Coverfoto: Mark Janssen
Nieuws, Cultuur, Rektoverso -

Samen kunst maken is de toekomst

Dat elk hoger gezag vandaag terrein lijkt te verliezen op het eigen gelijk van de burger, hoeft niet enkel cultuurpessimisme op te roepen. In community arts hebben kunstenaars al langer begrepen dat samen creëren met burgers een stuk vruchtbaarder aanvoelt. Niet hun artistieke autoriteit geven ze op, wel hun maatschappelijk isolement. Ook meer jonge artiesten beseffen: cocreatie is de toekomst.

maandag 9 januari 2012 17:49

We leven in andere tijden. Religie en natiestaat vormen niet langer de bindende factor van weleer. De globalisering, met haar migratiestromen, resulteerde in een postmoderne situatie, waarin een hoop subculturen naast elkaar zijn ontstaan zonder nog langer betekenis te ontlenen aan een canon. Ook kunst vertolkt al lang niet meer de betekenisgevende rol die ze ooit had. Toen met de ontzuiling de overheid de rol op zich ging nemen om kunstenaars te ondersteunen, werd ook kunst een specialisme binnen de differentiatie van de samenleving. De kunst zette in op haar autonomie en zelfreflexiviteit, en dat vooral voor hoger opgeleiden met modale en bovenmodale inkomens, zij die zich identificeren met de gevestigde canon. Lagere klassen verbinden zich daar niet mee. Zij stemmen gewoon met hun voeten: ze blijven weg uit de cultuurtempels. Kunst, kortom, heeft geen betekenis in hun dagelijkse realiteit. Meer nog: de laatste tien jaar roept kunst bij hen agressie en aversie op. Zo luidt ook de analyse die het Nederlandse Fonds Cultuurparticipatie maakte. Kunst wordt door grote groepen in de samenleving geassocieerd met een andere, elitaire wereld.

Nieuwe bronnen van verbeelding

Uit ongenoegen met die geïsoleerde maatschappelijke positie zijn bepaalde kunstenaars uit de generatie die aantrad in de jaren 1960, weer verbinding gaan zoeken met net die lagere sociaaleconomische strata. Hoe kan kunst weer een rol als betekenisgever spelen? Beeldende kunstenaars als Adriaan Nette, Ida van der Lee en Jeanne van Heeswijk, en theatermakers als Peter van de Hurk (het Rotterdams Wijktheater) en Titia Bouwmeester (‘t 5e Kwartier, ex-Dogtroep) draaien de klassieke verhoudingen om. Terwijl in de oude natiestaat het volk werd opgevoed tot de culturele canon, zoeken deze kunstenaars actief de eigen leefwereld van gemeenschappen op, om daar met hun artistieke arsenaal nieuwe betekenissen aan te geven. Zo werkte Adriaan Nette de laatste jaren in de wijk Landsherenkwartier in Deventer, inzoomend op schoonheid in het dagelijkse leven, in een periode van sloop en nieuwbouw. Hij gaat in interactie met lokale burgers of welzijnorganisaties, om uiteindelijk foto’s te nemen van bijvoorbeeld ordinaire buurtdagen. Wat hij in beeld brengt, vergroot hij uit tot mythische proporties. Die beelden schenkt hij dan terug in de vorm van fotoboeken, exposities of billboards in de wijk. Als je dat zoals Nette jarenlang systematisch doet, geef je zowel voor bewoners als voor buitenstaanders een nieuwe betekenislaag aan wat er in die wijk gaande is. Mensen gaan naar hun eigen realiteit kijken vanuit een schoonheidsbeleving. Uiteindelijk resulteert dat in een vorm van collectieve identiteitsvorming.

