Economie -

Duurzame economie of… duurzame catastrofe

vrijdag 17 februari 2012 12:37

Sinds enkele jaren beheersen de termen duurzame ontwikkeling, verduurzaming van de economie, duurzaam ondernemen en duurzame groei het economisch debat. Maar leidt het ons ook ergens naar?

In 1972 verscheen een boekje dat insloeg als een bom. Het werd inmiddels al  in 37 talen vertaald en er werden 12 miljoen exemplaren van verkocht.  In ‘De grenzen aan de groei’ werd er een wiskundig verband gelegd tussen de economische groei enerzijds en de gevolgen ervan voor onze aarde anderzijds. De samenstellers (die zich de Club van Rome noemden omdat ze in die stad plachten te vergaderen) toonden met behulp van computermodellen aan dat de niet-hernieuwbare grondstoffen (bvb. olie) snel opgebruikt zouden geraken als we de economie haar gangetje lieten gaan.

Achteraf bleek er nogal wat aan te merken op de voorspellingen, want de computers stonden toen nog in hun kinderschoenen. Maar het boekje had desondanks overtuigend aangetoond dat er wel degelijk een immens groot probleem op ons afkwam.
Het Rapport van de Club van Rome heeft er dan ook voor gezorgd dat de zorg voor het milieu wereldwijd op de agenda kwam te staan. Niet lang daarna ging men daardoor inzien dat ook hernieuwbare voorraden (zoals zeevis) het evenmin lang zouden uitzingen als we de ondernemers lieten betijen.

U zult mij, de uitgever van Het Vrije Visserijblad, verontschuldigen dat ik verder in dit stuk veel verwijs naar de visserij. Het mag een eigenaardige keuze lijken, maar het is een sector die ik goed ken.

Van grote vissen die kleintjes opeten

Onze economie steunt, zoals bekend, bijna volledig op de productie van goederen die verkocht worden (waren, handelswaar, koopwaar).  Dat is niet altijd zo geweest en dat zal evenmin altijd zo blijven, maar het is wel al lang het geval en het ziet er evenmin naar uit dat het vlug zal veranderen.

Al wat in de economie geproduceerd wordt komt daardoor op de markt terecht. Dat geldt evengoed voor aandelen die op de beurs verhandeld worden, als voor auto’s, kleren, olie, brood, boeken, schilderijen, vis die op de visveiling afgezet wordt… en voor mensen, want ook zij komen op de markt terecht, met name op de arbeidsmarkt. De waarde van al dat aanbod wordt uitgedrukt in geld.

Het is de markt die bepaalt hoeveel de ondernemer ontvangt voor de producten die zijn arbeiders produceren en het is dus ook de markt die bepaalt hoeveel de reder ontvangt voor de koopwaar die door de vissers gevangen werd. Hoeveel de werknemers achteraf ontvangen voor de arbeid die ze ten voordele van de ondernemer gepresteerd hebben, hangt evenzeer af van de markt.

Op de markt tekent er uiteraard meer dan één ondernemer present en het is op die markt dat al die ondernemers met elkaar concurreren. Die concurrentie schift het markteconomische kaf van het koren. Wie meer geld binnenrijft dan zijn concurrent en deze meerwaarde in kapitaal omzet (bijvoorbeeld in een machine die efficiënter is en dus tegelijk meer produceert èn minder energie verbruikt) zal zijn onderneming zien groeien.  Wie daarentegen minder geld verwerft, kan zijn onderneming niet moderniseren en verliest terrein, waardoor hij uiteindelijk uit de markt weggeconcurreerd wordt.

De concurrentie van allen tegen allen en het streven naar winst zijn de hoekstenen van onze economie. Iedereen probeert een grotere omzet te halen met minder kosten, een beter rendement te realiseren, de meerwaarde te vergroten om meer kapitaal te verwerven en alzo boven de concurrentie uit te steken. Het is zoals mijn vader het met zijn simpel boerenverstand destijds al formuleerde: ‘Wie niet vooruit gaat, gaat achteruit.’

Een straatje zonder einde is een impasse

Voor de kapitaalbezitter is ‘vooruit gaan’ een blijvende bekommernis, want hij moet ten eeuwigen dage concurreren om zich op de markt te handhaven.  Maar de Club van Rome leert ons dat er wel degelijk grenzen aan de groei zijn. Je kunt niet almaar meer produceren om je concurrenten de loef af te steken, omdat de grondstoffen te schaars worden.  Er wordt bijgevolg een grote tegenstrijdigheid zichtbaar: enerzijds moet je blijven groeien om je te handhaven, anderzijds belet de eindigheid van de aarde je om dat te doen.

