaties zoals het Eén Israël Fonds, het Ontwikkelingsfonds van de Jordaanvallei en het Shiloh Israël Kinderfonds.

Buitenlandse bedrijven genieten ook van dit gunstig belastingsregime als ze in de nederzettingen actief zijn. Het ministerie van industrie, handel en landbouw biedt 50 procent korting op centra voor onderzoek en ontwikkeling. Buitenlandse bedrijven kunnen ook nog een investeringsbijdrage van 20 procent krijgen voor specifieke projecten in die centra.

Discriminerend waterbeleid

In de bezette Jordaanvallei is water één van de meest kostbare Palestijnse grondstoffen; het vloeit in de ondergrondse watertafels, in de beken en in de Jordaanrivier. Het Israëlische discriminerend beleid  belet de toegang voor de Palestijnen tot hun grondwater. Palestijns water wordt daarentegen wel geplunderd om de uitgebreide koloniale landbouwindustrie te bevoorraden,  waaronder ook de grote  ‘alleen-voor-kolonisten-zwembaden’. De overgrote meerderheid van de nederzettingen heeft een zwembad.

Onmiddellijk na de bezetting van 1967 nam Israël de volledige controle over van de waterbronnen en blokkeerde de toegang tot de Jordaan voor de Palestijnen. De Israëlische watermaatschappij Mekorot begon diepe waterputten te boren voor de kolonisten en heeft alle Israëlische nederzettingen in de Jordaanvallei verbonden met het netwerk voor waterdistributie van Israël, allemaal met behulp van regeringssubsidies. Die putten hebben de waterbronnen, toegankelijk voor de Palestijnen, opgedroogd omdat zij zo geen diepe putten mogen boren.

Daarbij komt nog dat Israël Palestijnse waterputten, watertanken en andere waterbronnen en infrastructuur vernietigd heeft. In 1967 waren er 774 functionerende waterputten. In 2005 blijven er daar slechts 328 van over. Daarenboven krijgen Palestijnen geen vergunningen voor het bouwen van nieuwe waterstructuren, terwijl dergelijke vergunningen zeer vlot worden toegekend voor de nederzettingen.

‘Gemeenschappelijk’ betekent niet dat we dingen samen doen

Er bestaat een ‘Gemeenschappelijke Watercommissie’ (Joint Water Committee of JWC), samengesteld uit Israëlis en Palestijnen,  die de bedoeling heeft toe te zien op en toestemming te geven voor waterprojecten op de westelijke Jordaanoever. De JWC heeft geen enkel gezag over de Israëlische nederzettingen maar geeft Israël wel een vetorecht over Palestijnse beslissingen voor watervoorziening.

Volgens de Wereldbank wachten 106 Palestijnse waterprojecten en 12 grootschalige afvalwaterprojecten op goedkeuring van de JWC, sommige reeds sinds 1999. Bovendien moeten de Palestijnen toestemming vragen aan de Israëlische civiele administratie voor goedkeuring van de Palestijnse waterprojecten in ‘Area C’, waardoor dus nog bijkomende administratieve hinderpalen worden gecreëerd. Sinds 1993 is daarentegen nog maar één Israëlisch project afgekeurd.

Leugens, grove leugens en statistieken

De hoeveelheid leidingwater, beschikbaar voor Palestijnen, is slechts een fractie van het leidingwater waarover de kolonisten beschikken in de nabijgelegen nederzettingen. Kolonisten in de nederzetting Yitav consumeren zo 317 liter per dag terwijl Palestijnen het in het nabijgelegen Ras al-Auja met slechts 30 liter moeten doen. In de nederzetting Ro’I kunnen de kolonisten 431 liter verbruiken terwijl de Palestijnen in het nabijgelegen Al-Hadidiya amper 20 liter krijgen.

Als gevolg van het discriminerende waterbeleid van Israël is ongeveer 67 procent van de Palestijnen in de Jordaanvallei verplicht om zeer duur water in tanks te kopen van Mekorot.  Leidingwater  kost 0,53 euro per kubieke meter maar de prijs van water in een tank is 5 tot 14 keer hoger.

