Opinie, Nieuws, Economie, Politiek, België, Economische crisis, Loonkosten, Innovatie, Concurrentiekracht, Beleggers, Productiviteit, Industrialisering, Eric Corijn, Graaicultuur, Ondernemingszin, Buitenlands kapitaal -

Mogen we het debat even verleggen?

Een regering, goed politiek leiderschap, steunt op twee poten. Aan de ene kant beschikt ze over (legitieme) macht, over bevoegdheden en instellingen. Daarmee kunnen beslissingen worden uitgevoerd, kan er dwang worden uitgeoefend. Aan de andere kant is ook instemming nodig, moet (een deel van) de bevolking volgen, het eens zijn met het gevoerde beleid.

vrijdag 27 januari 2012 15:05

Het beleidsplan moet worden aanvaard en belangrijke actoren moeten bereid zijn in dezelfde richting te ageren. Daarover gaat het bij de vorming van de ‘publieke opinie’, in de vele uren die gespendeerd worden in interviews en duiding, in het uiteenzetten van de agenda, in de confrontatie met opiniemakers en nieuwsankers.

Vooral in tijden waar de oppositie zich roert. ‘De mensen’ moeten worden overtuigd van de inzet van het beleid, van de diagnose en de aangebrachte remedies. Hoe meer instemming, hoe minder dwang nodig is en vice versa. Vandaag is die instemming ver te zoeken en wordt er dus nogal gehamerd op de ‘evidenties’ van het neoliberale beleid.

Hangt rijkdomproductie vooral af van sterke concurrentiekracht?

Zo lijkt het de laatste jaren aanvaard dat beleid in de eerste plaats moet dienen voor de ‘concurentiecapaciteit’. Achterliggende gedachte is dan: rijkdom moet eerst worden geproduceerd voor ze kan worden verdeeld én rijkdomproductie hangt vooral af van een sterke concurrentiekracht.

Dat op zich is al een redenering die na dertig jaar praktijk eens zou mogen worden herbekeken. Maar goed, het blijft een sterk verspreide aanname. En, en dat horen we nu veel in de discussies, die concurrentiecapaciteit zou vooral afhangen van de kostenstructuur van de productie en dan in de eerste plaats van de loonkosten. En laten nou net die in ons land te hoog zijn. En dus moeten de loonkosten naar beneden en moet er worden bespaard op de index en op voorzieningen.

Daartegenover worden dan sociale argumenten gebruikt, argumenten van menselijkheid, van sociale verworvenheden. Maar, ja, die … moeten betaalbaar blijven. En zo is er dat debat tussen de ‘markten’ en de ‘vakbonden’ …

Maar is dat argument zelf wel zo sterk? Er is alvast het tegenargument van de hoge arbeidsproductiviteit: voor het hoge loon krijgen de investeerders natuurlijk een hoge productie in een kortere tijd terug. 22 procent van de werknemers zijn daarenboven overgekwalificeerd (en dus onderbetaald). Werkgevers rekenen er natuurlijk op dat die productiviteit behouden blijft ook al vermindert men de loonkosten. Valt nog te bezien natuurlijk.

Kostenstructuur belangrijkste element van concurentiekracht?

Maar naar de kern van de zaak nu: is het wel zo dat de kostenstructuur het belangrijkste element is van de concurentiekracht? Zeker, die is zeer belangrijk voor de winstvoet, voor de verhouding tussen de winsten en het geïnvesteerde kapitaal. Hoe lager de loonkost, hoe meer er relatief naar de investeerders, naar de kapitalist, kan gaan. Da’s juist en dat is van belang voor het aantrekken van geld, van investeringen op zoek naar winst.

Zeker wanneer men die winsten ook nauwelijks belast. En winst kan men natuurlijk verhogen door de sociale kosten te verlagen. Dat is ook een vorm van sociale herverdeling naar de beleggers toe. En daarover gaat de huidige sociale strijd! Maar is dat dan ook de sleutel van de concurrentiekracht? Ja, als men wil concurreren met de lageloonlanden. Maar dan zal de sociale welvaart nog een heel stuk moeten verlagen. 

Is Apple een groeibedrijf omdat het lage lonen uitbetaald of omdat het nieuwe producten op de markt zet? Is Janssen Farmaceutica groot geworden door de lage loonkost? Neen dus. Want de echte concurrentie in de ontwikkelde landen gebeurt op het vlak van de innovatie. Innovatie in producten en innovatie in technologie. En laat het nou net daar zijn dat onze economie, onze ondernemers dus, slecht scoort.

Gelukkig zijn er de productieve arbeiders en het hardwerkende kleinbedrijf. Maar onze grootkapitalisten zijn nauwelijks vernieuwers, ze zijn uit op de snelle winst. En dat heeft zo zijn historische redenen.

Ondernemen in België is geld verdienen. Lakse graaicultuur is er nooit echt uitgeraakt

België was één van de eerste industriële gebieden in Europa. Dat werd toen o.a. gedragen door het financiekapitaal. Traditioneel was er het industriekapitaal, familiaal of institutioneel, dat investeerde en herinvesteerde in bepaalde activiteiten. En daarnaast was er het bankkapitaal dat geld uitleende aan ondernemers en wachtte op de interest.