Vele kunstenaars vrezen dat je in zo’n horizontale coproductie van zin- en betekenisgeving je artistieke autonomie uitlevert. Maar kunstenaars in community arts werken niet minder autonoom. Hun artistieke procédé is precies hetzelfde als bij pakweg een galeriekunstenaar: ze doen onderzoek naar bronnen, selecteren daarin en komen tot een verbeelding. Alleen gaan ze niet enkel te rade bij hun eigen bronnen of bij de kunstgeschiedenis, maar ook bij de bronnen van specifieke gemeenschappen, die ze betrekken bij hun onderzoek, hun selectie en vaak ook de finale verbeelding. In die drie stappen kies je als kunstenaar om de brongroep in meer of mindere mate mee eigenaar te laten zijn van het resultaat: soms in artistieke zin, soms enkel in sociaal-organisatorische zin. Het blijft dus een autonoom maakproces: de maker blijft de regie voeren en de artistieke keuzes maken. Boeiend aan een kunstenaar als Nette is wel dat hij een nieuwe beeldtaal weet te creëren zonder het geheel naar zich toe te trekken. Hij pikt in op bestaande dynamieken en arrangeert die subtiel op een hoger artistiek plan. Vele andere community arts-projecten zijn daar nog zoekende in. Hoe hou je die cocreatie bij de burger? Erg snel raak je in situaties waarin mensen zich toch weer plooien naar jouw verhaal.

Hoe kan kunst weer een rol als betekenisgever gaan spelen?

Intussen zie je in Nederland en België ook veel jongere kunstenaars spontaan kiezen voor zulke processen van cocreatie. Terwijl de oudere generatie veelal opgeleid is aan reguliere kunstacademies, komt deze jongere generatie vaker uit toegepaste kunsten, zoals design. Ze zijn van nature opgeleid om voor opdrachtgevers te werken en worstelen veel minder met hun artistieke positie binnen projecten met burgers. Zo heb je in Utrecht HIK Ontwerpers, die onder de noemer ‘urban’ of ‘social design’ allerlei ontwerpen creëren in en met veelal sociale omgevingen. In Rotterdam heeft Bureau Mest leegstaande woningen in de Afrikaanderwijk omgeturnd tot ‘kuswoningen’. En in Amsterdam-West ontwikkelden Young Designers+Industry (YD+I) een paar jaar een kledinglijn met lokale jongeren, die ze van de initiële ontwerpfase tot de finale marketeering betrokken als nieuwe culturele ondernemers. In al deze gevallen gaat het om multidisciplinaire teams van jonge ontwerpers die community arts spontaan afwisselen met louter professionele opdrachten. Ze draaien gewoon een knop om: ‘we ontwikkelen deze keer geen product, maar een nieuwe sociale manier van werken, met andere partners en andere verdienmodellen’. Ook jonge academiestudenten gaan daar steeds meer in mee. Je zou ze kunnen verdenken van opportunisme, omdat dit soort sociaal-artistiek werk natuurlijk goed in de markt ligt bij allerlei fondsen, maar minstens zo sterk is hun motivatie om van meer vitale betekenis te zijn in de samenleving. Er gaat van maatschappelijk engagement nu eenmaal een intrinsieke werkbevrediging uit. Je hoeft je minder af te vragen wat de zin is van wat je doet.

Autoriteit in interactie

In essentie zou je kunnen spreken van een nieuw kunstenaarschap. Het gaat verder dan de ietwat cynische manier waarop meestal jonge kunstenaars zich het jongste decennium fascineerden voor de anekdotiek van de samenleving, om die dan in hun werk een gekke, hilarische twist te geven. Zij geloofden niet in de maakbare samenleving, en wilden daar ook geen verantwoordelijkheid voor opnemen. Dat doet die nieuwe generatie wel. Het kunstenaarschap dat zij aanhangen, wil zich spontaan verbinden met specifieke groepen van mensen en voor hen van wezenlijke betekenis zijn. Ze ontwikkelen daar ook een nieuw soort ambachtelijkheid bij: hoe daag je burgers en gemeenschappen uit om te participeren, hoe blijf je hen motiveren, hoe handhaaf je hun eigenaarschap over het project? Op dat vlak kunnen de reguliere kunsten heel wat leren van de opgebouwde expertise bij community arts.

