Nieuws, Samenleving, België, Geschiedenis, Gent, De vooruit, Neoliberalisme, Sociale strijd, Occupy-beweging, Staking 30 januari, We Strike Back, Gita Deneckere, Sociale verandering, Mainstreammedia - Gita Deneckere

Slotbeschouwingen van historica Gita Deneckere over ‘We strike back’

GENT - Gita Deneckere luisterde tijdens 'We Strike Back' op maandag 30 januari naar de vele gesprekken in de Vooruit en bracht een slotbeschouwing. Ze is hoofddocente sociale geschiedenis aan de UGent en promoveerde met een proefschrift over sociale geschiedenis en collectieve actie.

maandag 6 februari 2012 15:25

Kameraden, andersdenkenden, beste studenten en gelijkgestemden,

Het is voor mij als historica een groot privilege te mogen terugblikken op dit fantastische evenement ‘We strike back’ dat vandaag, 30 januari 2012, in ons aller Vooruit heeft plaatsgevonden. Anders dan mijn goede collega en psychoanalyticus Paul Verhaeghe heb ik de hele middag mijn schaarse academische tijd grondig en goed ‘verspild’ met het luisteren naar de drie debatten die in de Balzaal en de Dansstudio hebben plaatsgevonden. Drie thema’s, heel veel stemmen, veel openingen ook uit het nauwe frame waar de mainstreammedia de nationale staking van vandaag plegen te vatten.

Alleen maar staken?
Alleen maar besparen?
Alleen maar langer werken?

Drie debatten die door Vooruit werden aangegaan om nuance te brengen en voor- en tegenstemmen een forum te bieden

Vooruit is natuurlijk allesbehalve neutraal terrein. Het is het meest levendige monument van een sociale strijd waarvan de verworvenheden vandaag op het spel staan. Volgend jaar, in 2013 vieren we het eeuwfeest van Vooruit, vandaag vieren we de toekomst van de Vooruit-gedachte. De toekomst van het verleden, want van meet af aan werd deze middag de staking van de vakbonden als een soort basisdemocratische ‘erfenis’ benoemd, iets wat ons door een vorige generatie is overgeleverd.

De vraag is dan of staken fataal gedateerd is als actiemiddel, passé, een anachronisme geworden is. Zie bijvoorbeeld Guy Tegenbos die in De Standaard schamper een parallel trok met de staking van veertig jaar geleden die in ‘Groenten uit Balen’ vereeuwigd werd. Stakersposten als nostalgie, niet meer van deze tijd, maar wel nog steeds erg schadelijk.

Is staken een voorbijgestreefd actiemiddel in het postindustriële tijdperk, dan wel erfgoed uit het verleden dat juist gekoesterd en misschien wel heruitgevonden moet worden? Ik citeer een spreker tijdens het eerste debat: ‘de vakbonden dreigen ingehaald te worden door de toekomst als ze er niet voor zorgen zelf de toekomst te zijn’.

Kunnen de vakbonden nog dragers van de toekomst zijn? Kunnen we nog ‘vooruit’ met die vermaledijde vakbonden of hypothekeren ze fataal de toekomst van de jonge generatie ‘millennials’ die zich met 12.000 op Facebook een stem in het debat ‘schreeuwen’ en zich al ernstig zorgen maken over hun pensioen.

In de media wordt de staking graag voorgesteld als een generatieconflict terwijl dat andere tegenstellingen maskeert. Er heerst een probleem van representatie, in de media, in de politiek, en ook in de Vooruit zelf: Kader, de kleinzoon van een mijnwerker die op zijn veertiende moest beginnen werken, kan zijn stem alleen laten horen door te roepen en het debat te verstoren.

Of de vakbondsvrouw die zich beklaagt dat de vakbonden bij de maandenlange regeringsvorming niet ‘gehoord’ werden, noch door de politici, noch door de media – de staking die altijd als ultiem wapen wordt ingezet, kwam in dat perspectief bekeken allesbehalve uit de lucht vallen.

Een terzijde: de politici die nu verontwaardigd zijn over één dag staking vergeten dat ze zelf meer dan 500 dagen in staking zijn gegaan – niemand die berekent hoeveel dit de staatskas heeft gekost.