De in 1822 opgerichte Société Générale diende om rechtstreeks geld te investeren in economische bedrijvigheid omwille van het geld dat er uit te halen was. Tot de verkoop aan Suez controleerde de SG zowat één derde van de Belgische economie. Snel gewin behoort tot de DNA van de Belgische burgerij. Meer dan iets produceren, is ondernemen hier geld verdienen. En die lakse graaicultuur is er nooit echt uitgeraakt.

Zolang de kolonie voldoende rijkdommen leverde in halfafgewerkte producten teerden onze ondernemers ook daarop. Na de Tweede Wereldoorlog profiteerde men dan nog even van een ‘concurrentievoordeel’ omdat België nauwelijks was gebombardeerd. Maar weldra, na de wederopbouw in andere landen, verzonk Wallonië in een diepe structurele crisis. De Belgische burgerij ondernam nauwelijks iets.

Industrialisering met behulp van buitenlands kapitaal

Het oude Waalse industriële weefsel liet men verotten tot op de draad zonder echt aan reconversie te werken. Dan, in de jaren zestig, is ook Vlaanderen geïndustrialiseerd. Maar dat gebeurde dan met behulp van het buitenland, met Amerikaans en Duits kapitaal. Of kent iemand nog een Belgische multinational buiten Solvay of Bekaert?

En, hebben we hier ooit een auto ontwikkeld na de Minerva (1904-1934) of nieuwe elektronica of enig ander opvallend product? Wordt hier soms gewerkt aan computerprogramma’s of nieuwe ICT-toepassingen of ecoproducten? Afhankelijk van buitenlandse investeerders dus en ook van buitenlandse markten.

Goddank met hoge en kwaliteitsvolle arbeidsproductiviteit! En toen er crisis in de lucht hing, in de jaren zeventig, of later nog zo om de paar jaar, nog geen innovatie. Crisissen worden steevast ‘opgelost’ door uitverkoop, door financiële deals, door het directe belang van de aandeelhouders in het oog te houden.

Het Belgische kapitalisme is nu volledig uitverkocht. Er zijn dus ook nauwelijks nog hoofdkwartieren in België. En dus is er ook heel weing onderzoek en ontwikkeling (R&D), en dus nog minder innovatie en vernieuwing en dus nog meer druk op de loonkosten.

Economieën zonder innovatie

Geen elektrische auto hier, geen puntsectoren, geen productontwikkeling. Als er dan al onderzoek wordt gedaan, is dat omzeggens alleen aan de universteiten en openbare instituten. Dat is de structurele zwakte van onze economie in termen van concurentiekracht.

Economieën zonder innovatie kunnen alleen concurreren op loonkost en dat is tegen je eigen bevolking. Waarom horen we die discussie niet in de media of in de analyses? Zouden het VBO en Kris Peeters, Alexander De Croo en Bart De Wever of de denktank Itinera zich daarop niet moeten richten?

Is het niet veeleer daar dat een diepgaand structureel deficit te vinden is? Dat is dan natuurlijk wel een andere agenda. Want dan moet je ondernemers activeren. Dat moet je daar ‘voor wat hoort wat’ invoeren. Dan moet je zorgen dat er geen ‘dividendenval’ ontstaat, dat het nog de moeite loont om risico’s te nemen. Dan moeten de denigerende uitdukkingen van ‘teren op verworvenheden’ of ‘langs de kassa passeren’ daarvoor worden gebruikt.

Gebrek aan ondernemingszin moet buiten beeld blijven

Die agenda wordt niet aan de orde gebracht. Omdat dat een kritiek is op de kern van ons ‘systeem’. En omdat precies de hegemonie, de organisatie van de ‘instemming’, gericht moet worden op de loonkost en dan moet het gebrek aan ondernemingszin buiten beeld blijven.

De verantwoordelijkheid daarvoor ligt wel bij ondernemers en investeerders en niet bij de politiek of de werknemers. We kennen hier immers alleen politieke en geen economische democratie. In plaats van het ‘ondernemersklimaat’ af te leiden uit lage kosten, moeten we het misschien eens hebben over de verantwoordelijkheden van de ondernemers zelf voor de crisis.

De scheefgroei in de structuur van de economie, gevolg van de private investeringsbeslissingen gericht op kortetermijnwinsten, is een belangrijk onderwerp voor een discussie over een alternatief model.

Het thema van de structuurhervormingen (cfr. Holdings en economische democratie, ABVV congressen in 1954 en 1956!) moet opnieuw op de agenda worden geplaatst. En dan volgt ook de vraag naar een duurzame economie, naar het openbaar industrieel initiatief, het vrijwaren van een openbare dienstverlening buiten de markt en de herverdeling van de inkomens.

Misschien ziet men zo een uitweg uit de crisis van het casino-kapitalisme.

Eric Corijn

Eric Corijn is hoogleraar sociale en culturele geografie aan de VUB en directeur van COSMOPOLIS City, Culture & Society.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!