Adam Hochschild. Verzet en eendracht. De Grote Oorlog, 1914-1918 © Meulenhoff
Nieuws, Wereld, Europa, Cultuur, Geschiedenis, Recensie, Mediakritiek, Eerste Wereldoorlog, Boekrecensie, Adam Hochschild - Lode Vanoost

‘Verzet en eendracht. De Grote Oorlog, 1914-1918’: een aanrader

‘Verzet en eendracht’ is de vertaling van ‘To End All Wars’ van Adam Hochschild. In dit boek geeft hij eerherstel aan de vredesactivisten die tegen de waanzin van de Grote Oorlog protesteerden en klaagt hij de medeplichtigheid van de massamedia aan. Hochschild is ook auteur van ‘De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo’. Aanbevolen lectuur.

maandag 27 februari 2012 22:02

Hochschild is de auteur van ‘De Geest van Koning Leopold II en de Plundering van de Congo’, waarin hij een verpletterend relaas geeft van de economische uitbuiting van de Vrijstaat Congo (de periode toen Leopold II nog ‘persoonlijk’ eigenaar was van Congo, voor het een kolonie van de Belgische staat werd – eveneens warm aanbevolen).

De Grote Oorlog

Voor zijn recentste boek keert hij terug naar een ander gruwelverhaal. De Grote Oorlog – zoals de ‘Eerste Wereldoorlog’ aanvankelijk werd genoemd – was tegelijk de laatste oorlog van de middeleeuwse adel en de cavalerie en de eerste oorlog van de industriële revolutie.

Hochschild schrijft meticuleus nagepluisde verhalen over deze Grote Oorlog. Hij schrijft heel vlot en aangenaam. Hoewel zijn toon steeds beschrijvend is en hij nooit openlijk een standpunt inneemt, is zijn verontwaardiging over zoveel onzinnig lijden steeds voelbaar. Zijn grootste misprijzen gaat naar de leiders  – aan beide zijden van het conflict. Hochschild heeft het echter vooral over Groot-Brittannië. Hij geeft ook grif toe dat hij zich vooral op Engelstalige bronnen heeft gebaseerd. Fransen en Belgen (!) komen minder aan bod.

Feodale/koloniale verblinding

De feodale/koloniale elite van Europa bleek zo verblind door eigenwaan dat zij na drie jaar stilstaande loopgravenoorlog nog steeds bleef zweren bij de cavalerie – de edele mannen te paard en te zwaard – als het ultieme wapen. Het machinegeweer bestond weliswaar al, maar was tot dan toe enkel ingezet tegen opstandige volkeren in de kolonies, die werden uitgemoord door dit verschrikkelijke wapen.

Tot voor 1914 was het Britse leger immers vooral een instrument voor de controle van het Britse imperium (nog geen taboewoord in die tijd, integendeel). Die mindere volkeren werden met het machinegeweer netjes op hun plaats gezet in de natuurlijke orde der dingen. Mannen van standing zouden zoiets uiteraard nooit tegen elkaar inzetten, vonden zij.

Drie jaar en honderdduizenden doden – soms met duizenden op één dag, op één slagveld, weggemaaid door één strategisch opgesteld machinegeweer – duurde het voor de militaire leiding tot de vaststelling kwam dat er andere methodes moesten worden gebruikt en dat de edele cavalerie had afgedaan (ze vond later wel een herboren taak op een ander slagveld, dat van stakende betogers).

Foie gras en verse vis

De hogere officieren hadden nauwelijks een idee van wat er gaande was. Opperbevelhebber Haig “ging elke namiddag twee uur paardrijden, vergezeld van enkele adjudanten en onder begeleiding van lansiers met wapperende ruitervaantjes. … Haig en zijn staf deden zichzelf niets te kort, dankzij de gestage aanvoer naar Montreuil van foie gras, verse vis en lamsgebraad, afkomstig van zijn vriend Leopold de Rothschild” (p.211) Bovendien hadden alle hogere officieren een eigen paard en een stalknecht ter beschikking – die niet voor de strijd werden ingezet (p. 266).

Er was nog een element dat de elites tot inzicht bracht. Ongeveer 12 procent van alle Britse ingezette soldaten overleefden de oorlog niet, een historisch hoog cijfer. “Maar voor de adel en de zonen van de adel in uniform was dat 19 procent” (p. 12). Zo waren bijvoorbeeld Oostenrijkse officieren in hun knalrode uniformen en dito hoeden ideale doelwitten voor sluipschutters.

“Opperbevelhebber Haig kon gemakkelijk hoge aantallen slachtoffers verlangen omdat hij er wel voor zorgde dat hij ze zelf nooit te zien kreeg. Hij ‘meende dat het zijn plicht was om geen bezoeken af te leggen aan de posten waar de slachtoffers werden afgevoerd’, schreef zijn zoon, ‘want hij werd letterlijk ziek van dit soort bezoeken” (p. 240)

De eerste oorlog die in de massamedia werd gestreden

Dit boek is géén verhaal van veldslagen en strategen, maar van de soldaten en hun gezinnen, van de media ook en hoe die de bevolking opstookte en elke vorm van kritische dissidentie vernietigde. Dissidentie was er nochtans genoeg. Dit is ook een boek over de politieke partijen van die periode en hoe zij (meestal) meestapten in deze waanzin.

