Ook zelfstandige journalisten hebben recht op aanvullend pensioen

Ook zelfstandige journalisten hebben recht op aanvullend pensioen

zaterdag 11 februari 2012 13:31

Ook zelfstandige journalisten hebben recht op aanvullend pensioen!

Het KB van 21 juli 1972 voerde een wettelijk aanvullend journalistenpensioen in. De wetgever verplichtte met dit KB werkgevers van mediabedrijven om aan de RSZ 3 procent sociale bijdrage (waarvan 1 procent ten laste van de journalist) extra te betalen voor erkende loontrekkende beroepsjournalisten. In ruil krijgen de betrokkenen na een volledige beroepsloopbaan bovenop hun wettelijk pensioen nog eens 1/3e pensioen erbij. Het systeem heeft overigens niets van zien met een privaat pensioenspaarplan, maar is wel degelijk een wettelijk pensioen. Dit bestond tussen haakjes tot voor kort ook voor piloten.

Nieuw feit. In het kader van de pensioenhervorming heeft de federale regering op 31 december 2011 beslist om dit aanvullend pensioen van beroepsjournalisten opgeheven. Dit gebeurde in uitvoering van bepalingen uit het regeerakkoord “dat de bijzondere stelsels van de privésector op het algemeen stelsel zullen worden afgestemd”. Tegelijk besliste de regering echter onder druk van de journalistenbond AVBB “op korte termijn te willen vorm geven aan een alternatief systeem van aanvullende pensioenen voor de beroepsjournalisten, een systeem dat duurzamer is dan het huidige en financieel robuust genoeg is om de aanvullende pensioenen te blijven uitbetalen zonder beroep te doen op subsidiëring van het stelsel vanuit het algemeen beheer en sociale zekerheid”.

Wat is het probleem? Het systeem gold tot dusver enkel voor loontrekkende journalisten, hetgeen niet te verwonderen is want in 1972 waren er slechts een handvol freelancers actief. Momenteel is echter meer dan 1 op 3 van de erkende beroepsjournalisten een zelfstandige. Het is een vorm van discriminatie dat de directies van mediabedrijven financieel enkel bijdragen tot een aanvullend pensioen van loontrekkenden en niet tot dat van voltijds werkende erkende zelfstandige journalisten. Naar aanleiding van het feit dat de federale regering beslist heeft aan een nieuw systeem te willen werken moet er alles aan gedaan worden opdat in de toekomst ook zelfstandige journalisten recht krijgen op dit aanvullend journalistenpensioen. Er is geen reden te bedenken waarom enkel loontrekkende journalisten recht zou hebben op deze extra bijdrage van de werkgevers. Gezien de bijzonder lage zelfstandigenpensioenen zou een dergelijk aanvullend systeem integendeel in de eerste plaats aan hen ten goede moeten komen.

De regering streeft dus naar “een systeem dat duurzamer is dan het huidige en financieel robuust genoeg is om de aanvullende pensioenen te blijven uitbetalen zonder beroep te doen op subsidiëring van het stelsel vanuit het algemeen beheer en sociale zekerheid”. Er zijn drie wijzen waarop dit systeem ook voor zelfstandige journalisten zou kunnen worden ingevoerd

1) Een eerste mogelijkheid is dat mediabedrijven op elke factuur aan een zelfstandige 3 procent inhouden waarvan 2 procent ten laste van mediabedrijven en dit doorstorten aan de RSVZ (rijksdienst voor de sociale verzekeringen van zelfstandigen). Met dit bedrag zou het RSVZ later aan alle betrokkenen een aanvullend pensioen uitkeren. Naar analogie met loontrekkenden, wiens aanvullend pensioen berekend wordt a rato van het aantal jaren werk, zou ook aan zelfstandigen de berekening kunnen gebeuren op basis van het aantal jaren dat ze erkend waren als beroepsjournalist..

2) Een tweede mogelijkheid is dat er gezocht wordt naar een mogelijkheid in de tweede pensioenpijler (cfr. de wet op de aanvullende pensioenen). In dat geval dient echter een sectoraal pensioenfonds te worden opgericht. De VVJ is daar momenteel niet happig voor omdat dit een sectoraal akkoord veronderstelt terwijl er in deze sector diverse paritaire comités bestaan (print, commerciële omroepen, regionale omroepen…) en de contacten met de bedrijven zo al zo moeizaam verlopen.