Het bedrijfsleven heeft verschillende strategieën ingezet om dat dilemma te overstijgen. Maar die strategieën kennen op hun beurt hun beperkingen. Je kunt je productiviteit verhogen door dezelfde massa waren te maken met minder arbeidskrachten (want wat je het personeel niet meer betaalt kun je toevoegen aan je eigen kapitaal), maar dat kent grenzen, want je blijft uiteindelijk toch wel personeel nodig hebben; wie zou anders die meerwaarde produceren? Er zijn nog veel andere manieren om personeelskosten te verminderen: door je arbeiders minder te gaan betalen; door de sociale wetgeving te ontwijken; door werkloosheid te creëren wat maakt dat de marktwaarde van de werknemers daalt; door goedkoper volk in te schakelen (da’s de rol van de immigranten); door een loskoppeling van de lonen van de index te eisen, door zwartwerk… Het is een strategie die beperkt wordt, o.a. doordat er vakbonden bestaan die erop toezien dat ook daar grenzen aan gesteld worden.

Je kunt het probleem van de beperkte natuur ook aanpakken door het te verplaatsen. Zo gaat de EU volop buiten de Europese wateren op vis jagen. In 2006 had de EU al 716 vissersvaartuigen die buiten de Europese wateren actief waren. Ze brengen tussen de 1,06 en 1,2 miljoen ton vis naar Europa. Vergelijk: de Vlaamse vissers zetten minder dan 20.000 ton vis af op de markt.

Die laatste cijfers maken duidelijk dat de vismarkt in België niet alleen door plaatselijke ondernemers bezet wordt. Ze wordt zelfs hoe langer hoe minder door de Europese ondernemers bezet. Er zijn concurrenten aanwezig uit Afrika, Amerika, Azië, Australië. Dat fenomeen waarbij het kapitaal het probleem over heel de wereld laat uitwaaieren heet globalisering. De globalisering is inderdaad een extreme poging om de tegenstelling op te lossen tussen een eindige natuur en de behoefte van kapitaal om almaar te groeien. Maar het is tegelijk ook duidelijk dat die globalisering evengoed grenzen kent, namelijk deze van onze globe ofte aarde.

Dan is er ook nog de strategie van de ‘duurzame ontwikkeling’. De term werd in 1987 voor het eerst gedefinieerd en had, net als de andere strategieën die we hierboven beschreven, de bedoeling om de impasse van een almaar groeiende kapitalistische economie in een eindige natuur te overstijgen. Het kapitaal kan volgens deze nieuwe definitie wel blijven groeien, maar alleen in die mate dat natuurlijke processen en structuren (bvb de visstand) er niet door aangetast worden. Aan visgronden mag niet méér vis onttrokken worden dan er door natuurlijke aanwas weer bijkomt. Zodoende kan men niet alleen garanderen dat er in de toekomst nog gevist zal worden, maar men kan met deze strategie bovendien naar een evenwicht streven tussen ecologische, sociale en economische belangen.

Dit alles zou mogelijk zijn… gesteld dat we in een ideale wereld leven. Maar een ideale wereld is dit natuurlijk geenszins. Omdat onze economie op concurrentie en privéwinst steunt, worden sociale en ecologische eisen altijd aan dat winststreven ondergeschikt gemaakt. Sociale en ecologische bekommernissen zijn goed, zolang ze het maken van winst niet belemmeren.  De Duitse theatermarker Bertold Brecht wist het destijds heel bloemrijk te formuleren: Erst kommt das Fressen und dann kommt die Moral.

Laat ons dat aantonen met een klein voorbeeldje, weeral geplukt uit de vissector. Op 30 augustus 2011 werd er op initiatief van de Rederscentrale een overeenkomst (convenant genoemd) ondertekend die de ‘verduurzaming’ van de sector beklemtoonde. Overheid, ambtenarij, sector, aan de visserij gelieerde wetenschappers en ook de milieubeweging (in de variante van Natuurpunt) ondertekenden een afspraak. Die steunt op drie pijlers: rendabiliteit, milieuzorg en een sociaal luik.De drie pijlers heten even belangrijk te zijn, maar een ervan is toch een beetje belangrijker dan de andere: ‘Inzetten op duurzaamheid betekent in de eerste plaats een gezonde economische activiteit die investeringen t.a.v. de andere pijlers mogelijk maakt. (…)’.  