Kunstinstellingen kunnen niet langer bogen op hun klassieke autoriteit binnen de urbane ruimte

Dat geldt touwens niet enkel voor kunstenaars, maar ook steeds meer voor instituten. Hoe interageer je als theater of museum met de stad? Kunstinstellingen kunnen niet langer bogen op hun klassieke autoriteit binnen de urbane ruimte. Ze moeten die nieuw en anders invullen. In 2000 was het parool nog heel erg: ‘doelgroepenmarketing in functie van toeleiding’. Anders gezegd: we moeten de non-participanten naar onze zalen krijgen. Maar die strategie zit natuurlijk nog erg vast in het betekenismodel van de oude natiestaat, waarin iedereen dezelfde gevestigde canon moet leren smaken. Men begreep wel dat het niet langer acceptabel was dat grote groepen uitgesloten bleven van kunst en cultuur, alleen had men nog niet het juiste antwoord. Vandaag beseffen instellingen: we moeten zelf naar de mensen toe, en samen met hen deelcanons produceren vanuit hun eigen leefwereld. Een mooi voorbeeld van die strategie is het urban curator-beleid van het Museum in Rotterdam, dat de wijken intrekt om daar nieuw erfgoed op te spitten. Zo maakten ze met strijdbare vrouwen uit achterstandswijken van Rotterdam-Zuid een wijd verspreid glossy vrouwenblad rond verhalen en problematieken die de brongroep zelf bezighield. Opnieuw fungeert cocreatie hier als een meer eigentijdse strategie om je missies te bewerkstelligen voor alle bewoners in de stad.

Lever je daarmee je autoriteit als kunstenaar of instelling uit aan de smaak van Jan met de pet? Integendeel. In al die nieuwe coproducties van betekenisgeving wordt aan de kunstenaar net een unieke vaardigheid toegekend: het vermogen om een werkelijkheid te verbeelden met een specifieke kwaliteit die je elders moeilijk vindt in deze maatschappij. Zelfs economische krachten beschouwen kunst als een steeds belangrijker waardemaker. Zo wees onderzoek uit dat projecten als die van Adriaan Nette een positieve invloed hebben op de perceptie van de leefbaarheid van wijken, en dat zo de woonwaarde stijgt. Instrumentalisering is dan een reëel gevaar, maar de hoogwaardige positie van het artistieke procédé blijft op zijn waarde geschat worden, inclusief het mystieke kantje dat erbij hoort. De postmoderne en gedifferentieerde samenleving stelt er alleen andere eisen aan: die autoriteit moet in interactie gaan.

Het zijn gedeelde processen tussen kunstenaars, burgers en gemeenschappen die de kunst zelf opnieuw autoriteit kunnen verlenen

Meer nog. Het zijn zulke gedeelde processen tussen kunstenaars, burgers en gemeenschappen die de kunst zelf opnieuw autoriteit kunnen verlenen. Sinds de prehistorische grottekeningen heeft kunst altijd een betekenisgevende rol gehad in het alledaagse, maar in de laatste decennia lijken we dat spoor wat bijster geraakt. In de nieuwe situatie van deze eeuw is het voor kunstenaars cruciaal om antwoorden te formuleren op de referentiescheppende rol die is weggevallen met de natiestaat en de religie. Ida van der Lee doet dat mooi, in haar project Allerheiligen Alom (sinds 2007). Daarin ontwikkelde ze als kunstenaar, in coproductie met nabestaanden en de uitvaartbranche, eigentijdse vormen voor het vieren van je doden, vanuit de vaststelling dat we met de ontkerkelijking niet langer een kader hebben om met de dood om te gaan. Dat ligt heel dicht bij de oude rituele functie van kunst, alleen worden burgers nu zelf opdrachtgever. Wat Van der Lee doet, en met haar steeds meer kunstenaars, is inspelen op een hamvraag in elke maatschappij: hoe geven we betekenis en zin aan belangrijke gebeurtenissen in ons leven? Het antwoord moet uit de kunsten komen. Waar moet het anders vandaan komen? Het is altijd uit de kunsten gekomen. En in deze tijd, geloof ik, is cocreatie met burgers een van de boeiendste strategieën om zowel artistieke innovatie te handhaven als de autoriteit van de kunsten te herwinnen.

Sikko Cleveringa is projectleider van Community Arts Lab XL, ‘landelijk laboratorium voor kunst en samenleving’ in Utrecht (www.cal-xl.nl).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!