Sociaaldemocratische solidariteit

Sociaaldemocratische solidariteit

dinsdag 24 januari 2012 10:28

Gisteren vond in de Bourla-Schouwburg een debat plaats tussen Kathleen Van Brempt en Philippe De Backer over “De Prijs van solidariteit”.

Welke veronderstellingen liggen aan de basis van het sociaal-democratische model? Ik wijdde er al een eerste blog aan op deze site (“Antwerpse Strijd”), waarin ik deels het boek van Patrick Janssens “Voor wat, hoort wat” bespreek. In deze tekst ga ik verder over datzelfde boek en neem ik de sociaal-democratische ideeën even onder de loupe. Ik kijk ook even naar de bijdrage die Frank Vandenbroucke schreef in dat werk.  

Contractidee
Burgers sluiten een contract af, en de overheid waakt over deze afspraken. Dat is kort gezegd de wijze waarop sociaaldemocraten vandaag relatie tussen burgers onderling lijkt te willen regelen. Maar is zo’n contracttheorie een volwaardige politieke theorie? Welke visie op individu en gemeenschap gaat er achter schuil? Wel, filosofisch volgen Janssens (en Vandenbroucke) een liberaal model: de overheid reguleert de relatie tussen burgers en de vrije markt. Maar ze doet dat eigenlijk om de werking van de vrije markt (als vrije uitwisselingen tussen individuele, rationele burgers) te optimaliseren.
Zo werkt een algemene systeem van ziekteverzekering beter dan alleen privéverzekeringen, want het verplicht alle spelers op de markt te komen (aldus Stiglitz, een impliciete referentie in Vandenbrouckes tekst). Als de overheid geen algemene ziekteverzekering oplegt, blijven vele mensen gewoon zonder verzekering achter. Hetzelfde geldt voor arbeidsactivering: de overheid helpt iedereen om de weg te vinden naar een baan, zodat iedereen kan genieten van economische groei. De taak van de overheid komt dus overeen met de logica van investering: de overheid voorziet de burgers van deelnemerskaartjes in het spel van de vrije markt. Vandaar dat de nadruk bij deze contractidee ligt op het activeren van wie niet meedoet, eerder dan op wie eventueel de meeste materiële schade berokkent (zoals de speculant, bijvoorbeeld). De veronderstelling is ook dat iedereen, door het contract, toch een beetje kan meegenieten van de economische groei…

Gemeenschap en cultuur?
Als denkkader lost deze contractidee – voor wie haar aanhangt – echter méér op dan een socio-economische vraag. Ze beëindigt meteen de noodzaak om over het leven in gemeenschap, over het hebben van een levensbeschouwing, van een godsdienst of over culturele verschillen te discussiëren. Volgens de contractidee zijn burgers het namelijk eens over wederzijdse rechten en plichten. Verder denken en doen ze wat ze willen. Nu, uiteraard zijn gedachten vrij. En de contractidee klinkt behoorlijk redelijk. Maar volstaat deze visie om sociaal burgerschap te promoten?
Deze blinde vlek lijkt me een groot obstakel op weg naar de uitvoering van het ambitieuze plan: dat alle burgers vreedzaam deelnemen aan de welvaartstaat. Deze kritiek betreft niet alleen een theoretische vraag. Wat te doen in de praktijk met die burgers die vanuit hun geloof of levensbeschouwing niet vatbaar blijken voor de schijnbaar redelijk klinkende ‘verantwoordelijkheidsidee’? Is het niet nodig om actief ideeën over cultuur en filosofie voor te stellen? En om verder aan ideeën- of cultuurkritiek te doen, dus om heel concreet bepaalde voorstellingen te bekijken, te analyseren en openlijk te bespreken?
In het boek heeft Patrick Janssens ook andere slimme mensen aan het woord gelaten, onder wie Frank Vandenbroucke. Ik meen dat het tekort dat ik zopas aanhaalde ook blijkt in zijn bijdrage.