3) Een derde mogelijkheid is een individueel pensioenspaarregeling voor zelfstandige journalisten. Voor freelancers wordt een pensioenfonds opgericht en alle ingehouden bedragen op de facturen worden aan dat fonds gestort. Deze bedragen komen terecht op de individuele rekening van de betrokkene zelfstandige die met de gespaarde gelden later een aanvullend pensioen uitbetaald krijgt (of zoals met het pensioensparen het bedrag in één keer kan uitbetaald krijgen). Geen repartitie noch zijn deficiten mogelijk,…

Er is veel te zeggen voor het eerste systeem. Prof. Roger Blanpain (KU Leuven), die ik hierover contacteerde, zegt het volgende. “Ik zou een systeem nemen dat zo nauw als mogelijk aansluit bij dat van de loontrekkenden. Mede op basis van het beginsel van gelijke behandeling. Van Quickenborne lijkt dit idee trouwens genegen”, aldus Blanpain. De overheid zou werkgevers dienen te verplichten op elke factuur 3 procent af te houden – 2 procent op kosten van de werkgever, 1 procent die door de journalist wordt gedragen- en dit door te storten aan de RSVZ. De bestaande facturen moeten dan wel met 2 procent verhoogd worden want anders is het de journalist die alles betaald. De uitbetaling van het pensioen later zou kunnen berekend worden op basis van het aantal jaren dat de journalist erkend was als beroepsjournalist. Het pensioenpotje van loontrekkenden wordt dus gescheiden van dat van zelfstandigen. Vraag is wat het “in een duurzaam systeem” aan zelfstandigenpensioenen kan opleveren. Prof. Yves Stevens (KU Leuven) wijst er overigens op dat de RSVZ ook vergoed moet worden voor het administratieve beheer. Vraag is ook of bedrijven en de freelancers de stortingen fiscaal zullen kunnen aftrekken.

Prof. Stevens raadt het tweede systeem af. Net zoals dat voor de loontrekkenden het geval is moet ook voor zelfstandigen een aanvullend pensioenfonds sectoraal onderhandeld worden door werkgevers en werknemers. Dit is niet alleen moeilijk wegens de verscheidenheid aan paritaire comités, “maar ook omdat de zelfstandigen hierin moeten worden gevat”. “Dit is zeer moeilijk technisch te organiseren omdat zelfstandigen kunnen weigeren aan te sluiten. Vergt een zware wetswijziging aan de wet van 1968”, aldus Stevens.

Het derde systeem heeft alhoewel weinig sociaal iets zeer aantrekkelijk door zijn eenvoud. Hiervoor zou volgens Stevens een soort “interondernemingsgroepsverzekering” of “Multi-ondernemingspensioenfonds” kunnen opgericht worden. “Vraag is wie het gaat beheren?”, aldus Stevens. Kan dit niet best uitbesteed worden aan een sociaal secretariaat zoals Acerta dat de portefeuille beheert onder controle van een beheerscomité van werkgevers en journalistenverenigingen? Ook hier storten werkgevers de 3 procent heffing op alle facturen door aan dit fonds, maar het komt op een eigen spaarrekening terecht van de betrokken journalist die op basis van het gespaarde som na afloop van zijn carrière een bedrag of een maandelijkse uitkering uitbetaald krijgt. Opnieuw stelt zich hier de belangrijke vraag naar de fiscale behandeling van de stortingen. Ook hier zou van de overheid moeten bedongen worden dat de stortingen fiscaal kunnen worden in rekening gebracht.

Ik doe een oproep naar specialisten om ons in deze kwestie te adviseren. Tot nader order lijkt de eerste piste meest aangewezen. Ik heb goede hoop dat ook Van Quickenborne een einde zal willen maken aan deze discriminatie van zelfstandigen. Vraag is of hij (en wij) de uitgevers ervan zullen kunnen overtuigen om ook aan zelfstandige journalisten stortingen te doen.
Luc Vanheerentals  
(luc.vanheerentals@telenet.be)
Freelance journalist
Lid van de raad van bestuur van de VVJ (Vlaamse Vereniging van Beroepsjournalisten)
Lid van de sectorraad media
Lid van de beroepscommissie voor erkenning van journalisten
Redactielid van De Journalist
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!