Onze samenleving is in crisis, de samenleving is in transitie – ‘shift happens’ – maar we hebben er als burgers geen greep op en verliezen het vertrouwen in de politiek. Onze democratie is niet bij machte de financiële en andere crisissen adequaat aan te pakken. Hoe komt dat?

Vijf antwoorden die doorheen de drie debatten naar boven kwamen:

1) Kennis is macht. De kennis ontbreekt bij de burgers, die zelfs niet meer weten wat burgerschap betekent. Het economisch en politiek discours is te technisch geworden. Het volk vermeit zich liever met de achterklap in ‘Mijn restaurant’. Er is uitleg nodig over het democratisch basisrecht dat staken is, over de index, over fundamentele grondwettelijke beginselen die onze samenleving schragen.

Hier dient zich een nieuwe verantwoordelijkheid aan voor publieke intellectuelen tegen de oppervlakkigheid en zogenaamde waardenvrijheid van de mainstreammedia en vermarkte onderwijssystemen in. Het woord ‘volksverheffing’ is zelfs gevallen, dat paternalistische en verguisde begrip uit lang vervlogen tijden – dat anderzijds wel passend is in de Theaterzaal van Vooruit, onder de blinkende gouden letters ‘Kunst Veredelt’.

2) Nieuwe woorden voor oude waarden. De individualisering van onze maatschappij – paradoxaal genoeg alleen maar mogelijk gemaakt dankzij de verzorgingsstaat – heeft ervoor gezorgd dat waarden als ‘solidariteit’ en ‘algemeen belang’ niet meer gedacht kunnen worden. In de economische besparingslogica beleven we zelfs een vreemde comeback van de solidariteit in het saneringsdiscours dat ons bezweert nu even ‘met z’n allen’ pijn te lijden, ‘door de zure appel heen te bijten’ in deze donkere dagen van besparingen om dan weer licht aan het einde van de tunnel te kunnen zien.

‘Verandering’ is de slogan van de rechterzijde geworden. Het doel is geen betere en rechtvaardiger wereld, maar een wereld waar alles onrechtvaardiger wordt. ‘We zijn mensen nog dieper in de armoede aan het duwen’, zei de Antwerpse sociologe Bea Cantillon in De Morgen van 31 december vorig jaar. En het neoliberale antwoord is ‘So what?

3) Re-politisering en re-ideologisering van de economie. De herverdeling van de arbeid én van de rijkdom is onbespreekbaar geworden in de ‘pensée unique’ van het globale vrijemarktdenken. There is no alternative. We zijn niet meer in staat het publieke goed in andere dan economische termen te denken. 

We zijn niet meer in staat een alternatief te bedenken, laat staan te ontwikkelen voor het bestaande maatschappijmodel in crisis. Verandering gebeurt, shift happens, zonder dat we er grip op krijgen en zonder dat we nog in staat zijn de oude en nieuwe afgoden van het globale kapitalisme te trotseren. Tenzij we de vrije markt als ideologie en valse utopie durven ontmaskeren.

Op die manier heeft de staking van 30 januari 2012 in wezen dezelfde ondergrond als andere protestbewegingen die vandaag wereldwijd de kop opsteken: de Occupy-beweging, de indignados, de G1000, … Het is net als die ‘steekvlamprotesten’ een teken van verzet tegen een maatschappij die ongelijkheid produceert en het feit dat zij die schuld dragen de dans ontspringen en zich verder kunnen verrijken.

Tijdens de Occupy Wall Street-betoging in oktober 2011 riep de populaire Sloveense filosoof Slavoj Žižek: “Wij zijn niet de dromers. De dromers zijn degenen die denken dat we zo oneindig kunnen doorgaan.” De utopie van weleer is uiterst redelijk geworden en spitst zich toe op concrete en haalbare financiële doelstellingen: de Tobintaks, de vermogensbelasting, nieuwe coöperatieve banken, Bank Transfer Day, … praktische alternatieven voor de utopie van de vrije markt.

4) Heruitvinding van een civil society. De staking is ook een teken van de grote nood die bestaat aan een breed gedragen civil society tussen staat en markt. Vraag is op welk niveau die civil society dan moet opereren. In het tweede debat kwam naar boven dat er geen oplossing voor de crisis kan worden gevonden binnen de bestaande instellingen, en zeker niet op het niveau van de individuele natiestaten.