Onderwijs
Wat schrijft Vandenbroucke? Wel, onze voormalige onderwijsminister meent dat onderwijs aan hervorming toe is, want het biedt te weinig gelijke kansen. Dat klopt. Maar wat moet een jongere vandaag meekrijgen, niet alleen om een potentiële werknemer, maar om een kritische burger of een constructieve mens te zijn? Welke idealen over burgerschap, cultuur, geschiedenis of kritisch denken geeft de maatschappij best mee? Deze thema’s worden niet behandeld. Verder spreekt Vandenbroucke over de ‘schoonheid van het sociale’ en wil hij dat de samenleving ‘méér is dan losse individuen’. Mooi. Maar met welk inhoudelijk beleid kom je hiertoe? Hoe creëer je een gevoel van gemeenschap? Wat betekent dat? De lezer verneemt het niet, en dat is jammer, want precies die vragen zijn vandaag cruciaal.
Kortom, ondanks de expliciet morele inzet van Vandenbrouckes betoog – termen als rechtvaardig versus hardvochtig vallen regelmatig – kan je je als lezer moeilijk van de indruk ontdoen dat deze sociaal-democraat vooral andere socio-economische statistieken wil zien. Het is typerend voor de evolutie van de idee dat socio-economische omstandigheden belangrijk zijn, naar de idee dat het hebben van visies op socio-economische thema’s volstaat voor een goed functionerende samenleving. Maar schieten ‘linkse’ mensen hier niet tekort in hun emancipatorische opdracht?
‘Fairness’
Voor Vandenbroucke mag sociaal beleid trouwens wat méér zijn dan een ‘voor wat hoort wat’- ruil. Dat méér formuleert hij bijvoorbeeld als een ‘fairness-code’ voor buitensporige verdieners (bijvoorbeeld op bonussen). Te lang, geeft Vandenbroucke toe, beschouwde sociaaldemocraten exuberante sommen voor bedrijfsleiders als een klein detail. Maar dat was verkeerd, ziet hij in. Spijtig dat Vandenbroucke deze ‘correctie’ een hele vooruitgang vindt, want in de realiteit draait zijn pleidooi voor een code op niets uit. Hoe kan je trouwens zo’n code opleggen als je verder kritiekloos de vrije markt en haar economische machtsrelaties aanvaardt?
Vandenbroucke profileert zich als kritische sociaaldemocraat, maar suggereert geen echte hervorming van de wanverhouding tussen economische en politieke macht die het sociale model vandaag bedreigt. Zulke meer fundamentele kritiek lijkt me nochtans cruciaal, want de vrije-markt ideologie vindt niet minder, maar steeds meer ingang op allerlei domeinen: steeds meer sectoren lijken gericht op het maximaliseren van winst en niet zozeer op het kwaliteitsvol verlenen van diensten. Zo’n evolutie omkeren vraagt méér kritisch denkwerk dan Vandenbrouckes ingrepen.

Groene toekomst?
Een slotbedenking. Het boek stelt dat het draagvlak voor solidariteit vermindert, en dat is inderdaad een groot probleem. Mijns inziens heeft dit deels te maken met het psychologische effect van een zware belasting op arbeid. Wie werkt en zich inspant, betaalt de rekeningen voor wie niet werkt. Een mogelijke denkpiste, die in dit boek helaas door geen enkele auteur wordt aangehaald, is een hernieuwde, groene fiscaliteit, die toelaat de belasting op arbeid te verminderen. Tenslotte betekent globalisering niet alleen een uitdaging op vlak van migratie, maar evengoed op het vlak van ecologie. Een hernieuwde, groene fiscaliteit kan dus goed zijn voor het milieu én goed voor de sociale cohesie. Dit zijn geen verre dromen: Nederland en Denemarken, bijvoorbeeld, hebben geleidelijk een dergelijke hervorming van hun belastingsysteem doorgevoerd. Helaas blijft (ook) op dit vlak niet zozeer Antwerpen, maar heel België ‘immobile à grands pas’.

Het boek: Janssens, P. (2011). Voor wat hoort wat. Naar een nieuw sociaal contract. Antwerpen: De Bezige Bij. Met bijdragen van Bea Cantillon en Frank Vandenbroucke.

Deze tekst verscheen op 16 januari 2012 op de website van de vrt-redactie: http://tinnekebeeckman.deredactie.be/ 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!