Geen Israëlisch geld voor het onderwijs van Palestijnse kinderen

Bijna 95 procent van de Jordaanvallei is ‘Area C’ en valt dus onder Israëlische militaire controle. De Israëlische regering heeft de verplichting opvoeding te voorzien voor de Palestijnse kinderen die in dat gebied leven, maar Israël verhindert dat Palestijnse kinderen les volgen in de scholen van de kolonisten, die de enige begunstigden zijn van het onderwijsbudget.

De ‘Palestijnse Nationale Autoriteit’ (PNA) probeert te helpen maar kan geen substantiële steun bieden voor het onderwijs in ‘Area C’. Het budget is in vele Palestijnse scholen zo beperkt, dat een groot deel van het jaarlijks budget naar het kopiëren van de leerboeken gaat. Zo moet de school in het Palesijnse dorp Marj Na’aje 200 leerlingen behelpen. De PNA geeft fondsen voor de lonen maar de school moet voor zijn beheerskosten rekenen op schenkingen van de 800 dorpsbewoners, waarvan 40 procent geen werk heeft. Eén derde van het beschikbare budget van 1.200 euro wordt gespendeerd aan kopieerpapier.

Ongeveer 10.000 Palestijnse kinderen in ‘Area C’ hebben het schooljaar aangevat in tenten, caravans of metalen barakken, zonder bescherming tegen warmte en kou. Eén derde van de scholen in ‘Area C’ heeft geen watervoorzieningen of sanitair. Daarenboven hangt minstens 23 scholen, die instaan voor 2.250 leerlingen in ‘Area C’, een bevel tot stopzetting van verbeteringswerken of een bevel tot afbraak boven het hoofd.

Schrijnend tekort aan leerkrachten voor de ene

De beperkte assistentie van de PNA geeft onvoldoende stimulansen en dat draagt bij tot een tekort aan Palestijnse leerkrachten. Heel wat leerkrachten zijn vrijwilligers of stagiairs uit andere delen van de Jordaanvallei of uit de rest van de westelijke Jordaanoever.

Dat tekort aan onderwijzend personeel veroorzaakt een zeer hoog aantal leerlingen per leerkracht. Bovendien veroorzaken de blokkades en checkpoints dikwijls vertraging voor de leraars, met als gevolg dat de leerlingen een onregelmatig leerplan hebben door de frequente afwezigheid van leerkrachten. 

Overaanbod voor de andere

De situatie van Joodse kinderen in de Jordaanvallei is compleet verschillend van die van de Palestijnse kinderen in ‘Area C’, omdat de regering onderwijsfaciliteiten voorziet voor de kinderen van kolonisten. De Israëlische kolonisten krijgen zelfs meer steun dan de Israëliërs in Israël.

De lonen voor leerkrachten liggen in de scholen van de nederzettingen 12 tot 20 procent hoger dan in Israël.  Bovendien betaalt de regering 80 procent van hun huur en reiskosten en staat nog allerlei andere voordelen toe. Scholen van de kolonisten worden ook opgewaardeerd met bijkomende overheidsfondsen voor bijklassen, computers en subsidies voor de vervoerskosten van de leerlingen. Ook informele onderwijsinstellingen krijgen in de Jordaanvallei genereuze fondsen.

Het rapport van Ma’an benadrukt ook discriminatie op gebied van gezondheidszorg, bewegingsvrijheid, toegang tot landbouwgronden en recreatieruimtes voor de kinderen.  De talrijke feiten die in het rapport worden opgenoemd, vertonen een samenhangend patroon van overvloedige voorziening van voordelen voor de kolonisten, in scherp contrast met de talrijke beperkingen voor de Palestijnen en de ontzegging van hun rechten.

Israël stimuleert de transfer van Joodse burgers naar de bezette Jordaanvallei door het subsidiëren van hun luxueuze levensstijl, terwijl Palestijnen onder de barre omstandigheden van systematisch racisme leven.

Adri Nieuwhof

© Electronic Intifada

Noot: het volledige rapport (in het Engels) kan je downloaden door te klikken op ‘new report’ in de eerste alinea van de originele tekst; zie weblink hieronder.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!