Op het eerste gezicht lijkt dit de logica zelve te zijn, maar wie de sector kent, weet dat er van ‘inzetten op duurzaamheid’ niet veel in huis zal komen als dat ‘in de eerste plaats’ afhankelijk gemaakt wordt van een ‘gezonde economische activiteit’. Want over de Vlaamse visserij kan veel gezegd worden, maar niet dat het een ‘gezonde economische activiteit’ is. Dat hebben de liquidaties (met riante slooppremies), faillissementen, het voortdurende afnemende aantal reders, schepen en vissers ten overvloede aangetoond. Waarom zou al dat volk wegvluchten uit een sector die een ‘gezonde economische activiteit’ ontplooit?  De enige duurzaamheid die we tot hiertoe met zekerheid in de Vlaamse visserijvloot gezien hebben is deze van mensen en schepen die op duurzame wijze uit de vismarkt weggeconcurreerd werden.

Maar misschien heeft de Rederscentrale een hoopvol toekomstperspectief dat wij niet kennen. Misschien ziet de sectortop licht aan het einde van de tunnel. Misschien hoopt men dat de vijftig resterende Vlaamse reders die de ratrace overleven in dat nakende licht eindelijk een ‘gezonde economische activiteit’ zullen ontplooien.

De werkelijkheid toont echter dat dit weinig waarschijnlijk is. De Vlaamse visserijsector is gedurende de voorbije jaren onder druk van de concurrentiestrijd dermate gemarginaliseerd dat hij op de vismarkt nauwelijks nog een rol speelt.  Zijn invloed is daar quasi nihil geworden, hij verkeert in bijzonder slechte concurrentieverhoudingen. Het zijn vooral andere visproducenten die intussen met de meerwaarde gaan lopen, waardoor de negatieve spiraal waarin de sector al lang geleden terechtgekomen is nog toeneemt.  Het licht dat de Rederscentrale op het einde van de tunnel meent te ontwaren, is dan ook afkomstig van een exotische vistrein die in sneltempo door die tunnel raast.

De cijfers tonen dat duidelijk aan. Hoe meer vis de Belgen (en bij uitbreiding de Europeanen) eten, hoe minder er door de eigen sector geleverd wordt. De bevolking neemt toe, waardoor het aantal consumenten uiteraard stijgt.  Die consumenten eten daarenboven meer vis. Terwijl de EU-visvoorraden verminderden, ging het met de visconsumptie de andere kant uit.  In 2006 produceerden we in Europa zo’n 5,4 miljoen ton visproducten.  Dat is maar een beetje meer dan de helft van wat de visconsumenten in dat jaar verbruikten: 9,3 miljoen ton.

In 2007 importeerde de EU voor 23 miljard US Dollar aan visproducten uit derde landen. Dat was alweer 11% meer dan in 2006.  Wanneer economen vervolgens naar de werkelijke consumptie kijken (waarvoor ze de eigen productie en de import samentellen, en daarvan vervolgens de export aftrekken) dan zien ze dat de import al 59% van de totale visconsumptie in Europa uitmaakt. Een toenemende afhankelijkheid is dat, want terwijl de invoer in 2007 toenam, zakte de eigen productie in datzelfde jaar nog eens met 3%.  Met andere woorden: het gaat van kwaad naar erger.

De ineenstorting van de eigen visaanvoer gaat inderdaad gepaard met een almaar toenemende toevloed aan viswaren uit exotische landen, waardoor de marktprijs al lang niet meer op de vloer van de vismijn bepaald wordt, maar in voor ons onzichtbare kantoren van firma’s die zich in belastingparadijzen en lagelonenlanden genesteld hebben, van waaruit ze met een muisknop de vismarkt dicteren en de verhoopte ‘gezonde economische activiteit’  van de Vlaamse reders naar believen onderuit halen.

Zo ziet het er dus uit in de echte wereld. Je moet al bijzonder wereldvreemd zijn om te geloven dat die situatie ons in de richting van een duurzame visserij gidst, welk ecolabel de koopwaar in de viswinkel ook moge dragen.  Het trieste verhaal dat in de film Darwin’s complaint over de victoriabaars verteld wordt, spreekt boekdelen. De zware ecologische kost van de aquacultuur doet dat al evenzeer: pollutie, genetische manipulatie, antibiotica.

