Interview, Nieuws, Politiek, Cultuur, België, De Verenigde Verenigingen, Participatie, FOV, Dirk verbist, Beleidscultuur, Liesbeth De Winter, Federatie sociaal-cultureel werk (FOV) -

“It’s the culture, stupid!” Sporen naar een andere beleidscultuur met Dirk Verbist en Liesbeth De Winter

De Verenigde Verenigingen interviewde beleidsbedenkers, beleidsmakers en -uitvoerders over hun ervaring en visie op de huidige Vlaamse beleidscultuur. Het resultaat werd de publicatie: 'It’s the culture stupid! Sporen naar andere beleidscultuur!’. Tijd voor een interview met Dirk Verbist en Liesbeth De Winter, respectievelijk directeur en stafmedewerker van Federatie sociaal-cultureel werk (FOV).

dinsdag 24 januari 2012 12:25

Inspraak wordt door de politiek maar schoorvoetend omhelsd. “Jammer en onterecht”, vinden Dirk Verbist en Liesbeth De Winter van de Federatie sociaal-cultureel werk (FOV), “want wanneer participatie structureel en vooral op tijd georganiseerd wordt, wint iedereen erbij. Participatie is het probleem niet, wel hoe ermee omgegaan wordt in een beslissingsproces.”

Hoe zien jullie beleidscultuur?

“Context, structuur en denkbeelden die een beleid zichtbaar of onzichtbaar beïnvloeden, zijn hier belangrijk. In Vlaanderen hangt dat veeleer af van individuen en thema’s dan van een maatschappelijk draagvlak. Als belangenbehartiger proberen we in deze cultuur ruimte te creëren voor advies over sociaal-cultureel volwassenenwerk, voor een beleid waar iedereen achter kan staan. Dat wordt niet altijd geapprecieerd, omdat het de materie complexer maakt.”

Hoe wordt er in Vlaanderen omgegaan met beleidsparticipatie door het verenigingsleven?

“Er bestaan nogal wat instrumenten voor, zoals adviesorganen, structuren en functies. Op Vlaams niveau heb je de RIA (Reguleringsimpactanalyse), op lokaal niveau informatieambtenaren, ombudsmannen, enzovoort. Wordt er een democratisch deficit vastgesteld, dan volgen de ideeën en initiatieven voor burgerparticipatie elkaar op.”

“Er is dus ruimte voor, maar het blijft iets wat meegesleept wordt. Echte participatie zit niet in het wezen van ons beleid. Het gevoel overheerst dat beleidsmakers de boot afhouden. Daardoor raakt iedereen gefrustreerd: de burger voelt zijn inbreng aan als schijnparticipatie, de politicus voelt zich gekortwiekt.”

Staat beleidsparticipatie dan haaks op het primaat van de politiek?

“Nee, we accepteren dat de eindverantwoordelijkheid bij de politiek ligt. Maar komen beslissingen transparant tot stand? Passeerden alle meningen de revue? Jammer genoeg lijkt de snelheid van beslissen voorop te staan, waardoor meningsconflicten meteen een probleem vormen. Zo ontstaat er angst voor de georganiseerde groep die – op het einde van de rit – plannen kan dwarsbomen. Daarom verkiezen politici individuele participatie. Jammer, want is er vroeg genoeg inspraakmogelijkheid; dan kunnen problemen tijdig ontmijnd worden.”

Nu schermen beleidsmakers hun dossiers liever af?

“Politici vinden participatie wel belangrijk, maar ze starten er structureel te laat mee, zeker omdat er in onze besluitvorming sowieso al veel politieke consensus ingebouwd is. In Nederland kunnen ministers geïnterpelleerd worden over hun eigen beslissingen. Hier is elke beslissing van de minister ook een beslissing van de Vlaamse regering. Dan moet je natuurlijk lef hebben om het debat nog aan te gaan. Daarom wachten politici er liever mee tot het ‘veilig’ is om het beslissingsproces open te trekken, tot het besluit dus al vast ligt.

Zorgt het middenveld voor meer transparantie in de besluitvorming?

“Ja, kijk maar naar de adviesraden. Geëngageerde mensen uit het middenveld stimuleren de debatcultuur, kaarten maatschappelijke thema’s aan, waardoor het publiek ook vanuit die hoek geïnformeerd wordt. Essentieel, want waardevolle participatie is enkel mogelijk op basis van juiste informatie. Daarbij moet het klassieke middenveld ook zelf leren omgaan met nieuwe vormen van participatie.”

“Zolang meningen onderbouwd zijn, moeten die elkaar versterken. Het middenveld blijft onmisbaar als trekker voor verandering. De grens tussen ‘nieuwe’ burgerparticipatie en ‘klassiek’ middenveld is trouwens nogal kunstmatig en vaag.”

Wat moet essentieel veranderen in de houding van beleidsmakers?

“Politici moeten zelf de meerwaarde van participatie erkennen. Bestaande structuren moeten niet afgeschaft, maar écht gebruikt worden. Nu heerst een instrumentalistische kijk op participatie. Men kijkt waar men participatie nodig acht, niet waar de burger van wakker ligt; dan is men verbaasd wanneer er nauwelijks respons komt. Dat is het verschil met structurele participatie, waarop je wél antwoorden krijgt.”

“De transparantie van besluitvormingsprocessen was nog nooit zo groot, maar niet altijd dankzij het beleid. Veel politici slagen er ook niet in om fatsoenlijk om te gaan met de media, laat staan met de nieuwe media.”

Waar moet de verandering beginnen?

“Aan de top. De minister-president moet het voorbeeld geven. Veel hangt ook af van individuele politici. Competenties spelen ook een grote rol. Vanaf de jaren negentig moesten lokale besturen ‘makelaars in processen’ aanwerven om voldoende betrokkenheid te organiseren. Gemeenten kozen niet spontaan voor deze jeugdconsulenten en cultuurbeleidcoördinatoren, maar het had zeker effect.”

“Ook op Vlaams niveau kan de administratie een belangrijkere rol spelen als ‘makelaar van processen’, op voorwaarde dat je er ruimte voor schept. Tegelijk moet je pragmatisch tewerk gaan en niet wachten op een radicale hervorming van ons partijpolitiek bestel. Als bijvoorbeeld de eerste minister en vice-eerste ministers zich er bij het begin van een legislatuur toe zouden verbinden om consequent te werken op basis van groenboeken, dan zou iedereen erbij winnen. Proeftuinen creëer je vanuit je eigen geloof en dan zie je onderweg wat je kunt veranderen. We kunnen vandaag beginnen.”

Wie gaat er op Vlaams niveau de aanzet daartoe geven?

“Het middenveld misschien: ‘de Verenigde Verenigingen’ kan daar op zoek gaan naar partnerschappen, bijvoorbeeld bij het wetgevende niveau – parlement, gemeenteraden – dat steeds meer buitenspel gezet wordt. Kritisch zorgen voor meer openheid, het debat stimuleren en elke minister verdedigen die wél participatieprocedures opstart, dat is onze zorg. We moeten openstaan voor wat bottom-up groeit en over de grenzen kijken. Maar nog eens: laten we gewoon starten vanuit onze eigen, unieke situatie en instrumenten.”

Dirk Verbist is directeur van FOV en Liesbeth De Winter is stafmedewerkster bij FOV.

Vanwege groot succes is onze voorraad uitgeput, maar u kan wel de interviews via onze tweewekelijkse nieuwsbrief en op de website lezen. Een digitale versie zal binnenkort beschikbaar zijn.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!