Waarom op 30 januari staken?

Waarom op 30 januari staken?

vrijdag 27 januari 2012 16:15

De drie vakbonden hebben voor maandag 30 januari een algemene stakingsaanzegging ingediend. Aan de reacties in december af te leiden, valt te verwachten dat ze terug bakken kritiek zullen moeten slikken. Hoewel het momenteel bon ton is om zich misprijzend over de vakbonden uit te laten, vinden we het belangrijk om ook eens een alternatieve stem te laten horen. In dit blogstuk argumenteren we waarom er inhoudelijk voldoende redenen zijn, ook voor de jongere generaties, om het werk neer te leggen en op straat te komen. We focussen ons bewust op vier minder gemediatiseerde stakingsredenen, zonder echter hiermee de terechte kritiek op de pensioenplannen te willen minimaliseren.

1. Gemiddeld langer werken?  Maak het dan ook draaglijk

We zijn het er mee eens dat een voldoende hoge werkgelegenheidsgraad  één van de middelen is om het sociale zekerheidsstelsel in België te consolideren en te verbeteren, naast het aanboren van alternatieve financieringsbronnen. Eén van de middelen hiervoor is mensen (langer) aan het werk te houden. Met  deze redenering in het achterhoofd, besliste de regering Di Rupo I om onder meer het systeem van tijdskrediet te verstrengen.

Laat nu net het tijdskrediet één van de middelen zijn om (langer) werken voor mensen draaglijk(er) te maken. Het systeem van tijdskrediet is immers bedoeld om werknemers tijdelijk wat gas terug te laten nemen zonder hiervoor financieel zwaar afgestraft te worden (via hun inkomen en via hun pensioenopbouw). Werknemers in tijdskrediet kunnen dus gedurende een bepaalde periode slechts  4/5de, halftijds of niet gaan werken. Voor de tijd die ze niet of minder werken, krijgen ze een uitkering en bouwen ze een stuk pensioenrechten op. Voornamelijk vrouwen en vijftigplussers maken hier gebruik van (zie hier).

Het tijdskrediet kan (onder voorwaarden) opgenomen worden om bvb. te zorgen voor gehandicapte kinderen of zwaar zieke gezinsleden (=’tijdskrediet met motief’), om bvb. je even te ontrekken aan de ratrace op het werk voordat je opgebrand geraakt of te zorgen voor de kleinkinderen (=’tijdskrediet zonder motief’), of om bvb. wat gas terug te nemen omdat je niet meer van de jongste bent (= de ‘landingsbaan’).

Dankzij het tijdskrediet worden werknemers dus minder als een citroen uitgeperst en/of kunnen ze arbeid en gezin beter combineren. Een studie van de RVA stelt letterlijk dat het tijdskrediet “ervoor heeft gezorgd en er nog steeds voor zorgt dat een groot aantal werknemers het rustiger aan kan gaan doen op het einde van hun beroepsloopbaan. Voor een deel van hen leidt dat er hoogstwaarschijnlijk toe dat zij langer aan het werk blijven”.

Tijdskrediet bevordert dus eerder de werkgelegenheidsgraad dan het te belemmeren. Het feit dat de meeste ‘tijdskredieters’ opteren voor het halftijdse of 4/5de-systeem (zie hier) toont ook aan dat die mensen wel willen (blijven) werken, maar dat voltijds werken om wat voor reden dan ook even onhaalbaar is. De lage en dalende populariteit van het voltijdse tijdskrediet ontkracht bovendien de mythe van de ‘wereldreizende tijdskredieter’. Men kan immers niet halftijds of 1/5deop wereldreis gaan.

In de voorstellen van de regering wordt het systeem van tijdskrediet echter minder aantrekkelijk gemaakt. We lichten er de drie voornaamste punten uit:

  • Het basisrecht op tijdskrediet wordt serieus ingeperkt. Terwijl werknemers vroeger 1 jaar voltijds of halftijds tijdskrediet konden combineren met gedurende 5 jaar 4/5dete werken, wordt dit nu allemaal herleid tot een recht van 1 jaar voltijds equivalent (=2 jaren halftijds of 5 jaren 4/5de).
  • Het bijkomende recht op tijdskrediet voor oudere werknemers (de zogenaamde ‘landingsbaan’) wordt pas mogelijk vanaf 55 jaar in plaats van de huidige 50 jaar.
  • Het opnemen van tijdskrediet weegt in de nieuwe regeling financieel zwaarder door. Wie in een halftijds tijdskrediet zonder motief of in een landingsbaan stapt, bouwt een pak minder pensioenrechten op.
     

