Serge Letchimy
Nieuws, Europa, Politiek, Cultuur, Geschiedenis, Frankrijk, Kolonialisme, Joris Note, Column, Serge Letchimy, Martinique, Aimé Césaire, Frantz Fanon, Fort-de-France, Discours sur le colonialisme -

Tegen de duisternis

Graag uw aandacht, er heeft weer een smerige aanslag op onze geciviliseerdheid plaatsgevonden. De Franse minister van Binnenlandse Zaken, Guéant, die herhaaldelijk beweerd had dat niet alle beschavingen gelijkwaardig zijn, werd dinsdag in de Assemblée hardhandig aangepakt door het Martinikaanse parlementslid Serge Letchimy, die hem verweet dat hij lonkte naar kiezers van het Front National.

donderdag 9 februari 2012 15:30

Maar alleen de volgende zinnen zorgden ervoor dat Letchimy een heuse rel veroorzaakte:

…u, meneer Guéant, u verkiest de duisternis [l’ombre]! U voert ons dag na dag terug naar de Europese ideologieën die de concentratiekampen voortbrachten, als eindpunt van een lange reeks van slavernij en kolonialisme. […] het naziregime, dat zo uit was op zuivering en zo vijandig stond tegenover verschillen, was dat een beschaving? De barbarij van slavernij en kolonisatie, was dat een beschavingsmissie?

Er brak groot kabaal uit, regering en meerderheid verlieten de zaal, de zitting werd geschorst. Wat een schande, Letchimy had zijn tegenstander en het politieke debat door het slijk gehaald, had de Shoah misbruikt, enzovoort. Volgens de regeringspartij diende de PS zich te verontschuldigen en de delinquent te veroordelen, enzovoort. PS-bonzen draaiden rond de pot: ze vonden die uitspraken ook niet fraai, te emotioneel, maar de minister had ze uitgelokt, enzovoort. Letchimy betuigde geen spijt: als Martinikaan en nakomeling van slaven vond hij het nodig de alarmbel te luiden, hij bleef bij zijn woorden.

Erfgenaam

Op zich is dit geen heel bijzonder verhaal, zulke dingen gebeuren nu eenmaal in een verkiezingsperiode; en is de verwijzing naar het nazisme niet al te gemakkelijk, we kennen dat toch? ‘Fransen debatteren onbeschaafd over beschavingen’, titelde De Standaard (8 februari), nogal hautain. Laten we niettemin even stilstaan bij enkele aspecten en achtergronden van het incident.

Over de idiote stelling van Guéant wil ik alleen nog zeggen dat die vooral de islam-‘beschaving’ viseerde, hoewel hij de Franse moslims naderhand verzekerde dat het niet om hen ging. Letchimy reageerde overigens niet alleen op die woorden van de minister, maar ook op diens ‘chasses à l’immigré’.

Serge Letchimy (1953) was als urbanist actief in de Martinikaanse hoofdstad Fort-de-France, en daardoor bracht hij het lang geleden al tot literair personage: hij treedt op in de grote roman Texaco (1992, Prix Goncourt) van zijn landgenoot Patrick Chamoiseau. In 2001 volgde hij Aimé Césaire op aan het hoofd van zijn stad, en hij bleef burgemeester tot 2010; daarna werd hij voorzitter van de Conseil régional van Martinique (dat zowel een Frans departement als een Franse regio is), en sinds 2007 is hij tevens député in het Franse parlement; ook die twee mandaten werden ooit uitgeoefend door Césaire. Letchimy behoort niet echt tot de Franse PS, maar is ermee ‘geapparenteerd’; zijn eigen partij is de Parti progressiste martiniquais, die Césaire in 1958 stichtte.

Het is dus geen loze kreet wanneer de Franse pers Letchimy aanduidt als ‘erfgenaam van Aimé Césaire’; dadelijk zal ook blijken dat hij zich de voorbije dagen als zodanig wilde gedragen. (Of daarbij enig opportunisme voor Martinikaans gebruik meespeelt, weet ik niet.) Wat Césaire zelf (1913-2008) betreft: hij behoorde tot de ‘vaders’ van de négritude-beweging, was een van de voornaamste niet-blanke dichters van de vorige eeuw, had grote betekenis als politicus en nog meer als publiek intellectueel.

