Albert Hahn: "Gansch het raderwerk staat stil, Als uw machtige arm het wil..."
Nieuws, Economie, België, Staking -

De staking en haar tegenstanders: posities en hun consequenties

Het economisch veld is geen neutraal veld. Het is geen domein waarin welingelichte en rationele wezens vrije en onafhankelijke keuzes maken. Economie is in de eerste plaats een veld van onevenwichtige machtsrelaties. Dit is natuurlijk de belangrijkste les die Marx ons, in de lijn van Machiavelli, geleerd heeft.

vrijdag 27 januari 2012 16:41

Maar, wat Marx ons net als Machiavelli ook leert, is dat macht nooit het exclusieve bezit is van één element binnen de machtsrelatie. Macht kan enkel bestaan dankzij die relatie zelf. Anders gezegd: tussen werkgever en werknemer bestaat een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie.

Het is deze afhankelijkheid van het kapitaal ten opzichte van de arbeid die de potentiële macht vormt van de arbeider. De voornaamste manier om die potentiële macht te actualiseren is de staking. In de staking wordt de afhankelijkheid van het kapitaal ten opzichte van de arbeider volledig zichtbaar.

Geen mooiere visualisatie van die afhankelijkheidsrelatie dan de tekening die een zekere Albert Hahn maakte naar aanleiding van de Nederlandse spoorwegstaking in 1903. Op de prent staat een reusachtige arbeider afgebeeld die de veel kleinere treinen tegenhoudt die het station willen verlaten. Kleine mannetjes met kokerhoeden die het patronaat voorstellen trekken vruchteloos aan de broekspijpen van de reusachtige arbeider. De begeleidende tekst bij de tekening luidt: “Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil”. Het is dus dit soort macht die arbeiders hebben en die ook aangewend en veruitwendigd wordt wanneer een staking uitbreekt.

Dit soort denken kadert zich niet zozeer binnen een Marxistische als  wel binnen een democratische traditie waaraan verschillende moderne denkers gestalte hebben gegeven. Bij zowel Hobbes, Machiavelli, Locke en Spinoza vinden we het idee terug dat de soeverein (of die nu oligarch, president of vorst is) wel de finale beslissingsmacht heeft, maar dat het volk de sleutel tot de legitimiteit van de soevereiniteit in handen heeft. Met andere woorden, ook in de politiek is de macht uiteindelijk afhankelijk van de steun en de medewerking van het volk.

Dit standpunt dat men dus bij vele moderne denkers terugvindt, is niet alleen een feitelijke beschrijving van hoe macht werkt. Het opent ook een conceptuele ruimte om over democratische macht te denken. Het descriptieve impliceert een normatieve eis, zeggen dàt het volk de feitelijke macht in handen heeft is slechts één stap verwijderd van de moderne conceptie van volkssoevereiniteit: het idee dat het volk ook de macht in handen moet hebben.

Het recht op staken aanvallen, betekent meteen ook een aanval op de democratie

Ook een ander idee is hier nauw mee verbonden, namelijk het recht op revolutie dat we bijvoorbeeld zien opduiken bij John Locke maar ook bij Thomas Jefferson. Dit recht op revolutie wijst op het feit dat de bevolking het recht heeft om in opstand te komen indien het zijn democratische rechten geschonden ziet. Jefferson verwoordde het nog sterker, volgens hem maakte de rebellie en de opstand een essentieel deel uit van een gezonde democratie.

Wat ik met dit alles wil aantonen, is het volgende: het recht op staking maakt integraal deel uit van een democratie en de democratische verbeelding (imaginary). Wat de revolutie is op vlak van politieke democratie, is de staking op vlak van economische democratie. Het recht op staken aanvallen, betekent meteen ook een aanval op de democratie. Nochtans zien we dat dit alsmaar vaker gebeurt. Niet alleen een specifieke staking ligt onder vuur, maar het recht op staken wordt in het kielzog ervan vaak bevraagd. Dit is mijns inziens een gevaarlijke evolutie. Want het antistakingsdiscours situeert zich binnen een uitgesproken ondemocratisch denken.

De ondeelbare verdeeldheid van de samenleving

Het ondemocratisch karakter van het anti-stakingsdiscours laat zich duidelijk blijken wanneer we dieper ingaan op één van de voornaamste argumenten van de tegenstanders van de staking. Vaak wordt geopperd dat een staking schade toebrengt aan de economie en dat die de crisis nog verergert in plaats van eventueel oplost. Tegenover de zogenaamde onverantwoordelijke staking wordt de verantwoordelijkheid van eenieder van ons in het economisch systeem benadrukt.

Opvallend is dat deze kritiek vaak uit (neo-)liberale hoek komt. Diegene die anders de keuzevrijheid van het individu bezingen, eisen steevast de beperking van die vrijheid als het over economie gaat. Dan heeft men plots niet meer de vrijheid om sociale rechten op te eisen, collectieve actie te ondernemen of op te komen voor sociale verworvenheden. Want die individuele grieven dienen steevast opgeofferd worden voor het hoger goed: de economische groei. Het individu mag dan wel heilig zijn, maar op economisch vlak is de gemeenschap heilig.