2. Pak de structurele werkloosheid aan

Andere voorstellen van de regering om meer mensen aan het werk te krijgen zijn het degressief maken van de werkloosheidsvergoedingen in de tijd, het verlengen van de wachttijd voor jonge schoolverlaters van 9 naar 12 maanden, en het verstrengen van de definitie van ‘een passende job’.

Deze maatregelen gaan voorbij aan het feit dat Vlaanderen kampt met een structurele werkloosheid. Met andere woorden, zelfs in goede tijden is het aantal niet-werkende werkzoekenden een pak hoger dan het aantal openstaande vacatures (zie hier). Voor de structurele werkloosheid kan de individuele werkzoekende dan ook niet verantwoordelijk gesteld worden, laat staan hiervoor financieel afgestraft worden. En zelfs als het aantal vacatures in verhouding zou staan tot het aantal niet-werkende werkzoekenden, dan blijft discriminatie op basis van etniciteit (zie hier), leeftijd (hier) of mindervaliditeit (hier) een dagdagelijkse realiteit. Het cliché dat “wie wil werken, werk vindt” is dus net iets te simplistisch. Het is dan ook bijzonder jammer dat de voorstellen voor duurzame jobcreatie en responsabilisering van de werkgevers veel minder uitgewerkt zijn in de huidige regeringsplannen.

Bovendien kan gevreesd worden voor de perverse gevolgen die deze maatregelen zullen hebben op de binnenlandse vraag en bijgevolg op onze werkgelegenheid. Uit studies blijkt immers dat de Belgische werkgelegenheid juist dankzij ondermeer zijn sociaal vangnet (= de zogenaamde automatische stabilisatoren) relatief goed stand gehouden heeft in de huidige economische crisis (zie hier).

Last but not least, is het verbijsterend dat, alle engagementen voor de bestrijding van de armoede ten spijt, België zijn uitkeringen zodanig degressief maakt dat ze al snel onder de armoededrempel duiken.

3. Handen af van de index

Een andere reden om komende maandag te gaan staken zijn de hernieuwde aanvallen van bepaalde partijen (hierbij geruggensteund door Europa) op ons indexsysteem. De aanpassing van de lonen en de uitkeringen aan de inflatie is een ander belangrijk onderdeel van de reeds aangehaalde automatische stabilisatoren. Deze koopkrachtaanpassingen zorgen er voor dat de binnenlandse vraag op peil blijft (iets wat niet te onderschatten is voor een aantal sectoren, bvb. in de horeca en de handel).

Bovendien zou men bij een indexaanpassing enkel aan symptoombestrijding doen en de echte structurele oorzaken ongemoeid laten. Indexaties zijn immers het gevolg van stijgende prijzen en deze stijgende prijzen worden in België voornamelijk veroorzaakt door de stijgende energieprijzen (lees meer hierover hier). Zoals ondermeer de vakbonden argumenteren, is een betere regulering van de energieprijzen een meer duurzame aanpak van de stijgende loonkosten.

4. Laat de crisis betalen door wie hem veroorzaakt heeft

Het klinkt misschien wat sloganesk, maar de kern van de boodschap klopt wel. Niet de werknemers, schoolverlaters, bruggepensioneerden en werklozen zijn verantwoordelijk voor het onverantwoorde gedrag van de financiële sector die tot de economische crisissen geleid heeft. En ook al begrijpen we dat iedereen in economisch moeilijke tijden een steentje moet bijdragen, de verhoudingen zijn momenteel volledig zoek. Bovendien blijven we ervan overtuigd dat de sterkste schouders de sterkste lasten moeten dragen, zowel in economische goede als in slechte tijden. Hoewel er in het regeerakkoord gepraat wordt over het aan banden leggen van bonussen, de hervorming van de financiële sector, de invoering van een transactietaks… (iets wat we zeker toejuichen), zijn die plannen toch heel wat minder concreet.

Conclusie

Onder druk van de financiële markten, Europese technocraten en rechtse partijen betalen de linkse partijen in Di Rupo I een hoge prijs voor hun regeringsdeelname. Hoewel het ongetwijfeld zonder deze partijen nog veel erger was geweest (dan was bvb. de index reeds nu gesneuveld), mag dit geen argument zijn om niet te protesteren tegen de onverstandige en asociale voorstellen die nu op tafel liggen. Het is bovendien jammer dat de linkse regeringspartijen het vakbondsprotest momenteel niet naar waarde kunnen inschatten. Op termijn versterkt deze externe druk immers hun onderhandelingspositie ten opzichte van Europa en de rechtse (regerings)partijen. Gezien de dossiers die nog op de agenda staan (denk bvb. aan de discussies over de index of de strijd tegen de fiscale fraude), zou die externe druk wel eens best handig kunnen zijn.

Maya Braeckman en Pieter-Paul Verhaeghe

Deze tekst is eerder verschenen op www.poliargus.be

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!