Duisternis

De dag vóór het incident in de Assemblée lieten Letchimy en een paar andere Martinikaanse politici aan Guéant, die als minister de l’Outre-mer een dezer dagen Martinique bezoekt, al weten dat ze hem niet graag zien komen. Letchimy motiveert dat in een open brief. Hij noemt daarin Césaire, Frantz Fanon en andere telgen en vrienden van Martinique: het zou beledigend voor hen zijn de minister welkom te heten, want zij bestreden allemaal ‘la pire des Frances‘,

het Frankrijk dat verovering en uitbuiting rechtvaardigde, en nog andere gewelddaden die hun littekens achterlieten in ons landschap. Nochtans heb ik nooit door een van deze mensen die misdrijven horen opsommen om te decreteren dat de Europese beschaving, of de Franse cultuur, inferieur zou zijn aan om ’t even welke andere. Ik heb hen nooit horen beweren dat de wijwaterkwast van het christendom (die zo veel onmenselijkheden heeft gezegend) primitiever zou zijn dan een of ander stukje liturgie van welke godsdienst ook. Altijd maakten deze mensen het onderscheid tussen dat Frankrijk van de duisternis [l’ombre] en het Frankrijk van het licht. […] Volgens uw logica zouden ze redenen bij de vleet gehad hebben om de westerse beschaving te veroordelen, en om menige Europese cultuur naar de laagste rang te verwijzen.

Letchimy verduidelijkt dan nog waarom alle beschavingen elkaar waard zijn (ze hebben allemaal hun licht en hun duister). Het woord ‘duister(nis)’, ombre, is in de brief duidelijk genoeg, en we vinden het terug in het eerdere citaat uit Letchimy’s parlementaire interventie. Maar ik vermoed dat er een extra betekenis meespeelt. In april 1941 (de oorlog woedde, Martinique zuchtte onder het fascistische Vichy-regime) verscheen in Fort-de-France het eerste nummer van het tijdschrift Tropiques, met een openingstekst waarin Césaire schreef: overal zien we nu de duisternis toenemen, maar ‘nous sommes de ceux qui disent non à l’ombre’: ‘wij behoren tot degenen die nee zeggen tegen de duisternis’. Die zin werd sindsdien ontelbare malen aangehaald, en het lijkt onmogelijk dat Letchimy er niet aan gedacht heeft.

De parlementaire interventie herhaalt min of meer de open brief, maar met toevoeging van dat ene ophefmakende element, de verwijzing naar het nazisme. Je zou de kern van de boodschap ongeveer als volgt kunnen samenvatten. Frankrijk (of het Westen) kan maar beter zwijgen over superieure en inferieure beschavingen. In het verleden heeft het zelf de pretentie gehad zijn beschaving uit te dragen via kolonisatie, terwijl het in feite ging om een barbarij van slavernij, uitbuiting en racisme. Die westerse barbarij vond uiteindelijk haar dieptepunt in het nazisme.

Welnu, deze voorstelling van zaken is afkomstig uit het belangrijkste en invloedrijkste politieke geschrift van Aimé Césaire, zijn pamflet Discours sur le colonialisme (1950/1956). Door de kolonisatie, schreef Césaire, verloochende de Europese beschaving haar humanisme – en dat leidde tot een choc en retour: wie de ander tot beest maakt wordt zelf tot beest; de kolonisatie is in de beschaving het ‘bruggenhoofd’ van de barbarij, van waaruit ‘de volstrekte ontkenning van de beschaving’ ons aanvalt; in het recente verleden toonde die terugslag zich in het nazisme.

Ik licht de overeenkomst tussen kolonialisme en nazisme (die maar één element van Césaires Discours is) nog toe met een licht gewijzigd fragment uit een ongepubliceerde tekst:

Laboratorium

De blanke burger, die het nazisme schokkend vindt omdat het hem tot slachtoffer maakte, was volgens Césaire voordien medeplichtig aan een ander ‘nazisme’. Die weldenkende burger moet leren beseffen ‘dat Hitler in hem huist’, en dat hij de Duitse dictator alleen maar verwenst wegens diens misdaden tegen de blanke mens: omdat Hitler op Europa praktijken toepaste ‘waarvoor tot dan toe alleen de Algerijnse Arabieren, de Indiase koelies en de Afrikaanse negers in aanmerking kwamen’.

Recidive! Want al in 1948, toen hij een bundel teksten inleidde van de abolitionistische politicus Victor Schoelcher, had Césaire de slavernij naast het concentratiekamp geplaatst: ‘Auschwitz en Dachau, Ravensbrück en Mauthausen, maar alles op immense schaal’. En: ‘Nazi-Duitsland legde alleen maar in het klein aan Europa op wat West-Europa eeuwenlang oplegde aan de rassen die zo onbeschaamd of zo stom waren zich op zijn weg te bevinden’.

De vergelijking wekte forse weerstand op, leidde er zelfs toe dat in 1995 de Franse onderwijsminister (de huidige presidentskandidaat Bayrou!) het Discours sur le colonialisme verwijderde van de leeslijst voor de eindexamenklassen. En toen het Schoelcher-boek in 2008 een herdruk kreeg, vond de uitgever het nodig een extra voorwoord toe te voegen van de Belgische socioloog-filosoof Jean-Michel Chaumont, dat uitsluitend gewijd is aan de betreffende zinnen van Césaire. Chaumont tracht de vergelijking te verzachten en weg te redeneren: het ging Césaire niet om wetenschappelijke ‘kennis’ maar om politieke ‘erkenning’, zijn tekst hoefde dus niet te voldoen aan hoge eisen van ‘waarheid of onpartijdigheid’. Bovendien bedoelde hij die regels alleen als ‘decor’ voor een alinea waarin… Kortom, het was maar bij wijze van spreken.