Gekweekte vis wordt trouwens gevoed met zeevis. Sommige soorten eten op de boerderij méér in ’t wild gevangen vis dan ze er zelf voortbrengen.  Dat geldt bijvoorbeeld voor zalm, heilbot, tong, kabeljauw, heek, schelvis, roodbaars, zeebaars, conger, tilapia… Dat visvoer mag dan wel door commercieel minder belangrijke soorten geleverd worden, het draagt evengoed bij tot de uitputting van de zee.  Want de wilde carnivoren zien daardoor hun prooien verdwijnen richting visvoerproducenten die ze vermalen om aan de aquacultuur te slijten. 

De aquacultuur is dus verantwoordelijk voor een verdere vermindering van de visstocks op zee. De ecologische voetafdruk van het vliegtuigverkeer dat die exotische vis tot in onze winkels brengt is dan ook nog eens fenomenaal groot, de onderbetaling van werknemers in die lagelonenlanden is alom bekend… Vandaar onze stelling: wat we vandaag op de vismarkt meemaken heeft niets met duurzaamheid te maken, maar alles met een economie die de sociale en ecologische kost die ze veroorzaakt door de bevolking laat betalen.

Wat te doen?

Wat valt eraan te doen? Heel veel, maar dan moeten we de gangbare ideeën van ons afgooien. We weten dat de visconsumptie nog zal toenemen, daarover bestaan geloofwaardige voorspellingen. Gemiddeld gebruikt men per hoofd in de EU 25,6 kg vis per jaar (cijfers uit 2005, beperkt tot de 15 eerste lidstaten). De FAO (Wereld Voedselorganisatie) voorspelt dat de toename tussen 1989 en 2030 17% bedraagt. In het huidige Europa (27 lidstaten) zou dat in dezelfde periode 9% zijn. 
Willen we een gezonde economische activiteit, dan moeten we er vóór alles voor zorgen dat onze wateren weer productief worden zoals ze dat weleer waren.

Een echt ‘gezonde economische activiteit’ zal er voor onze vloot slechts komen als die gebeurt door een visserij die onze zeeën weer gezond maakt. De nieuwe generatie vissers moet in de eerste plaats komaf maken met alle ‘oude vormen en gedachten’, ze moeten de voorvechters worden van een gezonde economie. We mogen daar niet in marchanderen, want een echt ‘gezonde economische activiteit’ kan niet slagen in een maatschappij die op concurrentie gebaseerd is. Concurrenten zijn immers verplicht zich te concentreren op kortetermijnwinsten of ze gaan eruit. Dus ja, we hebben een andere soort economie nodig.

Nieuw is deze idee natuurlijk niet. Er waren in de XIXde eeuw al denkers die dat inzagen. Friedrich Engels was bijvoorbeeld zo iemand. Kijk eens wat die mens in 1883 al schreef: ‘Wij zijn hoe langer hoe meer in staat de verre natuurlijke gevolgen te kennen van onze daden, toch ten minste van de meest courante productieactiviteiten, zodat we nadien ook kunnen leren ze te beheersen. (…) Maar om deze reglementering tot een goed einde te brengen, hebben we meer nodig dan enkel kennis, we hebben een volledige omwenteling nodig van onze voorbijgestreefde productiewijze en tegelijk daarmee van heel ons huidig sociaal regime.

Alle vroegere productiewijzen beoogden slechts zo snel mogelijk een nuttig effect, een onmiddellijk resultaat van het werk. Men negeerde volledig de verre gevolgen, die pas later opdoken, die pas meespeelden door de voortdurende herhaling en geleidelijke opstapeling. (…)

Het is de kapitalistische productiewijze die daarin het verst gaat. De individuele kapitalisten die de productie en de handel beheersen bekommeren zich alleen om het meest onmiddellijke nuttig effect van hun acties. En zelfs dit nuttig effect, in de zin van het gebruik van het geproduceerde of verhandelde product, verdwijnt volledig op de achtergrond: de winst te verwezenlijken door de verkoop wordt de enige drijfkracht.’ (*)

Flor Vandekerckhove
[Het artikel verscheen eerder in HVB (zie www.visserijblad.be) van 7 januari. Het werd hierboven enigszins aangepast.]
(*) F. Engels, Dialectique de la nature.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!