Het individu opofferen ter groter heil van de gemeenschap? Iedere rechtgeaarde liberaal en democraat zou moeten steigeren. Maar nee. In plaats daarvan zouden het de stakers zelf zijn die de democratie in gijzeling nemen. Om Roger Blanpain (DS 27/01) even te citeren: de staking is onwettelijk, ondoelmatig en onrechtvaardig. Maar voor wie? Kunnen we niet net hetzelfde zeggen over de maatregelen die deze regering probeert in te voeren? Zijn deze net ook niet onwettelijk (geen sociaal overleg), ondoelmatig (eenzijdige focus op besparingen zal de crisis niet oplossen, wel integendeel) en onrechtvaardig (lagere- en middenklassen moeten opdraaien voor de gevolgen van een crisis die ze niet veroorzaakt hebben).

De staking is onwettelijk, ondoelmatig en onrechtvaardig voor – hier komt ie – een bepaalde klasse in de samenleving, voor een andere klasse symboliseert ze net wettelijkheid, doelmatigheid en rechtvaardigheid. Dit soort conflict heeft een naam: het heet klassenconflict. En wie zich in de literatuur daarover verdiept, weet dat er geen consensus mogelijk is tussen klassen. Hoogstens een tijdelijk compromis. De tegenstelling blijft een tegenstelling. Het gaat hier om twee visies, twee perspectieven die onverenigbaar zijn. Daarom is de sociale strijd ook altijd een strijd en geen koffiekransje.

Het is not done om tegenwoordig te wijzen op de onverzoenbaarheid tussen verschillende klassen. Het in de mond nemen van begrippen als klassenstrijd nog meer vermoedelijk. En dat heeft een reden. Het voornaamste wapen van het anti-stakingskamp is om ons te doen geloven dat er niet zoiets bestaat als verschillende klassen met verschillende fundamenteel onverenigbare belangen en visies. In het anti-stakingskamp wordt de samenleving als één en onverdeeld voorgesteld. Werknemer en werkgever trekken aan hetzelfde zeel, arbeiden voor het gezamenlijke goed van de gemeenschap en de staker is de te verwijderen stoorzender binnen dit plaatje.

Als we echter vertrekken vanuit het idee van een onvermijdelijk klassenconflict, doemt een ander soort samenleving op: een samenleving die altijd al verdeeld is en die nooit tot een reële of symbolische eenheid kan komen. Dat wil niet zeggen dat we allemaal vechtend over straat moeten rollen, maar wel dat verschillende stemmen gehoord dienen te worden en dat rekening moet gehouden worden met verschillende, onverzoenbare belangen. Dat is ook waarom sociaal overleg noodzakelijk is en niet zomaar een verworven recht is dat vrijelijk kan opgeschort worden. Maar net dat is wat er wel gebeurt en het is ook daarom dat de vakbonden het stakingswapen bovenhalen.

Kiezen of gekozen worden

Wat we vandaag zien is de complete miskenning van het bestaan van een klassenconflict. Alsof het klassenconflict iets is van de vorige eeuw dat samen met de politieke en filosofische invloed van het marxisme verdwenen is. Niets is echter minder waar. Het is hetzelfde als beweren dat oorlog verdwenen is omdat we het nu vredesinterventie noemen.

Het discours van de tegenstanders van de staking bevindt zich dan ook niet boven dat klassenconflict, maar maakt er een essentieel deel van uit. Wie zich tegen de staking keert, dient een bepaald belang. Niet het individuele belang, maar het belang van multinationals, speculanten en bankiers die erin geslaagd zijn om de kosten van de door hen veroorzaakte crisis op de gemeenschap af te schuiven. Want zij hebben er alle belang bij om stakingen te verhinderen.

Natuurlijk is de staking niet rechtstreeks gericht tegen banken, speculanten en multinationals, maar wel onrechtstreeks. Want de politieke keuzes die nu gemaakt worden spelen in de kaart van die 1% en het nadeel van de 99%. Staken tegen die politieke keuzes is staken tegen een beleid dat een elite van 1% de hand boven het hoofd houdt en dus tegen de 1% zelf. En als ik het hier over de 1% heb, heb ik het niet over de hardwerkende, kleine zelfstandigen of over vrije beroepen. Zelfs niet over KMO’s. Want ook die groepen hebben te lijden onder de aanpak van de crisis. Ook voor hen is het knokken. Ik heb het wel over een toplaag die via achterpoortjes allerhande géén belastingen betaalt en tegelijk waanzinnige winsten opstrijkt. Dat is de inzet.

Dit hoeft niet te betekenen dat we allemaal rabiate voorstanders van de vakbondslijn moeten worden alsof zij een onbetwijfelbaar evangelie prediken. Maar vakbondskritiek hoeft ook niet gelijkgesteld te worden aan het betwijfelen van het nut van vakbonden of het belang van een staking.

Persoonlijk schaar ik me achter de staking omdat ze een element vormt in de strijd tegen een fundamenteel sociaal en politiek onrecht dat ons wordt aangedaan. Hetzelfde soort onrecht als dat waartegen de occupy-beweging en de indignado’s wereldwijd protesteren. Dezelfde strijd, maar anders gevoerd en anders vormgegeven. Vind je dat de vakbonden een verkeerde strategie voeren? Goed. Maar meng je dan in de strijd in plaats van de strijd als zodanig af te voeren. Geef die strijd zelf mee vorm en wees niet naïef want als je geen kant kiest wordt er één voor jou gekozen.

Thomas Decreus

Thomas Decreus is verbonden aan de KU Leuven en was medeorganisator van de Shame-betoging in januari 2011.

take down
the paywall
steun ons nu!