De democratische legitimiteit van Europa is echter te klein, de Europese Centrale Bank (ECB) te weinig slagkrachtig. Het sociale Europa moet nog uitgevonden worden, en hier moeten de vakbonden dringend aan werken. Er zijn te veel schulden gemaakt, door de staten, maar vooral door de banken. Staten moeten die banken nu rechthouden, want als ze dat niet doen, dreigt er een complete instorting van het systeem.

De vraag is hoe lang de complete ineenstorting van de zogenaamd vrije markteconomie nog tegen te houden is. Alle pogingen om het systeem in stand te houden, lijken de ondergang ervan te bespoedigen. De beleidsmakers hebben immers besloten, lijkt het wel, om de banken te redden ten koste van de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking.

De gevolgen van dit defensieve crisisbeleid zijn niet overal in Europa even voelbaar of even vernietigend voor de sociale zekerheid of de toekomstperspectieven van jongeren. België is wellicht zelfs een voorbeeld. Maar de melt-down is overal begonnen en het is nog steeds binnen de natiestaten waar de socialezekerheidsstelsels zijn opgebouwd dat het groeiende verzet tegen de rücksichtloze veranderingen van het neoliberalisme tot stand komt.

5) Grenzen aan de groei, of moeten we wel mee met de tijd? Net als ‘Groenten uit Balen’ is het Rapport van de Club van Rome ondertussen meer dan veertig jaar oud. Toch ontbreekt bij beleidsmakers elke ‘sense of urgency’ en krijgt de ecologische dimensie niet de aandacht die nodig is. Economische groei blijft in de postindustriële maatschappij klaarblijkelijk het nec plus ultra. Maar moeten we wel meer en langer werken? Moeten we wel meer verdienen? Kan het niet beter langzamer? Kan het niet beter duurzamer? Worden we daar niet veel gelukkiger van?

“We moeten werken aan de tijd, aan onze tijd”, stelde een deelnemer aan het derde debat voor. Terwijl de economie een re-politisering nodig heeft, dienen we de tijd te de-economiseren. Collectief, door de dictatuur van produceren en consumeren te doorbreken, maar ook individueel, door de tijd te nemen om te zorgen voor elkaar, voor onze kinderen, voor onze bejaarden – waarmee het debat uiteindelijk weer terugkwam bij de inzet van de staking: pensioenleeftijd, tijdskrediet.

Ultiem is het dan de vraag of we met z’n allen nog wel zo nodig vooruit willen? De toekomst is immers niet langer het morgenrood der aarde dat aan de horizon verschijnt, maar de opwarming van de aarde in een heel ander register.

“Ik weet wat ik niet wil”, zei Miral Brinyi, een 27-jarige demonstrante, op de eerste dag van het protest op het Tahrirplein tegen het weekblad Time. Het gebrek aan duidelijke doelstellingen van de wereldwijde protesten in 2011 wordt vaak negatief beoordeeld.

Het Wereld Economisch Forum (WEF) in Davos beschouwt het ongenoegen en de verontwaardiging van jongeren zelfs als één van de grootste bedreigingen voor de wereldeconomie – en men heeft het over dystopie – tegenover utopie – de anti-utopie.

Alsof er ooit een rationeel en doelgericht schema voor protestbewegingen heeft bestaan in de geschiedenis. Van de indignados en de Occupy’ers wordt een efficiëntie verwacht die het globale kapitalisme en neoliberalisme wel predikt, maar zeker niet in de praktijk kan brengen.

Verzet plegen is daarom misschien juist niet efficiënt te willen zijn in de economische logica van vandaag en zo te demonstreren, veelstemmig en massaal, dat er wél alternatieven denkbaar zijn. “We moeten uit het realisme geraken”, sprak de schrijver, “van de wereld zoals die nu eenmaal is, en zorgen voor een wereld zoals hij zou moeten zijn”.

Gita Deneckere

Gita Deneckere is als hoogleraar geschiedenis verbonden aan de vakgroep Geschiedenis van de UGent.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!