De pers – toen betekende dat haast uitsluitend de kranten; stomme films werden pas later tijdens de oorlog als propagandamiddel ingezet – had zich al jaren bekwaamd in het opstoken van de bevolking voor de koloniale oorlogen. Een paar jaar soldaat worden voor het Britse Rijk was toch iets om fier op te zijn. Elke familie wilde er wel een paar leveren, nietwaar. Ook schrijvers als Rudyard Kipling (Jungleboek) en Conan Doyle (Sherlock Holmes) deden hun duit in het zakje met romans waarin de Britse held het steevast opnam voor de zwakke eega tegen de stereotiepe valsaard met fictieve Duitse (naar Brits gevoel toch) naam.

Meestrijden als onderdeel van die andere strijd, de sociale

Samen met de kranten schaarden de arbeiderspartijen zich haast unaniem achter de nieuwe oorlog. Die zou eervol, relatief risicoloos en vooral zéér snel afgelopen zijn. Om de gewone Brit nog warmer te maken werd geen cliché gespaard. De wreedaardige Duitser die onze baby’s kwam kelen zou een krachtig halt worden toegeroepen.

Toen de verslagen van de loopgraven een ander verhaal begonnen te vertellen, bleven de kranten halsstarrig doorgaan met hun positief verhaal. Niets dan glorieuze heldendaden, ‘de volgende veldslag zal ons de finale overwinning brengen’.

Ook de arbeiderspartijen deden hun duit in het zakje. Zij hoopten uit de deelname aan de oorlog de vervulling van hun sociale eisen te halen.  Er liep immers op dat gebied nog heel wat mis in Groot-Brittannië.

Dissidentie van de eerste vredesactivisten

Toch waren er ook velen die niet overtuigd waren. Heel wat Britten weigerden op te roepen voor een oorlog tegen hun Duitse medemensen. Zij werden door de pers gedemoniseerd en het leven zuur gemaakt. Een aantal principiële dienstweigeraars betaalden hun houding ook met de dood door executie.

Hochschild wijdt veel tijd aan dit aspect van de Grote Oorlog dat nog al te weinig bekend is (en in recente Hollywood-films totaal wordt verzwegen). Meer dan 20.000 Britten weigerden naar het front te vertrekken. Zij werden gedwongen als verpleger of kok te werken achter het front. Ongeveer 6000 onder hen weigerden zelfs dat. Nooit voorheen hadden zoveel Britten vastgezeten voor politieke redenen.

Hij herstelt ook heel wat vredesactivisten in ere die al te lang doodgezwegen worden, zoals volksvertegenwoordiger Keir Hardie, strijders voor vrouwenrechten zoals Charlotte Despard en Sylvia Pankhurst en de onderzoeksjournalist Edmund Morel.

De selectieve manier waarop de kranten met Morel omgingen, toont veel gelijkenis met wat ook vandaag in de massamedia schering en inslag is. Zolang Morel artikels schreef over het schrikbewind van Leopold II kreeg hij alle ruimte. Zijn protest tegen de Grote Oorlog werd daarentegen in de kiem gesmoord.

De enige naam die vandaag in progressieve middens nog klinkt, is die van dissident Bertrand Russell. Met hem wist de Britse overheid minder goed raad, hij was immers een wereldberoemd academicus.

De pioniers van embedded journalism

Opperbevelhebber Haig wist dan wel niet veel over de moderne maatschappij, het belang van de nieuwe media had hij wel begrepen: “De militaire geschiedenis staat bol van de gevallen waarbij van militaire principes moest worden afgeweken onder druk van een slecht geïnformeerde publieke opinie. De pers is het beste middel dat we ter beschikking hebben om dat gevaar in deze oorlog af te wenden” (p. 254).

Journalist John Buchan, correspondent voor The Times en The Daily News verwoordde het zo: “Zonder de kranten had de oorlog wat Groot-Brittannië betreft nog geen maand geduurd”. De man was tegelijk ook officier bij de militaire inlichtingen. Hij was ondermeer verantwoordelijk voor het organiseren van ‘begeleide bezoeken’ aan het front ‘met verblijf in een nabijgelegen chateau’ (p. 322)

Verrekijkers

In het boek lezen we ook een hallucinant verhaal over verrekijkers. De geallieerden hadden er een groot tekort aan om het kilometerslange stilstaande loopgravenfront te overzien. Wie wil weten hoe zij dat oplosten, vindt het antwoord in het boek. (Hint: het Duiste merk Zeiss is nog altijd marktleider voor de fabricage van verrekijkers).

Uiteindelijk werd de oorlog verloren door de partij die meer uitgeput was dan de andere. Na de oorlog werden grote beloftes gedaan, het idee van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren ontstond toen. De Volkerenbond werd opgericht, als voorloper van de Verenigde Naties. Afrikanen en andere ondergeschikten hoorden daar uiteraard niet bij.

Dit is aanbevolen literatuur voor iedereen die de geschiedenis van Europa beter wil begrijpen. Wie het boek van Hochschild leest, leert ook kritisch te zijn over wat de media vertellen. Dit boek helpt je de hedendaagse oorlogsstokerij te doorgronden. Aanbevolen literatuur.

take down
the paywall
steun ons nu!