In Les damnés de la terre (1961) schreef Frantz Fanon: ‘Kort geleden heeft het nazisme heel Europa tot een ware kolonie omgevormd’. En ook volgens de niet bepaald extreemlinkse Hannah Arendt (The Origins of Totalitarianism, 1951) bestond er continuïteit tussen imperialisme en nazisme – in de eerste plaats via het racisme, dat in Afrika geleid had tot ‘the most terrible massacres in recent history‘.

De ideeënhistoricus Domenico Losurdo (Le péché originel du XXe siècle, 1998) snijdt deze kwestie aan binnen een kritiek op het fameuze Livre noir du communisme. Hij spreekt tegen dat communistische misdaden de ‘oorspronkelijke’ gruwel van de 20ste eeuw vormden, waarop het nazisme dan een soort repliek geweest zou zijn; en, verwijzend naar Arendt en Fanon: ‘de vergelijking van nazisme en communisme doet het kolonialisme verdwijnen, dat voordien, bij heel uiteenlopende auteurs, het voornaamste referentiepunt vormde om het Derde Rijk te begrijpen.’

De grote misdaden van het kolonialisme, met hun altijd racistische rechtvaardiging (‘zij’ zijn mindere/geen mensen), kunnen net zo goed als die van de latere ‘totalitarismen’ gevat worden in immense cijfers: de miljoenen doden van Leopolds Congo, de honderdduizenden van de Filipijns-Amerikaanse oorlog, de tienduizenden Herero’s in Duits Zuidwest-Afrika … In dezelfde tijd verschenen de eerste concentratiekampen. Hitler zag de Amerikaanse oorlog tegen de indianen als een navolgenswaardig voorbeeld, en nazi-ideoloog Rosenberg bewonderde de rassenpolitiek in de VS. Terecht bestempelt Losurdo al die imperialistische en intern-Amerikaanse horror als ‘het laboratorium van het Derde Rijk en van de gruwelen van de 20ste eeuw’.

De historicus Enzo Traverso, ten slotte, merkt op (L’histoire comme champ de bataille, 2011): ‘De aandacht van de historiografie voor de vergelijking van nazisme en koloniaal geweld is verbazend gering, als je bedenkt dat de Shoah in praktijk is gebracht binnen een oorlog tegen de USSR die opgevat werd als een klassieke koloniale oorlog. In deze oorlog ter verovering van Lebensraum brachten de onderwerping van de Slaven en de eliminatie van de joden symbolisch twee negatieve figuren van anders-zijn bijeen die al minstens twee eeuwen bestonden binnen de Europese cultuur: de jood en de inboorling. Die historiografische lacune is een erfenis van het eurocentrisme dat lang dominant was in de westerse cultuur.’

Uniciteit

Tot daar mijn zelfcitaat. Dat de vergelijking tussen nazisme en kolonialisme/slavernij nog altijd aanstootgevend is, wordt aangetoond door de woedende reacties op Letchimy’s parlementaire interventie. Want om die vergelijking ging het, en niet om een persoonlijke belediging van de minister. In feite is de associatie tussen beide soorten geweld nu zelfs aanstootgevender (en bijgevolg zeldzamer) dan vijftig, zestig jaar geleden: omdat de jodenmoord in ons historische bewustzijn een steeds specialere, ‘uniekere’ plaats is gaan innemen.

Guéant zelf toonde zich geschokt door Letchimy’s ‘instrumentalisering’ van ‘de herinnering aan de Shoah, de ergste verschrikking die de mensheid ooit heeft voortgebracht’. Inderdaad, als je de Shoah zo ‘definieert’, kunnen Fransen en andere westerlingen onmogelijk aanvaarden dat hun eigen voorouders soortgelijke verschrikkingen hebben begaan. Dus worden ze kwaad. Het blijft een onverwerkt verleden.

Tot besluit nog een blik op twee moedige leiders. Het meest verbijsterende was, vond een parlementslid uit Frans Guyana terecht, dat premier François Fillon niet probeerde Letchimy even te antwoorden, maar met zijn regering het halfrond verliet. En de PS-presidentskandidaat François Hollande, die niet aanwezig was bij het incident, zei achteraf dat er belangrijker onderwerpen waren dan het verschil tussen beschavingen, en dat het erop aankomt de Fransen te herenigen en te verzoenen. Ach.
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!